Journalistiek onder vuur

De macht van de media

Het gemopper over de media is geen exclusief Nederlandse bezigheid. Dat laat de Britse journalist en schrijver van een kritisch boek over de media John Lloyd zien.

Sinds ik een kleine twee jaar geleden een essay over de media schreef (zie De Groene Amsterdammer 43, 2002), zijn de daarin naar voren gebrachte ideeën onderwerp geworden van een breder debat. Zoals ik daar schreef, en uitgebreider herhaalde in mijn boek What the Media Are Doing to Our Politics, zijn veel van die denkbeelden afkomstig van Amerikaanse auteurs als James Fallows, Deborah Tannen en Neil Postman. Zij zijn van mening dat de media door hun eigen extremisme het vertrouwen van het grote publiek verspelen. Hoewel ze in veel opzichten met elkaar van mening verschillen, is de telkens herhaalde boodschap dat, om met de voormalige medewerker van The New Yorker Orville Schell te spreken, «veel van wat tegenwoordig wordt geschreven (…) wordt gekenmerkt door sterke spotlust, zelfs valsheid, en vaak door minachting. Dit zorgt voor een klimaat waarin iedereen zich onveilig voelt.»

In Amerika is binnen de media een beweging ontstaan die wil werken aan een revival van goede journalistiek. Het Committee of Concerned Journalists – in het leven geroepen door onder anderen Bill Kovach, een voormalige verslaggever van The New York Times en nu directeur van de Nieman Foundation for Journalism aan Harvard University – heeft in veertig Amerikaanse steden afdelingen opgericht. Door middel van publicaties, bijeenkomsten en seminars in redactielokalen en directiekamers houden het comité en zijn leden een pleidooi voor een journalistiek die haar democratische plichten doet: het laten afleggen van verantwoording door de machthebbers, het informeren van de burgers, het fungeren als spreekbuis voor uiteenlopende meningen en het streven naar inzicht in een complexe wereld.

Van een dergelijk debat annex beweging is in Groot-Brittannië nog niet veel te merken geweest. Toegegeven, er bestaat bij ons een lange traditie van kritiek op de media door linkse en rechtse politici en door de mediafaculteiten van de universiteiten. Maar veel van deze kritiek is ingegeven door eigenbelang of politieke vooringenomenheid. De nieuwe kritiek richt zich op een journalistieke stijl die wordt gekenmerkt door minachting, vooral als het gaat om politiek en politici. De voorgestelde remedie bestaat niet zozeer uit het aannemen van bepaalde wetten of het veranderen van de eigendomsverhoudingen binnen de media, maar in de hervorming van onze journalistieke cultuur.

Momenteel wordt gediscussieerd over een aantal initiatieven die gebaseerd zijn op deze nieuwe kritiek. De voorstellen hebben betrekking op het creëren van instellingen die de huidige journalistieke praktijk moeten evalueren en ter discussie moeten stellen. Een aantal journalisten heeft kritisch geschreven over de cultuur van minachting. Het meest magistraal is dit onderwerp verwoord door de academicus Onora O’Neill, hoofd van Newnham College, Cambridge. In 2002 stelde ze in een van haar Reith-lezingen dat «we nu gevaarlijk dicht in de buurt komen van een wereld waarin mediaconglomeraten optreden alsof zij onbeperkte rechten op vrije meningsuiting hebben, en zodoende beschikken over een vergunning om alle standpunten die hen niet interesseren te ridiculiseren, te bespotten, verkeerd weer te geven of dood te zwijgen». In een lezing eind vorig jaar vroeg ze aandacht voor de schade die democratie en burgerschap oplopen als de media niet te vertrouwen zijn. Ze vroeg zich af of de ongelimiteerde vrijheid van meningsuiting waar lokale kranten en kleine uitgeverijen zich in de achttiende eeuw sterk voor maakten, ook zonder meer van toepassing is op de machtige media-instellingen van de 21ste eeuw.

