Debat: drie generaties over een era

De luxe van onverschilligheid

In de jaren negentig leek het individu vrij, maar was het een kuddedier van emotiecultuur en consumentisme. In een «luchtbel» ging een verlangen naar engagement samen met onverschilligheid. Volgens historicus Hans Goedkoop, publicist H.J.A. Hofland en filosofe Désanne van Brederode — drie generaties — moeten we weer «verschillig» worden.

Is een tijdperk te vangen als het nog maar net onvoltooid verleden tijd is? Is het überhaupt historisch juist om de gang van de geschiedenis te willen indelen in periodes, net als de huidige neiging om «de lange jaren negentig» te laten beginnen met de majestueuze val van de Berlijnse Muur in 1989 en af te breken met de aanslagen door fundamentalistische moslimstrijders in Amerika?

«Ja, natuurlijk kan dat», meent de éminence grise van de journalistiek Henk Hofland, die deze week zijn 75ste verjaardag viert. «Wat een onzin. Ik vind helemaal niet dat de jaren negentig afgelopen zijn, en dat er iets wezenlijks is veranderd na de elfde september», zegt Désanne van Brederode, filosofe en auteur van twee romans, die in 1989 net van de middelbare school kwam. De bijna veertiger Hans Goedkoop, historicus en presentator van het programma Andere tijden, legt de cesuur eerder bij de dood van Fortuyn op 6 mei en de verkiezingen op 15 mei. «Het aparte is dat je die breuk ook werkelijk vóelt. Je kunt er abstract en beschouwelijk over praten, maar vooral de gewaarwording van verscherpte tegenstellingen ondersteunt die gedachte van een afgesloten tijdperk. Er is opeens een besef ontstaan dat er weer iets te vechten valt.»

In het café van het Amsterdamse Jugendstilhotel Americain zit dit driemanschap op een zonnige zondag bijeen om de gedachten te laten gaan over het karakter van de jaren negentig. Hofland trekt een parallel met het verleden en in een verwijzing naar de jaren twintig spreekt hij van de «roaring nineties». «De jaren twintig kwamen na een oorlog die de hele wereld veranderde, net als de roaring nineties begonnen na het einde van de even ingrijpende Koude Oorlog. De naoorlogse tijd van de roaring twenties is een bijzonder uitbundige tijd, die eindigt met de grote Beurskrach van 1929. Dan zakt de hele vrolijke wereld in al zijn geledingen in elkaar en begint de grote depressie, waarin de fouten van kort na de Eerste Wereldoorlog — in het bijzonder het vredesverdrag van Versailles — het Westen zo hard worden ingewreven dat daaruit de Tweede Wereldoorlog ontstaat. Na de val van de Muur volgt het ontbindingsproces van de Sovjet-Unie, en daarna is iets gebeurd dat bijzonder veel lijkt op wat er tachtig jaar eerder gebeurde, namelijk een ontzaglijke expansie van de economie, een mondialisering en daarbij een explosie van kunsten, entertainment en zogenaamde evenementen. Nu maken we het einde daarvan mee en is het besef ontstaan dat we lange tijd in een luchtbel hebben geleefd. Zoals ik al schreef, heb ik de jaren negentig als een verstikking ervaren. Als een van de meest lawaaiige, vraatzuchtige en onbenullige tijdvakken uit de westerse geschiedenis.»

Van Brederode: «Mij verbaast het juist dat de elfde september zo weinig heeft veranderd in onze persoonlijke levens. Heel even bestond de gedachte, mede door de media gevoed, dat alle waarden op losse schroeven stonden, maar op feestjes praatte men al snel weer over een tochtje naar Disneyland en het tweede huisje in Frankrijk. Het beklijfde niet. De consumentencultuur schudde niet op zijn grondvesten. We gingen ook niet plotseling de existentiële en zingevingsvragen stellen die we in de jaren negentig waren kwijtgeraakt. Terwijl ik dacht dat de aanslagen op het WTC dat zouden veroorzaken; dat mensen van mijn leeftijd die bezig zijn een gezinnetje te stichten, zich plotseling zouden afvragen wat nu de fundamenten zijn onder hun kleine, prutserige verlangens.»

Hofland luistert met lichte verbazing naar de vrouw tegenover hem, die qua leeftijd zijn kind had kunnen zijn. Op docerende toon: «Vergelijk het met een natuurproef. 11 september is voor de wereld geweest als een stof die een verzadigde oplossing ineens laat kristalliseren. Plotseling zie je wat een troep er allemaal in is opgehoopt en zie je beter wat zich voordien allemaal heeft afgespeeld. De werkelijkheid is weer terug, dat begon met de instorting van de internethype, en 11 september deed de rest. En wat voor consequenties dat allemaal heeft, dat weet zelfs deze koffiedikgoeroe niet.»

