Film als reflectie van de tijdgeest in de Koude Oorlog

De macho en zijn bom

De dreiging van conflict en de erotiserende kracht van technologie vormen tegenpolen in het beeld van mannelijkheid dat ontstaat in de cinema van de Koude Oorlog. Dat lijkt terug te keren in de huidige tijd.

GRAUWE, VERSTEDELIJKTE LANDSCHAPPEN en expressionistische beelden symboliseren in Koude-Oorlogfilms het gefragmenteerde innerlijke leven van de personages en een steeds pessimistischer wereldbeeld van de makers. Maar niet in Jet Pilot (1957), waarin luitenant Olga Orlief (Janet Leigh) in glorieuze Technicolor naar de vijand overloopt, beter gezegd overvliegt in haar zilverkleurige straaljager, om vervolgens op het ritme van een verleidelijk grommende motor haar topje uit te doen en haar imposante boezem te tonen – een vernietigende first strike – waardoor kolonel Jim Shannon (John Wayne) sprakeloos staat en de strijd vanaf dat moment bloedheet is, en niet koud.
De subtekst in Josef von Sternbergs film over de relatie tussen een Amerikaanse luchtmachtkolonel en een vrouwelijke Russische straaljagerpiloot is na meer dan een halve eeuw nog altijd effectief. Sterker, het is moeilijk een moderne film te bedenken waarin de relatie tussen technologie, ideologie en erotiek een effectiever symbool van de verleiding van oorlog vormt, koud of warm, met Tony Scotts homo-erotische Tom Cruise-film Top Gun (1986) als enig mogelijk alternatief.
Lijnrecht tegenover kleurrijke, melodramatische propagandawerken als deze – wat niet wil zeggen dat ze slecht zijn – staan psychologische Koude-Oorlogfilms met eindeloze, grijze, beelden, vooral Carol Reeds schaduwrijke Graham Greene-films The Third Man (1949) en Our Man in Havana (1959) en Martin Ritts The Spy Who Came in from the Cold (1965), naar de gelijknamige roman waarmee John Le Carré wereldwijd doorbrak. Hierin krijgt een pessimistisch beeld gestalte van een verloren man, een cynische ellendeling die in niets gelooft, niet in zichzelf en zeker niet in de ideologie die hem heeft gevormd.
In beide stromingen in de cinema van de Koude Oorlog ontstaat evenwel een identiek tafereel van mannelijkheid in crisis. Aan de ene kant is daar de man die zorg draagt voor de veiligheid van zijn gezin als extrapolatie van zijn land, en aan de andere kant is het de man die door alles heen kijkt en de echte horror ziet, namelijk dat het allemaal een wreed spel is zonder plaats voor moraliteit of filosofie (Le Carré). De man als macho, verleid door de erotiserende kracht van technologie, de man als intellectueel, geconfronteerd met de sfeer van constante dreiging – dat is het ogenschijnlijk paradoxale beeld van de held in Koude-Oorlogfilms.
Greene, Le Carré en vooral ook Len Deighton, schrijver van de Harry Palmer-boeken uit de jaren zestig, zijn de belangrijkste vormgevers van de Koude Oorlog als locatie voor een analyse van de gefragmenteerde mannelijke psyche. Vooral Palmer is interessant. Hij lijkt zich nog het best te redden in de onvergeeflijke wereld. ‘You are the one best protected against cold’, zegt Dawlish, baas van Palmer in Billion Dollar Brain (1966). Dat geldt niet voor Alec Leamas (Richard Burton), in The Spy. Wanneer zijn baas hem vraag of het tijd is ‘uit de kou naar binnen te komen’, zegt hij: ‘I’m an operatar, just an operator.’ Een gewone man, dus, in een wereld vol lelijkheid, belichaamd door Burton in misschien wel zijn beste rol. Zijn Leamas is een denker, en dat betekent zijn ondergang. Burton spuugt de woorden uit: ‘What do you think spies are? Moral philosophers? They’re just a bunch of seedy, squalid bastards like me.’