«Wanneer de media bepaalde geluiden of onderwerpen stelselmatig uitsluiten, marginaliseren of bespotten, heeft dit in een aantal opzichten dezelfde gevolgen als censuur van overheidswege. Wanneer ze achteloos functionarissen van de overheid, het bedrijfsleven of publieke instellingen afschilderen als corrupt en volledig gericht op hun eigen belang, kunnen burgers niet voor zichzelf uitmaken welke beschuldigingen juist zijn, en zijn zij dus in zekere zin gehandicapt. Dergelijke activiteiten zullen de democratie eerder schaden dan bevorderen.»

O’Neills aanklacht spitst zich toe op de drie centrale onderwerpen van dit debat. Om te beginnen kunnen media, wier vrijheid een noodzakelijke voorwaarde is voor democratie, hun vrijheid zo gebruiken dat de democratie schade oploopt. Ten tweede vormen de media, die hun democratische rol baseren op hun recht om rekenschap te vragen aan alle vormen van macht, zelf een enorme macht en hoeven zij nauwelijks verantwoording af te leggen. Tot slot leveren de media rechtstreeks strijd met gekozen en andere machthebbers en proberen ze die te vervangen door mensen van hun eigen voorkeur, zodat ze controle hebben over de wijze waarop het verhaal over het publieke (en deels ook private) leven wordt verteld. Deze strate gieën maken deel uit van een complexe en weinig begrepen reeks veranderingen in de aard van de politiek.

Deze opvattingen zijn betwistbaar en worden, terecht, ook bestreden – het meest recent in reactie op mijn boek en op de artikelen van anderen. Het is de moeite waard om na te gaan welke tegenargumenten worden gehanteerd en of die ons kunnen helpen de oorspronkelijke kwestie nog scherper te stellen.

Eerst dient echter iets te worden gezegd over de vermeende Blairite-vooringenomenheid van mijzelf en anderen. Veel journalisten die de in mijn artikel en boek verwoorde bezorgdheid delen, staan net als ik in grote lijnen achter de regering. Zodoende wordt deze visie vaak afgedaan als gejammer over media-aanvallen op de regering-Blair.

Sympathie voor een regering of een bepaalde zaak kan iemand gevoeliger maken voor de eerlijkheid of oneerlijkheid van aanvallen op die regering of zaak. Maar ik geloof niet dat ikzelf of anderen niet in staat zouden zijn om een onderscheid te maken tussen gefundeerde en ongefundeerde vijandigheid. In mijn boek wijs ik erop dat de man die in de recente politieke geschiedenis waarschijnlijk het meest te lijden heeft gehad onder de media, de conservatieve leider Ian Duncan Smith is. Toen hij gekozen was tot leider van de Tories werd hij al snel afgeserveerd als een hopeloos geval en was het voor hem vrijwel niet mogelijk om zijn opvattingen publiek te maken, zelfs niet in de conservatief georiënteerde me dia. Het gaat hier niet om partij politiek.

De media zijn «agressief, on nauwkeurig en unfair – maar soms dwingen zij overheden tot het heroverwegen van slechte plannen en heel af en toe slagen zij erin de overheden te weerhouden van iets wat deze graag willen doen».

