Annie Ernaux in 1960 © privéarchief Annie Ernaux

Het is 1958. Annie Duchesne brengt een zomer door als jeugdleidster bij een vakantiekolonie. Ze wordt ontmaagd door hoofdjeugdleider H. De hoofdjeugdleider dankt haar na die ene keer af, kiest een ander vriendinnetje tussen de jeugdleidsters (dunner, blonder). Annie wil alleen hem, maar laat zich een zomer lang kussen en betasten door een handjevol andere jongens. Haar reputatie als ‘halve hoer’ is gevestigd, een serie vernederingen volgt, al ervaart ze de meeste daarvan pas veel later – weken, jaren later, een mensenleven later – als zodanig.

Dit is, in een notendop, waar Annie Ernaux’ meest recente boek Meisjesherinneringen (2016) over gaat. Een urgente, misschien zelfs ultieme poging om de episode te herinneren en vast te leggen; Ernaux was al ver in de zeventig toen ze het schreef. Eerdere pogingen om over die zomer van 1958 te schrijven strandden. Pogingen het meisje dat ze was te vergeten mislukten ook, en zo is dit verhaal decennialang een afwezigheid gebleven in haar oeuvre; een ‘gat waar geen woorden voor zijn’.

‘Het idee’, schrijft ze, ‘dat ik zou kunnen doodgaan zonder te hebben geschreven over het meisje dat ik al vroeg “het meisje van ’58” heb genoemd, achtervolgt me. Op een dag zal er niemand meer zijn om zich haar te herinneren. Datgene wat dat meisje met uitsluiting van ieder ander heeft meegemaakt, zal onverklaard blijven, voor niets meegemaakt zijn.’

Leven om erover te schrijven, en schrijven om het meegemaakte van betekenis te voorzien: het is wat je Ernaux’ project zou kunnen noemen. In een hecht en hoogst autobiografisch oeuvre spit ze door haar herinneringen – een jeugd in Rouen als dochter van twee middenstanders, een illegale abortus aan het begin van de jaren zestig, een huwelijk, een affaire, de dood van haar ouders – die vervaagd en vervormd raken door de tijd, notoir onbetrouwbaar blijken, maar ook rijker worden, gelaagder, veelkantiger. ‘Eigenlijk zijn er maar twee soorten literatuur’, schrijft ze in Meisjesherinneringen, ‘een literatuur die verbeeldt en een literatuur die zoekt, de ene is niet beter dan de andere, behalve voor degene die ervoor kiest zich eerder aan de ene dan aan de andere te wijden.’

Zelfinzicht doet zich bij Ernaux niet voor als een uitsluitend psychologische verworvenheid, maar gaat erover hoe dat zelf zich verhoudt tot de wereld, waarbij zowel het zelf als de wereld een allerminst stabiele factor is. Ze heeft dan wel een grote drang om de dingen te verklaren, maar even groot is haar weerstand om verklaringen te zien als onomstotelijk en definitief. Er is alleen het moeizaam opgedolven verhaal dat te voorschijn komt onder een berg van haarscherpe en nauwelijks herinnerde woorden, beelden, sensaties, details. En de wetenschap dat het ook een heel ander verhaal had kunnen zijn.

Als Meisjesherinneringen het verhaal is van een ontmaagding en de nasleep ervan, een poging van de schrijver om ‘het gat waar geen woorden voor zijn’ niet zozeer te dichten – als er inderdaad geen woorden voor zijn, dan is een boek wel de slechtste manier om zoiets te proberen – als wel van betekenis te voorzien, dan is de grotere vraag die door de pagina’s schemert wat maagdelijkheid eigenlijk betekent, en, daaruit volgend, wat het betekent om een meisje te zijn.