Wat was die «troep» en waaruit bestond het gistingsproces? Alledrie zijn ze het erover eens dat er in de jaren negentig sprake was van een verregaand consumentisme, waarin onverschilligheid jegens de samenleving paradoxaal genoeg samenging met een drang «te worden gehoord».

Goedkoop: «De jaren negentig leken op een gerealiseerde utopie. Tegenstellingen verdwenen en de schaarste was voorbij. Nog nooit bestonden zoveel visies in vrijheid naast elkaar en toch was er geen alternatief maatschappijmodel meer, zoals in de decennia daarvoor. Tegelijk gaven de jaren negentig mij soms een unheimlich gevoel, omdat mensen zo weinig werkelijke ervaring meer voelden met de grote context waarin ze leven.»

Hofland: «In die ogenschijnlijk contextloze wereld is de klasse van de consument ontstaan die de traditionele klassenindeling volledig heeft verdrongen. Het aanzien van de tijd werd bepaald door de weinig wetende, zich rond etende en van de maatschappij afkerende consument; iemand die denkt: ik voor mezelf en god voor ons allen. Hij leeft in relatieve welstand en voelt zich ook nog eens miskend, zoals de afgelopen verkiezingen lieten zien.»

Goedkoop: «Ik geloof niet zo in het bestaan van de onbewust levende massaconsument die zich afkeert van de maatschappij. Als de burger dat al doet, is het tijdelijk, omdat hij geen alternatief ziet. Juist omdat burgers hoger opgeleid zijn en zoveel meer weten, lijken ze zich af te keren. Maar zodra ze de mogelijkheid zien, grijpen ze de kans een beslissende rol te spelen. Dát zag je in de afgelopen verkiezingen.»

Van Brederode reageert verbaasd. «Denk je dat echt? Daar geloof ik nou echt geen klap van. Die nieuwe bemoeienis van de burger is toch vreselijk? Die bestaat alleen maar uit een schreeuwerige formulering van gezeur: wij willen dit, we willen dat, en wel nu meteen.»

Hofland: «Omdat men het goed had, hóefde de nieuwe klasse zich niet met de vertechnocratiseerde politiek te bemoeien. In 1989 concludeerde de liberale socioloog Dahrendorf dat de staat werd verlaten. En dat was ook zo. Kijk alleen maar naar de lage opkomst bij verkiezingen sindsdien. Maar na 11 september is de staat terug. Dat zie je op vliegvelden, en zo dadelijk aan de grenzen. Maar het is een defensieve staat met een grimmig gezicht; we bouwen muren. Men heeft zich lange tijd de luxe van de onverschilligheid kunnen veroorloven, omdat daar geen ‹straf› op leek te staan. Al die tijd kon men de ogen sluiten, bijvoorbeeld voor de bedrijfsschandalen die nu zo zichtbaar worden. De gedachte was: wat heb ik daarmee te maken? Wij gaan lekker hupsen in de disco. Op die houding blijkt nu wel degelijk een straf te staan, maar niemand weet meer hoe hij ‹verschillig› kan worden.»

Goedkoop: «Ik vind onverschilligheid een veel te moreel beladen begrip om een tijdvak mee te duiden. Ik ben ook helemaal tegen een begrip als ‹hoogmoed› ter duiding van de jaren negentig. Het is pas hoogmoedig om een tijdvak een dergelijk moreel beladen begrip te geven. Het veronderstelt dat wij het nu beter weten en anders zouden doen. Elke tijd heeft zijn hoogmoed die altijd weer wordt afgestraft. En daarna is er nieuwe hoogmoed nodig om mensen in beweging te zetten. Dat heet dan aanvankelijk geen hoogmoed, maar ‹daadkracht› en ‹idealisme›. Die lopen uiteindelijk stuk op de eigen beperkingen en dan zeggen we achteraf: ‹Hoogmoed!› Bovendien was de politiek van de jaren negentig helemaal niet hoogmoedig, die was juist uitgesproken pragmatisch.»

Van Brederode: «Onverschillig is wél een goed woord voor de jaren negentig. Je ziet dat mensen wel aanzetjes deden tot een bepaald soort engagement, maar direct dachten: ach, het maakt toch geen zak uit. Ze hebben geleerd hoe naïef de idealen van de jaren zestig waren. Daardoor bleef de bevlogenheid van mijn ‹negentig-generatie› heel cerebraal, want als het op daden aankwam, was het én niet stoer, én je moest wel een beetje blijven genieten.»

