Klassieke muziek: Grigory Sokolov

De luisterende speler

Het is wonderlijk gelopen met de nu zeventigjarige Russische pianist Grigory Sokolov. Hij won op zijn zestiende het vermaarde Tsjaikovski-concours in Moskou, maar bleef vervolgens lang onder de radar van de westerse elitepodia. Pas in mei 1992 debuteerde hij, nota bene als vervanger van de door een tennisarm getroffen Alfred Brendel, in de prestigieuze Serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw. In Schuberts Sonate in G-groot, Stravinsky’s Petroesjka en Preludes van Rachmaninov maakte Amsterdam kennis met een meester in de buitencategorie.

Nu, als grote oude man met een contract bij Deutsche Grammophon, vervangt Sokolov niemand meer. Hij neemt op wat hem behaagt en altijd live, zonder montage-ingrepen achteraf. Zijn nieuwste dubbel-cd met werken van Beethoven, Brahms en een reeks typische Sokolov-kleinoden van Rameau tot Rachmaninov is een compilatie van registraties uit Zaragoza, Wuppertal en een kerkje in het Italiaanse Bardi. De hoorbare akoestische verschillen gaan gepaard met een sterk wisselende geluidskwaliteit, die in Zaragoza helder maar te galmrijk, in Bardi dof en enigszins bedompt is. Klagen is natuurlijk streng verboden. Gods woord is gods woord en het repertoire is exquise.

Aan liflafjes doet de chef van de klavier-Olympus niet. Van Beethoven de Bagatellen Op. 119 en de vroege, aan Haydn opgedragen Sonate Op. 2/3, van Brahms de Klavierstücke Op. 118 en Op. 119. Daarna het kleingoed, dat de pianomens in alle staten van geluk brengt. Nooit klonk de decoratieve verfijning van Rameau zo prachtig op een vleugel – muziek met de diepte van de oppervlakte, zei componist Daan Manneke me ooit, en dat is het precies. Maar het is de Beethoven-sonate die alle aandacht naar zich toetrekt. Je hoort daar, naast Sokolovs vanzelfsprekende pianistische kwaliteiten, het unicum van de luisterende speler. Moderne virtuozen spelen deze muziek sneller, motorischer, accentrijker, digitaler. Neem Igor Levit. Over het eerste deel doet hij negen minuten en veertig seconden, Sokolov bijna drie minuten langer. En hoewel Levit zich terecht kan beroepen op de tempo-aanduiding allegro con brio, stelt Sokolov de vraag wat Beethoven ermee bedoeld kan hebben. Zit de brille in het tempo of in de voordracht?

Het wordt B. Hij speelt niet hard, hij speelt niet snel, maar brengt tot leven wat bij de verbeeldingsarme Levit mechanische reproductie blijft, laat zich met semi-naïeve terloopsheid overvallen door de radicale fantasie van de jonge Beethoven. De monumentale fortissimo-octaven in de tedere adagio-monoloog komen letterlijk als een donderslag bij een heldere hemel. Daar is het alsof hij een kleinzoon een romantisch horrorsprookje uit zijn eigen kindertijd voorleest, en wekt hij de wonderlijke indruk zelf te schrikken van het monster. Verder houdt hij maat. Accenten worden uitgedrukt in klankdichtheid, niet in volumes. De dalende staccatokwarten van het scherzo zijn bij Sokolov haast schuchtere, bedeesde stapjes. Zelfs de versieringen lijkt hij, heel precies, met een lichte vertraging uit te voeren om te verhinderen dat iets het oor ontgaat.

Die onderzoekende houding trekt hij door naar de merkwaardige, deels kinderlijk eenvoudige Bagatellen Op. 119, in elf soms aforistisch korte delen een uitgewerkt schetsboek en de kraamkamer voor alle belangrijke klaviermuziek van de negentiende eeuw. Deze man heeft alle behaagzucht, alle prestatiedrang afgelegd, maar zijn verbeelding schakelt virtuozer dan de snelste handen. Niemand speelt zo.


Grigory Sokolov, Beethoven / Brahms, 2 cd’s