Want als status is maagdelijkheid voorbehouden aan meisjes. ‘In human society’, merkte feministisch denker Andrea Dworkin al op in haar boek Intercourse (1987), ‘men are rarely ontological virgins.’ Vrouwelijke seksualiteit is, heel anders dan mannelijke, van meet af aan een kluwen van zuiverheid en bezoedeling. Je bent niet als maagd geboren, je wordt tot maagd gemaakt, en wel precies op het moment dat je het ook níet meer zou kunnen zijn. Een meisje van zes noemen we geen maagd, een meisje van zestien wel. Of ze het nu wil of niet, ze heeft het domein betreden van de seksualiteit. Ze wordt gedefinieerd door iets wat ze níet heeft gedaan, en raakt haar status weer kwijt zodra ze het wél doet. Wie de appel plukt verliest hoe dan ook. Wat er met de opgedane kennis te winnen valt, is ongewis.

Zo ervaart de bijna achttienjarige Annie het aan de vooravond van haar vertrek naar de vakantiekolonie ook zo’n beetje. Er is een groot geheim waar ze niets van af weet (maagd zijn betekent onwetend zijn), en haar verlangen om erachter te komen gaat een strijd aan met de angst om haar status van maagd te verliezen. Extra complicerend is dat het idee van de ontmaagding niet alleen het verlies van zuiverheid inhoudt, maar in Annie’s verbeelding ook een ‘sacrale ervaring’ is. Vijfenvijftig jaar later noteert Ernaux dat ze moeite heeft haar gemoedstoestand van destijds te reconstrueren: niet alleen in haar, maar in de hele maatschappij heeft een begrip als ontmaagding de ongelooflijke kracht van weleer verloren.

Dat is natuurlijk zo, al is ook dat een kwestie van perceptie. Ik werd bijna een halve eeuw na Ernaux geboren, en ook mijn herinneringen zijn doordesemd met de taal van maagdelijkheid en ontmaagding. In het meisjesblad Fancy lazen mijn vriendinnen en ik iedere week ingezonden brieven van meisjes die zich, net als wij, afvroegen of je ontmaagd kon worden door een tampon, een vinger of een paardrijzadel. Naar seks werd door ons verwezen met een van allerlei grootse, onuitgesproken betekenissen voorzien ‘het’. Ik zal nooit vergeten hoe, in mijn studententijd, een medestudente met het schaamrood op haar kaken opbiechtte ‘nog maagd’ te zijn. En ook niet hoe ik, te midden van een groep jongens (ik was niet jong genoeg om leeftijd hier op te voeren als een excuus), een meisje met de reputatie ‘makkelijk’ te zijn allerlei grappig bedoelde benamingen gaf die uitdrukking moesten geven aan haar sletterigheid.

Weinig verrassend is Annie’s ontmaagding niet bepaald de sacrale ervaring die ze daarvan voor ogen had. Het gebeurt in een snik en een zucht, ze laat met zich doen wat jeugdleider H. met haar wil doen, is niet in staat daar invloed op uit te oefenen (55 jaar later weet ze nog altijd niet of ze het, wat zichzelf en H. betreft, eens is met Simone de Beauvoirs uitspraak dat ‘de eerste penetratie altijd een verkrachting [is]’). Technisch gezien is het niet eens een ontmaagding: de penetratie lukt niet, ze wordt met haar mond op zijn geslacht geduwd om de klus te klaren.

De overkant van Annie’s ontmaagding blijkt ook al niet de verhoopte plek te zijn van diepgaande kennis aangaande ‘het banket van het leven’. In een poging voor zichzelf en anderen verborgen te houden hoezeer ze gekwetst is door H.’s kille afwijzing na die ene nacht besluit ze (voorzover het een besluit is) zich te laten behandelen als ‘seksobject’ door andere jongens in de vakantiekolonie. Ze put trots uit de reputatie die ze in rap tempo opbouwt, de jongens die zonder enige aarzeling tussen haar dijen grijpen, haar rits open trekken. Dat ze wordt uitgelachen, niet eens achter haar rug maar recht in haar gezicht, dat ze voortdurend het mikpunt is van seksueel getinte grappen, ervaart ze op het moment zelf niet als vernederend. Het geluksgevoel onderdeel te zijn van de groep is simpelweg groter, het verlangen één van hen te blijven persistenter. En dus lacht ze mee, nog net wat scheller dan de rest, en is ze er als eerste bij zodra een ander het mikpunt is van spot.

