Sociale politiek in Nederland

De maatschappij die ziek was

Bert Wartena

H. Goeman Borgesius (1847-1917): Vader van de verzorgingsstaat: Een halve eeuw liberale en sociale politiek in Nederland

Aksant, 400 blz., € 25,-

Dirk Jan Wolfram

Vrij van wat neerdrukt en beklemt: Staat, gemeenschap, sociale politiek, 1870-1918

Wereldbibliotheek, 206 blz., € 24,90

Bij zijn leven was Hendrik Goeman Borgesius (1847-1917) geen bijzonder tot de verbeelding sprekende figuur. In een tijd waarin politici het voor een groot deel van hun oratorisch vermogen moesten hebben, werkte er veel in zijn nadeel. Hij sprak met een sterk Gronings accent, had een onaangenaam stemgeluid, maakte zijn zinnen dikwijls niet af en had de hinderlijke gewoonte de beginletters of –lettergrepen van twee woorden te verwisselen, zodat hij het kamerlid Snoeck Henckemans Henk Snoekemans noemde en plei dooien hield voor «kouwenvriesrecht».

Miste hij al duidelijk de gave van het woord die zo kenmerkend was voor sommige leiders van andere politieke stromingen, ook hanteerde hij een andere politieke stijl. Hij trad niet op als een profeet, laat staan als de Verlosser, en moest niets hebben van utopische visioenen. Goeman Borgesius was een nuchter politicus, die pleitte voor concrete maatregelen. Hij was echter geen cynische Realpolitiker die de status-quo wilde bestendigen, maar de hervormingen die hij voorstond moesten wel haalbaar zijn en geleidelijk worden ingevoerd.

Als zoon van een arts behoorde hij tot de hogere middenklasse en kon hij na de Latijnse School gaan studeren. Na een jaar theologie stapte hij over op de rechtenstudie. Hij bleef zijn leven lang vrijzinnig protestant maar was evenals andere liberalen fel gekant tegen klerikale politiek. Na enkele jaren leraar te zijn geweest — waarbij hij in 1870 de zomervakantie gebruikte om als oorlogscorrespondent de Frans-Duitse oorlog te verslaan — werd hij al spoedig hoofdredacteur van de liberale Haagse krant Het Vaderland. In 1877 werd hij voor het district Winschoten in de Tweede Kamer gekozen, waar hij tot aan zijn dood in 1917 lid van zou blijven. Naast het kamerwerk en het directeurschap van twee levensverzekeringsmaatschappijen timmerde hij aan de weg als econoom, drankbestrijder en vredesactivist.

Al vroeg hield Goeman Borgesius zich intensief bezig met de «sociale quaestie». Te recht wijst zijn biograaf Wartena erop dat die sociale quaestie niet hetzelfde was als de daadwerkelijke sociale situatie — waarin arbeiders en werklozen volstrekt rechteloos waren en schaamteloos werden uitgebuit — maar dat het ging om de wijze waarop de middenklasse tegen de situatie van de arbeidersklasse aankeek. Goeman Borgesius en andere sociaal-liberalen riepen de arbeiders niet op om hun eigen situatie te verbeteren, maar wilden dat de middenklasse de voorwaarden zou scheppen waardoor de arbeiders zich konden ontwikkelen en het leven van brave en oppassende burgers konden gaan leiden. Als kamerlid was Goeman Borgesius nauw betrokken bij de totstandkoming van de Drankwet van 1881, nam in 1886 het initiatief tot de parlementaire enquête naar de arbeidsomstandigheden in fabrieken en werkplaatsen, en speelde een rol bij de Arbeidswet van 1889 en de invoering van een inkomstenbelasting in 1893. De kroon op zijn werk zette hij toen hij minister van Binnenlandse Zaken was in het kabinet-Pierson-Goeman Borgesius, dat in 1901 de Leerplichtwet, de Woningwet, de Gezondheidswet en de Ongevallenwet invoerde.

Een politicus van deze statuur verdient uiteraard een biografie, en Bert Wartena komt lof toe omdat hij Goeman Borgesius aan de vergetelheid heeft onttrokken. Daarom is het hem vergeven dat zijn boek een wat schoolse indruk wekt, en dat er soms malligheden in voorkomen, zoals het in euro’s omrekenen van een arbeidersbudget uit 1872, of het opvoeren van Franc van der Goes én Ph. Hack van Outheusden in een opsomming van radicale liberale jongeren uit de jaren tachtig. Dat laatste is even merkwaardig als de bewering dat Eduard Douwes Dekker én Multatuli felle critici waren van de Nederlandse koloniale politiek.