Deze stelling is geponeerd door onder anderen redacteur David Goodhart van het Britse maandblad Prospect. Hij is van mening dat de nieuwe mediacultuur in zekere mate verantwoordelijk is voor het groeiende politieke cynisme, maar dat er weinig aanwijzingen zijn dat het hierdoor moeilijker is om het land goed te besturen. De combinatie van agressief vijandige media en goed georganiseerde pressiegroepen kan, in de woorden van Goodhart, «voor politici de drempel voor het nemen van impopulaire maatregelen verhogen», maar op de meeste beleidsterreinen kan een vastberaden regering haar eigen gang gaan en toch betrekkelijk populair blijven. En het is waar dat de Labour-regering, zij het min of meer stiekem, de belastingen heeft verhoogd, tal van andere impopulaire maatregelen heeft genomen en het land in een controversiële oorlog met Irak heeft geloodst. Het klopt ook dat de media die tekeer gingen tegen de immigratie uit Oost-Europa geknoei, inefficiency en tal van uitvluchten aan het licht hebben gebracht. De BBC-uitzending van Andrew Gilligan in mei vorig jaar, die een grote rol speelt in de huidige mediadiscussie in Groot-Brittannië, ging over een belangrijk onderwerp: de aard van de informatie die de geheime diensten doorgeven aan de regering, en de wijze waarop die informatie wordt gebruikt. Het aantoonbare resultaat van de uitzending (zo niet van de inhoud) was dat de hoeveelheid beschikbare informatie over het onderwerp toenam, dat het publiek werd gewaarschuwd voor de gevaren van slechte informatie en geheime afspraken tussen de geheime diensten en de regering en dat de burgers meer betrokken werden bij een omstreden zaak. Dit zijn gevolgen die wellicht waren uitgebleven bij een meer afgewogen, genuanceerde berichtgeving.

Deze opvatting leidt tot een stelling die door veel journalisten, vooral die van de boulevardbladen, wordt onderschreven. Volgens hen spelen de populaire media dezelfde rol als de nar in de toneelstukken van Shakespeare. Op grove, welhaast cynische wijze wijzen zij erop dat schoonheid stinkt en wijsheid verkapte wellust is en laten ze, zoals Feste in Twelfth Night, zien dat macht dikwijls een pompeuze schijnvertoning is, zodat uiteindelijk de deugd beter tot haar recht komt.

Door zich op deze wijze te verdedigen pretenderen de media in een Britse traditie te staan. Ze kennen zich een publieke functie toe, waardoor het toelaatbaar is dat op ruwe wijze de waarheid aan het licht wordt gebracht, omdat het algemeen belang daarmee gediend is. Men benadrukt dat de media op geestige wijze een uiterst serieuze roeping hebben, namelijk het opvrolijken van het publiek en tegelijkertijd het ontmaskeren van pretenties, hypocrisie en corruptie. «Het mag op verfijnde intellectuele zielen ruw of aanmatigend of beledigend overkomen», schreef Peter Preston onlangs in The Observer, «maar de pers is nog al tijd een betere hoedster van de vrijheid dan welke overheidscommissie dan ook.»

In dezelfde zondagskrant schreef Mary Riddell: «Men kan natuurlijk dromen van media die politici met respect behandelen, die zorgvuldig hun democratische plichten vervullen en hun neus ophalen voor goedkope verhalen over de tatoeages van Beckham en andere roddels. Dit zou echter resulteren in kranten van een zo hoogdravende minzaamheid dat niemand ze ooit zou willen kopen. (…) De belangrijkste zaken kunnen aan de orde komen in de meest onsmakelijke affaires. (…) Groot-Brittannië heeft zijn gebrekkige, eigengereide, door trivia geobsedeerde vrije pers zelden zo hard nodig gehad als vandaag de dag.»

In dezelfde geest schreef Andrew Neil: «De media vormen de hartslagader van de democratie. (…) Hoewel de exacte inhoud van hun berichtgeving (zoals in het geval van het programma van Gilligan over de leugens van de regering met betrekking tot de massavernietigingswapens en de vervalste foto’s in de Daily Mirror van Britse soldaten die Irakese soldaten mishandelden) onjuist was, vestigden deze verhalen wel de aandacht van het publiek op zaken die van vitaal belang zijn voor de publieke zaak.»

