De maakvreugde van de vertaler

Het oeuvre van Bernlef bestaat niet in de laatste plaats uit zijn vertalingen. De subtiele ontregelingen op het ritme van de ademhaling.

HOE ZICHTBAAR IS een vertaler? Gedicht en omgedicht heet een in 1963 door Bert Decorte samengestelde bloemlezing van door Vlamingen vertaalde wereldpoezie, onlangs nog door Paul Claes en Frans Denissen aangevuld voor de jaren 1960-1990. Hierin staan nu eens de vertalers en hun teksten centraal. Zij bepalen de ordening; auteurs als Milton en Mallarme worden in kleine lettertjes onderaan bijna terloops vermeld. Misschien een misleidende manier om de vertaler zichtbaar te maken, maar uit deze houding spreekt toch ook een verlichte opvatting: een vertaalde tekst is immers het origineel niet meer, de cooperatie tussen de oude en nieuwe auteur levert andere woorden en betekenissen op. In ons land wijst bijvoorbeeld Dolf Verspoor hierop door bundels van Folgore en Quevedo onder zijn eigen naam te publiceren, maar over het algemeen wordt te onzent alleen in het geval van schrijvers bedacht dat zij waarde kunnen toevoegen aan het origineel. Blijkbaar staan we er dan meer voor open of menen we vermeende vrijheden oogluikend te kunnen toestaan. Tegelijkertijd blijken de schrijver-vertalers opeens ook geen echte vertalers meer te zijn en maken hun vertalingen eigenlijk deel uit van het oorspronkelijke werk, waarmee in feite een nieuwe onzichtbaarheid het licht ziet. Het is bij schrijvers zaak de spanningen tussen hun originele werk en hun vertalingen niet te miskennen, ook niet door ze te herleiden tot een streven: het schrijven van een eigen oeuvre.
J. Bernlef is behalve schrijver een belangrijk essayist en vertaler en in zijn geval is de verwevenheid van deze drie rollen evident. Bernlef staat model voor de hedendaagse Nederlandstalige schrijver wiens werk niet los gezien kan worden van de internationale context. Bernlefs werk moet kortom comparatistisch worden beschouwd, vervlochten als het is met de schrijvers die hij las, becommentarieerde en vertaalde. Daar valt direct aan toe te voegen dat deze inlijving de buitenlandse auteurs ten goede komt: al sprekende in de woorden van Bernlef worden ze opgenomen in het Nederlandse cultuureigen.
Het werk van Bernlef is verbazend veelvormig, zelfs als je het beperkt tot de poezie. Waarschijnlijk komt dat omdat hij zijn concepten telkens opbreekt, of beter openbreekt: door te vertalen, door te lezen, door te selecteren uit telkens gewijzigde werkelijkheden. Reflectie is van meet af aan aanwezig, in verschillende poeziekritieken in De Gids in de jaren zestig, gebundeld in bijvoorbeeld Wie a zegt (1970), met dat prachtige stuk over Roussel en een rake situering van William Carlos Williams. Een stuk over Buddingh’ en Van Geel daarin heet ‘Denkbeeldige tuinen met echte padden erin’ naar een vertaalde regel van Marianne Moore uit het gedicht waarmee zij de poezie als het ware afvalt: 'Ook ik houd er niet van: er zijn belangrijker dingen.’ Bernlef leest die ene, vaak door hem aangehaalde regel programmatisch. Essay, poezie en vertaling vormen bij Bernlef een geheel. Wie hem leest, zal niet kunnen ontsnappen aan de impuls van anderstalige literatuur. Die wordt vertaald, letterlijk of figuurlijk. Zijn toon doet zich in de vertaling gelden, zijn poezie is er sterk. Het is in die zin consequent dat Bernlef het geld van de P.-C. Hooft-prijs wil besteden aan een bundeling van zijn vertalingen. Die bundel had ik hier graag alvast besproken.