Op een ander niveau is echter ook enige kritiek mogelijk. Reeds in de ondertitel kenschetst Wartena zijn held als de «vader van de verzorgingsstaat». Die verzorgingsstaat was uiteraard in strijd met de ideeën van het klassieke liberalisme, dat aan de staat een zo klein mogelijke rol toekende. Sociaal-liberalen als Goeman Borgesius kwamen volgens Wartena echter tot het inzicht dat de staat wel degelijk een taak had in de morele en sociale verheffing van het volk, en dus maatregelen kon nemen die strijdig waren met de volledige economische vrijheid die de orthodoxe liberalen bepleitten. Geleidelijk intervenieerde de staat steeds meer, en ontstond de verzorgingsstaat zoals wij die kennen en die volgens ie mand als Bolkestein moet worden afgeschaft.

In zijn gelijktijdig verschenen boek Vrij van wat neerdrukt en beklemt bestrijdt Dirk Jan Wolfram een dergelijke finalistische geschiedopvatting. In deze klassieke visie op het ontstaan van de verzorgingsstaat, die ook uit Wartena’s boek naar voren komt, is het immers net alsof eind negentiende eeuw een ontwikkeling is ingezet die noodzakelijkerwijs moest uitmonden in het stelsel dat wij nu hebben. Door de hoeveelheid staatsinterventie beetje bij beetje op te voeren is er uiteindelijk onze variant van de verzorgingsstaat uitgerold. Volgens Wolfram is dit een verkeerde voorstelling van zaken. Hij stelt dat de sociale wetgeving die tussen 1870 en 1918 tot stand kwam, en werd afgerond met een verplichte verzekering tegen de financiële gevolgen van ouderdom en invaliditeit, juist niet was gebaseerd op toenemende staatsinterventie, maar uitging van een gelimiteerde rol van de staat en van de dominantie van het particulier ini tiatief, waarbij dat laatste overigens wel door wetgeving in bepaalde banen werd geleid.

Voor veel liberalen was het Nederlandse politieke systeem na Thorbeckes grondwetsherziening van 1848, en de eind jaren zestig voltooide implementatie daarvan, wel zo’n beetje af. In de literatuur wordt er altijd de nadruk op gelegd dat vanaf de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw een nieuwe generatie liberalen opstond die een veel actievere rol van de staat in het economische en sociale leven bepleitte. De overheid zou tot taak hebben de zwakkeren te beschermen en diende hiertoe in te grijpen in het domein waar zij volgens de oude liberalen niets te zoeken had. Volgens Wolfram moet het verschil tussen de orthodoxe liberalen en de sociaal-liberalen niet worden overdreven. Beide groepen hielden er, net als overigens de confessionelen, namelijk een organische maatschappijbeschouwing op na, waarin de maatschappij niet bestaat uit een verzameling individuen die slechts bijeen wordt gehouden door de staat, maar hebben de verschillende onderdelen van de maatschappij een eigen identiteit, ontwikkelen zich volgens eigen wetmatig heden, en zijn van elkaar afhankelijk.

Door de sterk etatistische neigingen van koning Willem I hadden de liberalen een diepgeworteld wantrouwen tegen de staat ontwikkeld, en wilden zij haar macht zoveel mogelijk beperken. Het vrijheidsideaal van de sociaal-liberalen week niet af van dat van de oudere liberalen. Zij waren van mening dat de maatschappij behoorlijk ziek was. Bepaalde onderdelen ervan waren allesbehalve gezond en verzwakten daardoor het geheel ernstig. Daar draaide het bij de sociale quastie dus om. De remedie tegen dit ziekteverschijnsel bestond uit het propageren en stimuleren van waarden als zelftucht, plicht, orde, gemeenschapsbesef, opoffering en toewijding.

Middelen om dit te bereiken waren volksopvoeding (goed onderwijs, voorlichting, culturele verheffing) en sociale wetgeving. Bij het tot stand komen van die sociale wetgeving was de staat weliswaar normerend en richtinggevend, de verantwoordelijkheid voor inhoud en uitvoering van de regelingen lag bij de gemeenschap en het individu.

De staat bleef tot na de Tweede Wereldoorlog sterk op de achtergrond, zodat het volgens Wolfram onjuist is sociaal-liberalen als Goeman Borgesius te beschouwen als grondleggers van de verzorgingsstaat. Voorzover er een directe ontwikkeling is naar meer overheidsinterventie liep die via de gemeenten, die vooral na de invoering van de Woningwet steeds meer ruimte voor eigen beleid kregen. Maar het is natuurlijk de vraag in hoeverre die gemeenten een eigen koers konden volgen, en of de sociale politiek van gemeentelijke overheden niet toch, via een omweg, gezien kan worden als het resultaat van meer staatsinterventie. Hier geeft Wolfram geen antwoord op, maar hij kondigt wel aan dat dit onderwerp centraal staat in zijn volgende boek.