Alledrie zagen ze binnen dit consumptie gerichte denken en handelen nauwelijks nieuwe deugden ontstaan. Volgens Goedkoop werden de jaren negentig vooral getekend door een sterk verlangen naar deugden en waarden, niet door de inventieve omgang ermee. «De hele jaren negentig door hoor je mensen zeggen dat er ‹overtuiging› moet komen, dat de politiek ‹visie› nodig heeft en de samenleving ‹waarden›. Daarbij wordt nooit de vraag gesteld wát voor waarden, als het maar in godsnaam waarden zijn. Voor gemeenschapszin geldt hetzelfde. In dat licht moet je volgens mij ook die merkwaardige stille tochten zien. De afkeer van geweld wordt door iedereen gedeeld. Mensen voelen kennelijk de behoefte om in het openbaar te bevestigen dat er nog bepaalde, minimale waarden worden gedeeld; waarden die vanzelfsprekend zouden moeten zijn maar kennelijk niet meer zo worden gevoeld.»

Van Brederode begrijpt de populariteit van dergelijke rituelen wel. De dag voor het gesprek bezocht ze in het Hiltonhotel nog de herdenkingsbijeenkomst voor Herman Brood om «lekker te kunnen huilen». Ze meent dat mensen zo’n gebeurtenis aangrijpen om hun natuurlijke behoefte aan rouw collectief te beleven. «Er is zo’n positief sfeertje ontstaan van ‹doe mee› en ‹komaan, het leven gaat door›.» Daar willen mensen weleens onderuit.

Hofland kan niets met die gedachte. «Bah, rituelen», bromt hij in zijn (dunne) baard.

Van Brederode: «Wat ik hoogmoedig vind, is zeggen dat je die ontroering niet voelt omdat die eigenlijk plat is.»

Goedkoop, hardop lachend: «Het is toch interessant dat we alledrie in een totaal andere tijd hebben geleefd.» En vervolgt: «Dat positieve sfeertje waar jij het over hebt, dat zie ik bijvoorbeeld helemaal niet.»

Hofland oppert dat er uitbundigheid ontstond omwille van zichzelf. Uit je dak gaan werd een doel. Daar zijn ze het alledrie wel over eens. Goedkoop: «Dát is heel erg jaren negentig! En dat heeft voor mij weer alles te maken met die gerealiseerde utopie. Alles kan, niet op een ‹waardeloze› maar op een ‹waardenloze› en vrije manier. Tegelijk zit er in al die ervaringen grote leegte. Wat er mist is een gevoel van de scherpte en de gevaren van het leven. Een leven waarin alles zo is georganiseerd dat je zelf nauwelijks meer nodig bent, roept een enorm verlangen op om zelf ervaringen te scheppen. Aan de ene kant zie je een echte uitbundigheid van ‹anything goes›, aan de andere kant ook een soort wanhopigheid waarin men maar niet kan ervaren wat men wil ervaren. En dus zoekt men steeds verdere extremen. Tot je uiteindelijk uitkomt bij een programma van Henny Huisman dat ik zag — zo schiet mij opeens te binnen — waarin een bus vrouwen op zoek gaat naar pikante lingerie. De dames zijn al een beetje over de jaren, maar hijsen zich allemaal in strak lederen topjes. Als giechelende jonge meiden zitten ze te gillen in de bus. Het uitje eindigt in een homodiscotheek in de grote stad A. Samen met Henny Huisman leidt iemand van het personeel ze rond, waarbij de darkroom niet wordt overgeslagen. Daar kijken de dames in lingerie belangstellend om zich heen. Eén van hen strijkt met haar hand over de muur en merkt op: ‹Tegeltjes. Tuurlijk, dat neemt natuurlijk makkelijk af.›»

Hofland: «Dat is een geweldige vrouw!»

Goedkoop: «Ze verbeeldt zowel de zucht om uit de band te springen als de onwerkelijkheid van de ervaring. De vrouw in latex beha denkt: god, wat handig, tegeltjes. Alles kan, en tegelijk gebeurt er wezenlijk helemaal niets.»

Van Brederode: «Natuurlijk, je kunt eindeloos veel illustraties van dat fenomeen vinden. Je kunt er ook ellenlang over klagen, net als over die vreselijke boeken van Connie Palmen die haar persoonlijk leven tot literatuur heeft verheven, met alle taalfouten en stilistische blunders erbij, maar interessant is dat je het toch wilt lezen. Ik tenminste wel. Waarschijnlijk omdat het je belooft deelgenoot te maken van iets heel intiems. En dat heeft weer alles te maken met pochen: kijk eens wat ik allemaal vertel. De vraag is in hoeverre mensen in de jaren negentig een authentieke behoefte voelden tot allerlei activiteiten. Neem zo’n column van Heleen van Royen. Na het bekijken van een erotisch programma concludeert ze: ‹Ik ben al 37 en ik heb nog nooit met een vrouw gevreeën en seks voor geld gehad. Ik moet beide toch eens meemaken voordat ik ben uitgezakt.› Dat vind ik idioot: iets willen louter omdat je dat nog niet in je pakket hebt zitten.»