DE HELDEN en antihelden van de jaren vijftig en zestig lijken twintig jaar na de val van de Muur een comeback te maken. Toen president George W. Bush een paar jaar geleden bijvoorbeeld op het dek van een Amerikaans oorlogsschip verscheen, compleet met bomberjack, belichaamde hij het verlangen naar de sterke jaren-vijftigman. Ook de televisieserie Mad Men bevat een herverbeelding van de waarden van mannelijkheid in de Koude Oorlog, niet zozeer het hoofdpersonage, Don Draper, als wel zijn baas, Roger Sterling, een Tweede-Wereldoorlogveteraan en pater familias. Draper, die liegt over zijn eigen oorlogsverleden, is een slap aftreksel van Roger, en in dit licht is het frappant dat juist Draper zo diep geworteld is in de huidige tijd. De website askmen.com verkoos hem bijvoorbeeld tot ‘meest invloedrijke man ter wereld’. Motivering: ‘Mannen smachten weer naar de traditionele rollenpatronen: vader, arbeider, kostwinner en baas op het kantoor.’ Maar Draper is een slechte vader en een belabberde, overspelige echtgenoot, een toonbeeld van mannelijkheid in crisis.
Wie Draper en Bush dolgraag zouden willen zijn, en wie Roger Sterling ís ondanks zijn slippertjes, is James Stewart in Anthony Manns Strategic Air Command (1955). Stewart is de ideale Koude-Oorlogman, een man, een macho, die zijn vinger op het knopje van de bom heeft. Dat is nodig. Een publiciteitsslogan van de film luidde: ‘Hoewel het technisch gesproken vredestijd is, voelt iedereen toch de angst voor een verrassingsaanval van buitenaf, en hier is nu net de film om ons vertrouwen in onze beschermende toestellen te versterken en sommige van onze ongemakkelijke gevoelens weg te nemen.’ Een wrange constatering, vooral met 11 september in het achterhoofd. Want juist die ‘beschermende toestellen’ schitterden door afwezigheid toen de terroristen op die dag de lucht in gingen, hun ‘verrassingsaanval’ tot in de puntjes uitgewerkt.
Misschien gaat het niet altijd om daden, om de praktijk, maar eerder om het beeld van die daden, het beeld van die praktijk. Om propaganda dus, die kijkers naar dat beeld een veilig gevoel geeft. Daarom verscheen George Bush als gevechtspiloot op het vliegdekschip. Het was niet echt; het was een beeld van iets wat echt was, en is: de gevechtspiloot.
In Strategic Air Command creëert James Stewart een soortgelijk beeld. Hij speelt de rol van een honkbalspeler die na zijn dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog opnieuw wordt opgeroepen om zijn land te dienen, ditmaal als piloot in SAC, of ‘Strategic Air Command’, een onderdeel van het Amerikaanse leger dat tot 1992 echt bestond en dat de operationele leiding had over de strategische-bommenwerpersvloot. SAC was verantwoordelijk voor de Amerikaanse luchtverdediging. Mann begint zijn film met tekst die de tijdgeest van toen weerspiegelt: ‘America today is watching the skies with grave concern…’
Wanneer Stewart opnieuw in dienst moet, is zijn jonge vrouw (June Allyson) in tranen. Stewart legt uit dat er wel degelijk een ‘soort van oorlog’ gaande is, waarbij het zaak is slagvaardig te blijven ‘zonder echt te vechten’. Dat zet de toon voor de rest van de film, waarin er geen actie is, want geen vijand, en Stewart en zijn bemanning in de bommenwerper allerlei zogenaamd ‘hachelijke’ avonturen beleven, zoals een noodlanding in de sneeuw. Omdat er geen zichtbare vijand is, blijven de mannen eindeloos in de weer met het testen van hun apparatuur en bewonderen ze steeds nieuwere, betere technologie.
Strategic Air Command is een belangrijke film in het scheppen van het beeld van de flyboy als ideale mannelijke icoon tijdens de Koude Oorlog. De basis hiervoor werd nog verder terug in de tijd gelegd, in grimmiger omstandigheden, zoals blijkt uit het volgende citaat: ‘De ultieme jaren-vijftigman werd de bommenwerperpiloot, een geraffineerde, hoogst opgeleide technicus die honderden mensen anoniem kon vermoorden zonder hen te haten of wat voor gevoel dan ook te hebben behalve het plezier in de wetenschap dat de missie geslaagd was.’ Dat schrijven Douglas T. Miller en Marion Nowak in The Fifties: The Way We Really Were, geciteerd in Apocalypse Movies (Kim Newman, 1999). Miller en Nowak leggen de realiteit bloot, maar in de Koude-Oorlogcinema van toen ging het voornamelijk om de droom, om propaganda.

DAT IS PRECIES wat ook Josef von Sternberg deed: propaganda maken. Zijn Jet Pilot is anticommunistisch tot op het bot. Hierin werd hij bijgestaan door twee andere, Amerikaanse iconen: producent en luchtvaartfanaticus Howard Hughes en vechtpiloot Chuck Yeager, die de vliegscènes in Jet Pilot voor zijn rekening nam en die vooral bekend werd als de eerste man die sneller dan het geluid kon vliegen en die later figureerde in Tom Wolfe’s boek The Right Stuff en Philips Kaufmans verfilming ervan. Yeager was – in het echt – een held. John Wayne, als Jim Shannon in Jet Pilot, speelde een held. Shannon, een gevechtspiloot tijdens de oorlog in Duitsland, haat inmiddels de Russen. Maar dan wordt hij verliefd op Olga Orlief (Janet Leigh), een beeldschone Russin die haar land in een straaljager verlaat en door Wayne in de lucht wordt onderschept. Op de grond verleidt zij hem, onder meer met die beroemde verkleedpartij (over haar beha werd ooit geschreven dat die wel in beton gegoten leek). Op het moment dat Leigh haar beha uit wil doen, kijkt Wayne lachend naar haar, en zegt zoals alleen John Wayne dat kan: ‘Nou, misschien proberen de Russen wel echt vrienden te maken.’ Hij heeft slechts ten dele gelijk: Olga blijkt een spion. Wayne ziet z’n kans, treedt met haar in het huwelijk en loopt zelf over naar de Russen, ogenschijnlijk. In werkelijkheid wordt hij een spion. De film eindigt met Olga en Jim terug in Amerika, nog altijd verliefd.
Jet Pilot wordt zelden goed besproken. Toch is het werk rijp voor herwaardering, juist door de wijze waarop het een reflectie van het culturele klimaat in de vroege jaren van de Koude Oorlog biedt. Zo vormt het communistische gedachtegoed de spil van de aantrekkingskracht tussen de symbolen van Oost (Olga) en West (Jim). De ideologische strijd voltrekt zich tussen deze twee personages terwijl ze verliefd worden. Wanneer ze elkaar voor het eerst kussen, benadrukt Wayne speels het belang van ‘massaproductie’, waarna hij grinnikend dichterbij komt voor nog een kus. Leigh, verleidelijk: ‘Nou, dat is puur kapitalisme; geen wonder dat alle echte Russen dat instinctmatig verwerpen!’
Jet Pilot was een voorloper van de James Bond-films van de jaren zestig, waarin seks en exotische locaties de Koude Oorlog aangenaam zouden maken, waarin een cynische Alec Leamas naar de achtergrond verdween en de man zijn identiteitscrisis eindelijk van zich af zou schudden, om zich te volledig te wentelen in technologie en mooie vrouwen. Missie geslaagd.