Bernlef is goed te plaatsen aan de hand van zijn vertalingen, vooral die uit het Zweeds (Dagerman, Sundman, Enquist, Gustafsson, Transtromer - schrijvers die hij werkelijk voor ons taalgebied heeft ontsloten) en uit het Engels (Moore, Bishop, Auden, Williams, Lear), soms die uit het Frans (Jarry, Ponge, Radiguet, Satie, Cendrars) en uit het Duits (Arp, Bichsel, Huchel, Schwitters). In boeken en tijdschriften als Barbarber en Raster vertaalde Bernlef de zogeheten 'programmatisch-vriendelijken’, dichters met een verwante blik. Van Auden, die als dichter voor Bernlef niet onmiddellijk voor de hand ligt, heeft hij 'Muse des Beaux Arts’ vertaald, omdat in dat gedicht - naar het Brueghel-schilderij waarop Icarus aan ieders oog onttrokken in het water tuimelt - iets van een blijkbaar beoogd 'onzelfzuchtig standpunt’ duidelijk wordt: de 'ondergeschikte plaats’ van een gedicht te midden van het wereldse leed moet eruit spreken. De grote Zweden Gustafsson en Transtromer kun je alleen maar feliciteren met de Bernlef-toon die door hun gedicht is heengeregen.
IK WIL TWEE bloemlezingen noemen die Bernlefs houding tegenover poezie en vertaling weerspiegelen: Marianne Moore, Een veldmuis in Versailles (Querido, 1968) en het roemruchte (ook bij kinderen geliefde) Barbarberalfabet (Querido, 1990), allebei een uitvloeisel van het tijdschrift Barbarber (1958- 1972). Barbarber is in al zijn speelsheid een verbazend serieus conglomeraat van vertalingen en originelen in het Nederlands en het buitenlands, waar ook nog eens de vreemde talen van de beeldende kunst, de film en het alledaagse leven doorheen zijn gespoeld. Het doel is de verschillen tussen de werkelijkheden en de kunstvormen weg te halen en alles te scharen onder een gemeenschappelijke noemer: 'alles behalve geijkt materiaal voor een alerter en geestiger leven’. Dat doel wordt onder meer nagestreefd door het vreemde te integreren en in de nieuwe constellatie vreemd te laten zijn. Elke aflevering definieert zo in een moeite door het principe van het vertalen. 'Elke aflevering is een compositie van toevalligheden, een geheel van gemengde berichten, die vaak op zich gek zijn, maar bovendien elkaar nog steken ook. De medewerkers zijn beurtelings vinders en makers’, zegt Kees Fens hierover.
Zonder de rol van K. Schippers en ook G. Brands tekort te willen doen, denk ik dat Bernlef zich gretig overgaf aan dat creatieve steken. De Barbarber-vertaler doet iets vergelijkbaars als toen rabarber zich radbraakte tot Barbarber: de aandacht verleggen, herschikken van aangetroffen taal en werkelijkheid, Satie in alle eigenaardigheid laten schitteren in een Nederlandse kaft. Ook in de Moore- bundel vind je dat vitale spel van de samenstelling van teksten, op z'n Barbarbers doorspekt met Engels en reflectie, een amalgaam van poezie, biografisch en poeticaal materiaal, vol maakvreugde en taallust, hier en daar af gesoberd door een vernuchterende toon, haaks op de hermetische traditie maar nergens wars van de spiritualiteit ervan. Bernlef op z'n best. Dat racepaard 'Tom Fool’ draaft er in het Nederlands even sprankelend rond als Marianne Moore’s 'Leidekker’ zijn torenspits bekroont met een puntige piek.
IN DE NAWOORDEN bij de verzamelbundels van Lars Gustafsson (De stilte van de wereld voor Bach, 1988) en Tomas Transtromer (Het wilde plein, 1993) spreekt Bernlef over de 'jongensachtige verwondering’ en over de 'schok der herkenning’ en 'momenten van een verhoogd, verscherpt bewustzijn’. Hij vertelt van een kristalontvanger van een vriendje en wijst in het algemeen op de verbazing over 'werelden die wel bestonden maar niet waargenomen konden worden’, een zelfde verbazing die ontspruit aan dat bijzondere huwelijk van tegenstrijdige beelden in Transtromers gedichten.
