De maan en Wallace Stevens

Woensdag was de maan vol. Ik woon op een terp bij de Waddenzee in een dorp zo klein dat je er al uit rijdt voor je in de gaten hebt dat je het bent binnengereden, en mijn geliefde en ik hebben de gewoonte een rondje om het dorp te lopen na het nieuws van acht uur. Mijn hoofd was nog volop bezig met het hedendaagse gebruik van het woord ‘ruimhartig’, dat me nog merkwaardiger voorkomt dan het probleemloos gebruik van het woord ‘pardon’.

We komen aan bij de weilanden achter het schooltje dat volgend jaar wordt opgeheven, en daar, in het onmetelijke landschap, zien we de maan. Een immense ballon, vlak boven het volgende dorp, het licht over de weilanden, ver weg de silhouetten van een paar boerderijen. Aan de andere kant, boven het wad, hangt het zonlicht nog in de lucht: roze, oranje, paars onder een paar wolkenslierten. Het is nog licht, maar het is ook al donker. Het is een tussenstadium, maar het is niet snel voorbij. We staan als betoverd om ons heen te kijken, met het gevoel dat we voor de zoveelste keer iets voor het eerst meemaken.

Een volle maan maakt in mij talloze herinneringen wakker, anders dan een halve maan of een sikkel. Ik zie meteen in gedachten de nachtlandschappen van Aert van der Neer, ik hoor It’s Only a Paper Moon en dan Blue Moon. Ik denk aan het verhaal Maanziek in de film Kaos van de gebroeders Taviani. En nu dacht ik terug aan een van de kimono’s in het Rijksmuseum. Een zwarte kimono waarop in de binnenvoering een soort striptekening is aangebracht: een man loopt fluit spelend in de avondwind, voor een gigantische volle maan zie je het silhouet van iemand die de man bespiedt.

We weten veel van de maan, en toch bewaart hij zijn oude geheimzinnigheid. Ik dook weer eens in de poëzie van Wallace Stevens. Ik denk dat er geen dichter is die zo vaak de maan in zijn werk noemt als hij. In zeker zeventig gedichten komen de maan en het maanlicht voor. Stevens zag zichzelf en zijn jonge Cubaanse penvriend José Rodríguez Feo als ‘secretarissen van de maan’. Een van zijn laatste gedichten heet Note on Moonlight.

Ik bleef hangen bij een beroemde regel in zijn gedicht The Motive for Metaphor: ‘The obscure moon lighting an obscure world’. Een duistere maan die een duistere wereld verlicht. Het gedicht bestaat uit drie zinnen. De eerste twee zinnen zijn kort, de derde is heel lang: een typische Stevens-zin die uitdijt door een opeenvolging van preciseringen. In mijn voorlopige vertaling (ik hou me aanbevolen voor verbeteringen) is dit het gedicht:

Het motief voor de metafoor

Je vindt het prettig onder de bomen in de herfst,
Want alles is halfdood.
De wind gaat als een kreupele door de bladeren
En herhaalt woorden die niets betekenen.

Op dezelfde manier was je gelukkig in het voorjaar,
Met de halve kleuren van kwartdingen,
De iets helderder hemel, de oplossende wolken,
De enkele vogel, de duistere maan –

De duistere maan die een duistere wereld verlichtte
Van dingen die nooit helemaal onder woorden werden gebracht,
Waar jijzelf nooit helemaal jezelf was
En dat wilde noch hoefde te zijn,

Met een verlangen naar de vreugde van veranderingen:
Het motief voor de metafoor, het terugdeinzen voor
Het gewicht van de eerstegraadsmiddag,
Het abc van het zijn,

De rossige hardheid, de hamer
Van rood en blauw, de harde slag –
Staal tegen hint – de scherpe flits,
De vitale, arrogante, fatale, dominante X.

De schrijver voelt zich zowel in het najaar als in voorjaar prettig. In het najaar omdat de dingen bijna voorbij zijn, in het voorjaar omdat er verandering in de lucht hangt. In beide gevallen gaat het om het tussenstadium, het moment van de veranderingen. De obscure maan: donker, somber, raadselachtig, duister in vergelijking met de zon. En toch met een helder licht over de donkere, sombere, raadselachtige wereld. Ook het gedicht is raadselachtig. En het raadsel neemt toe, iedere keer dat je het leest. Daarom houdt het talloze liefhebbers van Stevens onophoudelijk bezig. De volgende volle maan zien we vrijdag 13 juni.