Onverhoopt is Annie D., vlak voor de zomer ten einde komt, een tweede ‘nacht’ van welgeteld anderhalf uur vergund met H. Weer lukt het hem niet haar te penetreren. Maar goed ook, zegt hij, want hij is verloofd, en in het verleden werd hij altijd verliefd op meisjes die hij ontmaagdde. Dat zijn verloofde maagd is, en dat Annie D. ‘geen maagd is op wie hij verliefd kan worden’, spreekt voor zich.

Het is niettemin genoeg voor Annie om al haar hoop op hem te vestigen, hij is in haar ogen nu haar ‘minnaar’. Wanneer ze na de zomer intern gaat bij het Jeanne d’Arclyceum in Rouen, een meisjesschool waar ze eindexamen zal doen ter voorbereiding op hoger onderwijs, verwacht ze dat het leven daar min of meer een voortzetting zal zijn van dat in de vakantiekolonie. Niets is minder waar: de meisjes, veelal uit hogere sociale klassen, intimideren Annie met hun ernst en vanzelfsprekende superioriteit. Ze vindt geen aansluiting, wordt ook door de leraressen niet opgemerkt. Op twee nostalgische brieven die ze schrijft aan ‘vriendinnen’ uit de kolonie krijgt ze nooit antwoord.

In Intercourse , waarin ze via literaire analyse wil aantonen hoe seks tussen mannen en vrouwen de motor is van het (gewelddadige, voor vrouwen vernietigende) patriarchaat, wijdt Andrea Dworkin een hoofdstuk aan de maagdelijkheid. Via Jeanne d’Arc, Madame Bovary en Dracula ontwaart ze een historische verschuiving in de betekenis van het begrip.

Voor Jeanne d’Arc, ‘La pucelle d’Orléans’, was maagdelijkheid een wapen in de strijd om haar vrijheid. Dat ze maagd was, beargumenteert Dworkin, had niets te maken met het vervolmaken van een rol als heilige, ideale vrouw, maar was juist een manier om effectief aan het vrouwzijn te ontsnappen. Het was een vorm van nee-zeggen op het ene, en, daarmee, actief ja-zeggen op het andere: autonomie, kennis, het leven zelf – alles wat aan mannen was voorbehouden. Omdat Jeanne d’Arcs maagdelijkheid niet ideologisch of dogmatisch was maar een vorm van opstandigheid en zelfverwezenlijking vormde die een bedreiging voor mannen. Ze werd, volgens Dworkin, niet verkracht en op de brandstapel gezet omdat mannen naar haar verlangden, maar omdat ze weigerde een object van verlangen te zijn.

Dworkin maakt een sprong van ruim vierhonderd jaar in de tijd, om te belanden bij Flaubert, wiens ‘petite madame’ Bovary een modern tijdperk inluidde dat werd gedefinieerd door de kleinburgerlijke zoektocht naar vrijheid. In Madame Bovary ziet Dworkin het prototype van de moderne vrouw, voor wie promiscuïteit de enige graadmeter is van haar mate van vrijheid. ‘Female heroism’, schrijft ze, ‘is in getting fucked and wanting it. Female equality means that one experiences real sexual passion - driven to it, not faking.’ Maagdelijkheid krijgt hier een nieuwe, moderne betekenis; eentje die het huwelijk kan overleven zolang een vrouw zich niet werkelijk voelt aangeraakt door haar man; eentje die intact blijft zolang een vrouw niet ziek van verlangen is geweest, de regels van het goede fatsoen en de monogamie niet heeft overtreden, geen weet heeft van ‘de wanhoop van de huid’ – om met Annie Duchesne te spreken.