Hofland, die zich sinds de vorige gesprekswending enigszins afzijdig houdt, roept plots, als uit de grond van zijn hart: «Gat nee!»

Van Brederode raakt op dreef. «Er is een competitie binnen al die vrijheid aan de gang die juist onvrij maakt. Doe je ergens niet aan mee, dan ben je een burgertrut.»

Hofland: «De gedachte dat je iets moet meemaken omdat je het nog niet in je pakket hebt, is mij totaal vreemd. Dat vind ik ook belachelijk, alhoewel ik het niemand zal verbieden; ik ben niet de koddebeier van de zedenpolitie. Maar ik heb wel een idee over het Goede Leven. Ik geloof dat je het beste af bent door zelf te verzinnen en te proberen, en hoe afgekloven dit woord ook is, door zo ‹creatief› mogelijk te leven. Je leert jezelf kennen in mogelijkheden en in dingen die je nooit zult bereiken. En de mogelijkheden die je hebt: uitbuiten, desnoods 24 uur per dag.»

Van Brederode: «Waar het mij om gaat is dat er een vrijheid is ontstaan waarin de macht en de dwang van de kudde juist alleen maar groter is geworden. Het is verboden om dingen voor jezelf te houden, terwijl terughoudendheid niet altijd uit voorzichtigheid is, maar soms ook om een gedachte te kunnen laten rijpen, om eerst nog ergens mee bezig te zijn voordat je met een mening naar buiten komt. Individualisme leidt niet noodzakelijkerwijs tot meer vrijheid. Integendeel.»

Goedkoop: «Dat klinkt mij ontzettend jaren zestig, zeventig in de oren: vrouwen die de pil gingen slikken en toen ontzettend baalden omdat ze met alles en iedereen elke dag het moesten doen. Vrijheid sloeg om in onvrijheid, het is een oude discussie.»

Hofland: «Ja, maar er is iets nieuws. De zogenaamde geïndividualiseerde mens denkt vrij te handelen, maar doet dat onder de gedachteloze zinspreuk: ‹Dat maak ik zelf wel uit, zo voel ik het nu eenmaal.› Samengevat: het individu heeft een reisje naar Thailand geboekt, hij komt bij de dokter, wil daar een pil tegen een verrekte spier. ‹Nee›, zegt de dokter, ‹u heeft geen spier verrekt, u hebt de bof. U kunt niet op reis.› ‹Nee, zegt het individu, ik heb een spier verrekt en ik wil daarvoor een pijnstiller, dat krijgen voetballers ook en dat wil ik nu, want ik ga naar Thailand.› De dokter houdt hardnekkig vol. Het individu geeft de dokter een knal voor zijn kanis en gaat naar een andere dokter. Dat is individualisering. En het is heel stom. In de jaren negentig is het tot een epidemie geworden. Vraag het dokters, trambestuurders, loketbeambten, verplegers, whatever. En de LPF-stemmer is de geïndividualiseerde mens in overtreffende trap.»

Goedkoop: «Volgens mij ligt het probleem niet in het individualisme, maar in de vervaging van het onderscheid tussen het persoonlijke en het publieke domein zoals die de afgelopen jaren gestalte kreeg. Probleem is niet dat mensen op televisie van alles over zichzelf vertellen, maar dat ze dat doen om iets te bewerkstelligen. In het begin vond ik de reality-tv fantastisch. Ik herinner me nog de eerste uitzendingen van het programma All You Need Is Love. Daarin werd voor het eerst een probleem in huiselijke kring via de camera opgelost, waarbij de presentator als dominee fungeerde en vier miljoen mensen als getuigen. Het eigen nest werd omgebouwd tot voetbalstadion. Via het kistje thuis en via internet probeert men weer iets van een gemeenschap te creëren.»

«Maar die gemeenschap verdwijnt als je de televisie uitzet», meent Hofland. «Het is een schijngemeenschap», zegt ook Van Brederode.

Voor Hofland is de situatie van de jaren-negentigmens het beste te beschrijven met een metafoor die een collega van hem ontleende aan de Disney-industrie. «Hij is als een opgejaagd tekenfilmfiguur die zonder omkijken raast over de afgrond en nog een eind in de lucht doorloopt terwijl hij allang geen vaste grond meer onder de voeten voelt.» Toch wil Hofland zichzelf niet als pessimist zien. Goedkoop vraagt hem: «Een mens is volgens jou dus tot meer in staat dan een stripfiguur?»

Hofland: «Jazeker! Maar net als de stripfiguur moet de mens eerst realiseren dat het in het luchtledige hangt. Dat gebeurt nu. Daarna is hij, de mens, inventief genoeg om een trampoline te vinden.»