Voor die 'middelpuntvliedende’ poezie vindt Bernlef regels die zitten. Het vertaalde is ver te zoeken, het onvertaalbare lijkt pontificaal bezworen. Je kunt je bij de regels 'Gedoogt deze machine dat je ziet?/ Haar constructie staat niet toe dat je ziet’ geen Zweeds voorstellen. De taal verandert de waarneming, en via de andere waarneming verandert de werkelijkheid. 'Voor degeen die tegen de onderkant/ van ’t ijs aankijkt is ijs iets wits’, zegt Bernlef en hij spreekt zich met Gustafsson beeldend uit over vertalen: het verdwijnen van de fuut is zijn vanzelfsprekende kunstvorm, en zo gauw een geringe gewoonte zich verlegt en een woord van betekenis verandert, is er een kleine kans 'dat iemand weer daglicht ziet’.
Het is verleidelijk om het andere perspectief van Gustafsson te confronteren met Bernlefs uitspraak uit 1967 dat poezie 'een kwestie van observeren’ is, of om het 'nooit lyrisch zangerige’ van Transtromer te laten overgaan in het directe, onbevangen spreken dat hij bij sommige Amerikanen signaleert, of om het observatievermogen van Moore en de scherpe beelden van de twee grote Zweden als echte padden neer te zetten in Bernlefs eigen denkbeeldige tuinen. De wisselwerking is zeer sterk (Robert Anker zegt van Bernlef dat hij als type nogal lijkt op Transtromer, die door Guus Middag ook 'de Zweedse Bernlef’ wordt genoemd). Maar de prioriteit voor de lopende zin en de rake toon, waar nodig een scheut understatement, de vrije omgang met metra en vormen ten behoeve van een lopend ritme, de natuurlijkheid van de spreektaal, de praattoon, de kracht van verstopt rijm: al wat Bernlefs eigen poezie kenschetst, doordrenkt ook zijn vertalingen, zo het niet al is opgeborreld uit de geselecteerde originelen. Affiniteit is blijkbaar voorwaarde en effect tegelijk. 'Bij gedichten zijn het vooral die verzen die dicht bij de spreektaal blijven, maar daar net significant van afwijken’, zegt Bernlef in 1991 als hij zijn 'ontroeringen’ opsomt. Hij zoekt 'subtiele ontregelingen’ en in het vertalen vindt zulks blijkbaar plaats. Zo kan in Marianne Moore’s 'De leidekker’ rustig worden gesproken van 'pauwblauw en parelgrijs’, wat goed in de zin ligt, terwijl er toch 'guinea grey’ staat; en ook de 'wervelende pijper-en-trom’ maakt de doodgewone fanfare (de 'fife-and-drum’) ongewoner en feestelijker.
Bernlefs formuleringen getuigen van de liefde voor het spel en het maken, zoeken niet de kille diagnose en zijn niet academisch gericht. Sfeer wordt aangebracht, zoals de essays en nawoorden dat doen: bondig en recht op het doel af. Veel Charles Olson, zou je zeggen: dichten en vertalen op het ritme van de ademhaling, 'straight from the horse’s mouth’, en die adem wordt dan zichtbaar tegen Noordeuropese luchten. De 'tragedie’ die Bernlef in 1991 (in een samen met Peter Nijmeijer samengestelde bundel van moderne Amerikaanse dichters) ziet in de tweedeling tussen 'academici’ en Pound-achtigen enerzijds en de directe, onbevangen dichters anderzijds, wordt door hemzelf bezworen: in de eigen poezie en in zijn vertalingen waar de verschillende tradities een volstrekt nieuwe verbintenis aangaan.