Het grote strijdtoneel van Jeanne d’Arc is ver weg in Annie’s slaapkamertje op het Jeanne d’Arclyceum. Haar ideeën over vrijheid beginnen en eindigen bij haar fantasieën over H., waaraan ze zich, ongezien en onbegrepen, vastklampt. De zomer erop, daar is ze van overtuigd, zal ze hem weer zien in de vakantiekolonie. Ze zal sprankelend en fris zijn, een heel nieuw iemand (dunner, blonder), ze zal zich niet meer wanhopig voor zijn voeten werpen maar hem eerst een poosje op afstand houden, ongenaakbaar zijn. Annie’s droom is in feite de droom opnieuw maagd te worden; de maagd te worden die ze nooit was, haar naïviteit te vervangen door een hogere vorm van zuiverheid.

Twee gebeurtenissen zorgen voor een brute verstoring van haar fantasieën: ze krijgt per brief te horen de zomer daarop niet meer welkom te zijn in de vakantiekolonie, en ze leest De tweede sekse. De afwijzing is een bevestiging van het idee dat ze zich, inderdaad, onwaardig heeft gedragen. De tweede sekse, hoewel ook een aansporing tot een vorm van bevrijding die verder gaat dan een bovariaanse achterkamerstrijd, in wezen ook. ‘Dat ik de sleutels in handen heb gekregen om de schaamte te begrijpen’, schrijft Ernaux, ‘geeft nog niet de macht die uit te wissen.’

Annie ontwikkelt een eetstoornis, waarbij ze periodes van hongeren afwisselt met onbedwingbare eetbuien Ze wordt abrupt niet meer ongesteld. Ernaux presenteert die twee dingen niet per se als oorzaak en gevolg, maar wel als twee kanten van dezelfde medaille: de lichamelijke uitdrukking van een ernstig verlies van eigenwaarde, en de onmogelijkheid om te ontsnappen aan een draconische dichotomie van zuiverheid en bezoedeling – het is uithongeren of overeten, er zit niets tussen. Dat ze niet meer ongesteld wordt, is in haar eigen ogen én die van haar moeder een schandvlek, een teken van schuld, een straf dáár waar ze heeft gezondigd. Ze voelt zich ‘uitgesloten uit de meisjesgemeenschap’, buiten de tijd geplaatst, opgedroogd en half dood.

In Bram Stokers Dracula is vampirisme een metafoor voor seks, en Dworkin ziet daarin een volgende ontwikkeling in de perceptie van maagdelijkheid. Lucy, een van de door Dracula vermoorde en tot vampier gemaakte meisjes, wordt pas een seksueel wezen nadat ze is gedood en zelf verandert in een roofdier.

Niet langer is promiscuïteit genoeg om ontmaagd te worden. Seks, echte seks, zegt Dworkin, gaat nu over gebruiken, gebruikt worden, bloeden, obsessieve, onverzadigbare en wreedaardig onpersoonlijke lust. ‘One is innocent’, schrijft Dworkin, ‘if sex is not murder.’

Annie D: ‘Er is geen plaats voor iets anders dan een brute, simpele – chemisch zuivere – drift, even uitzinnig als verkrachtingsdrift – de drift om door hem, H., te worden ontmaagd en bezeten.’

Het ‘gat waar geen woorden voor zijn’ is de kloof tussen wat Annie D. toen, in 1958, is overkomen, en alle werkelijkheidslagen die daar, als een palimpsest, overheen zijn geschoven. Niets is helemaal aan het zicht onttrokken, alles is er op een bepaalde manier gelijktijdig, er is niet één inzicht dat het wint van de rest. En toch heeft ze een overkant bereikt, vanwaar ze kan zien dat ze alles niet voor niets heeft meegemaakt.

‘Hoe zijn we aanwezig in het bestaan van anderen, in hun geheugen, hun manieren van leven, hun daden zelfs?’ schrijft Ernaux. ‘Ongelofelijke wanverhouding tussen de invloed op mijn leven van twee nachten met die man en mijn nietige aanwezigheid in het zijne. Ik benijd hem niet, schrijven doe ík.’