Mischa de Vreede

De macht en de magie van de ik-persoon

Mischa de Vreede
Heilige dagen
Ad. Donker, 176 blz., € 16,90

Het is een gedurfde onderneming: schrijven over schrijven, een ik-persoon die het over zichzelf heeft en de wording van een verhaal als het verhaal. Alles valt samen, verwijst naar zichzelf. Deze vorm brengt een risico met zich mee: de kans bestaat dat de lezer op zichzelf wordt teruggeworpen en verward op zoek gaat naar het verhaal. Maar Mischa de Vreede vertelt in Heilige dagen (‘een persoonlijk verhaal’) wel degelijk een verhaal. Al moet je je als lezer wel in dit verhaal kunnen vinden. Want ook al heeft De Vreede gezien haar imposante oeuvre – dat romans, verhalen, poëzie en oral history omvat – het benodigde schrijversgereedschap in huis, de aantrekkingskracht van haar verhaal is voor een groot deel gelegen in de mate waarin ik me als lezer kan identificeren met haar leven en gedachten. Dat heeft, deels, te maken met de persoon die ze hier in herinnering roept: een jonge vrouw met schrijfambities en die van de liefde hield bovendien. Deze eenvoudige overeenkomsten tussen lezer en schrijver overbruggen het verschil – neem alleen al het leeftijdsverschil van ruim veertig jaar en de daarmee gepaard gaande verschillen in context, niet in de laatste plaats het kampverleden van de schrijfster. Ondanks die verschillen ben ik benieuwd naar de vrouw die het heeft meegemaakt: heeft geschreven, heeft liefgehad, gebaard, gerouwd. Omdat mij nog zo veel te wachten en even zoveel te verliezen staat.

Wat het verhaal betreft: de schrijfster vat het plan op om samen met een vriendin een reisje naar Italië, Lucca, te maken. Deze plaats speelt een centrale rol in een van haar favoriete romans, Sparkenbroke van Charles Morgan. De Engelse dichter Piers Sparkenbroke is getrouwd maar wordt verliefd op de jonge Mary. Praktische bezwaren staan hun liefde in de weg. Sparkenbroke reist af naar Lucca, waar Mary hem later per toeval treft. Hij is net bezig met een gedicht over het Volte Santo, het Heilig Aangezicht, waarbij hij zich baseert op de legende van Nicodemus die van een engel de opdracht krijgt een beeltenis van Jezus te maken. Bij het gezicht aangekomen stokt hij. Net als Sparkenbroke bij het schrijven van het gedicht. Mary blijkt zijn muze. Even lijken de twee een kans te krijgen, maar middels een paar ingrijpende wendingen draait de schrijver de ontkiemende liefde de nek om.

De schrijfster wil de plekken die in de roman Sparkenbroke worden beschreven bezoeken, het hoogtepunt is het Volte Santo. Ze gaat samen met haar goede vriendin Irene, met wie ze vroeger een reis naar Toscane had moeten laten schieten omdat haar moeder het verbood. Irene mocht wel; haar zorgeloze jeugd is het negatief van dat van de schrijfster die in een jappenkamp zat en opgroeide in een domineesgezin.

Heilige dagen is een verslag van de voorbereidingen van de reis en het verblijf in Italië. Daar doorheen zijn herinneringen vervlochten, aan een Grootste Liefde en een Geheime Minnaar. Er zijn kinderen, er waren huwelijken. Er was veel en nu resten een warme vriendschap, (klein)kinderen, boeken en een reservoir aan herinneringen. En de schrijfster zelf, rijk aan inzichten, is nog steeds, als altijd: ‘nooit zo volkomen als ik alleen ben’. Omdat een ieder uiteindelijk, volgens de schrijfster, wordt wie hij altijd is geweest.

Dan zijn er de bespiegelingen over kunst, schrijven, verhalen. De schrijfster leest Charles Morgan die schrijft over Piers Sparkenbroke die schrijft over de legende van Nicodemus en het Volte Santo. De schrijfster kampt met een writer’s block, net als Sparkenbroke en net als Nicodemus die zich er niet toe kon zetten het gezicht van Jezus vorm te geven. Ze laat Irene vast een gedeelte lezen, en grijpt die gelegenheid aan om haar onzekerheden aan de lezer te tonen. Is het geen ‘particuliere prietpraat’, peinst ze. Een ik-persoon die klaagt over haar vergevorderde leeftijd en ondanks haar voorgenomen sereniteit nog steeds belangrijk gevonden wil worden. Dan krijgt ze bericht van een anonieme lezer die haar zijn dank betuigt. Haar schrijven heeft waarde. Ze gaat door. De drijvende kracht van het verhaal is de vraag of het verhaal geschreven gaat worden waarmee De Vreede inzichtelijk maakt hoe een verhaal ontstaat.

Het gaat er bij schrijven om te zien hoe alles met alles verband houdt. Neem de titel die, onder meer, verwijst naar het begrip heiligedagen: plekken die niet goed geschilderd blijken te zijn, op een deur bijvoorbeeld, of op een kast. Ze ziet een overeenkomst met de zogenaamde ghost notes in jazzmuziek – klanken die je niet of nauwelijks hoort maar die onmisbaar zijn. Het onmisbare en de schoonheid van dat wat er niet is.

De optimistische toon dreigt soms wat vermoeiend te worden, maar gelukkig blijkt de schrijfster maar al te menselijk, bijvoorbeeld wanneer Irene onaangekondigd haar minnaar meeneemt naar Italië. De teleurstelling staat haar echter niet in de weg: de schrijfster verzint gewoonweg hoe het zou zijn wanneer ze alleen met haar vriendin zou zijn geweest. Ze boetseert een dialoog en het bestaat. Macht en magie, noemt ze dat. En dat is de meest geruststellende boodschap die weerklinkt in dit associatief opgebouwde zelfportret: dat verbeelding en taal nooit aan kracht inboeten. Zolang je kunt schrijven kun je leven.