Het probleem met dergelijke pogingen de media te verdedigen is dat ze essentiële vragen ontwijken. Heeft de «hoedster van de vrijheid» niet de verantwoordelijkheid om correcte verhalen te vertellen? Dient een «gebrekkige» pers niet naar haar gebreken te kijken? Moet elke vergissing maar worden verontschuldigd als zijnde een begrijpelijke misser, of zelfs als het bewijs van de vrijheid van een land dat zulke missers toestaat? Heeft de pers als geheel zo’n hekel aan kritische vragen over haar werkwijze en beginselen dat op het voorstel van Martin Kettle, dat redacteuren en verslaggevers met betrekking tot betwistbare verhalen verantwoording zouden moeten afleggen aan parlementariërs, zo overspannen moet worden gereageerd als Preston heeft gedaan? Hij stelde namelijk dat dit neerkwam op het «voor speciale comités» slepen van journalisten, net zoals leden van het Franse verzet door de politie van Vichy naar de martelkamers van de Gestapo werden gevoerd.

Het is nauwelijks aan te nemen dat de vertekende berichtgeving, de onnauwkeurigheden, de minachting en de leugens géén schadelijk effect hebben op onze politiek. En men kan zich er niet van af maken door te stellen dat de mensen wijs of cynisch genoeg zijn om hier doorheen te kijken. Een dergelijke verdediging zou immers betekenen dat de media niet van belang zijn, en dus ook nooit de steunpilaren van de vrijheid kunnen zijn waar Preston, Riddell en anderen ze voor houden.

Het is waar dat politici ook over zekere wapens beschikken en New Labour heeft ze ooit op uiterst behendige wijze gebruikt. Maar dit wil nog niet zeggen dat er sprake is van een gezonde democratische tegenstelling tussen het domein van de politiek en het domein van de media. In plaats daarvan is er een alles-of-niets-strijd om de macht gaande. Tot in de jaren zestig domineerde de politiek de media. Sindsdien is de balans voornamelijk naar de andere kant doorgeslagen. Het is de verschuiving van het is-er-nog-iets-wat-u-ons-wilt-mededelen- excellentie? uit de jaren vijftig, naar de houding die werd geformuleerd door Harry Evans, tussen 1967 en 1981 hoofdredacteur van de Sunday Times: «Als je een politicus interviewt, moet je je altijd afvragen: waarom liegt deze klootzak tegen me?»

Uiteraard heeft deze machtsverschuiving veel opgeleverd dat gezond en democratisch is, maar de beschuldigende toon van de moderne journalistiek heeft er tevens toe bijgedragen dat de politiek wordt gekleineerd en het vertrouwen in de rechtsstaat is afgenomen. Niettemin koestert de journalistieke klasse nog altijd de mythe dat het de politici zijn die alle troefkaarten in handen hebben. Peter Wilby, hoofdredacteur van The New Statesman, schreef: «Het zijn de politici die de informatie beheersen waarvan de media afhankelijk zijn, en bijna dagelijks komen er nieuwe bewijzen dat informatie wordt bewerkt of slechts gedeeltelijk ‹gelekt› (als het sowieso al bekend wordt gemaakt) om ministers in een goed daglicht te stellen.» Evenmin als andere journalisten die tegen New Labour zijn doet Wilby een poging te begrijpen waarom politici zich zo gedragen. Liever gooien zij de politici allemaal op één hoop, zodat ze hun de schuld kunnen geven: «Het schandaal is niet dat ministers wel eens voor leugenaar worden uitgemaakt, maar dat het zo zelden gebeurt.»

Wie dergelijke opvattingen huldigt realiseert zich niet hoezeer de beroepscode de afgelopen twintig jaar is gewijzigd, of hoe de informatie naar de burger toe wordt gekleurd door het wantrouwen dat de media koesteren jegens politici. Het is moeilijk aan te nemen dat dit het landsbestuur ten goede komt. De voortdurende salvo’s uit de donderbussen van de media zullen zuiver op grond van kansberekening af en toe het juiste doel raken, maar over het algemeen zullen zij ervoor zorgen dat politici en ambtenaren wegduiken. Ze zullen minder geneigd zijn hun beleid toe te lichten, althans niet zonder het hulpmiddel van de pr-functionarissen, de vermaarde spindoctors die ertoe bijdragen dat het publiek vervreemdt van de politiek. Als binnen machtscentra – publiek of privaat – de indruk bestaat dat de media bepaalde informatie willen hebben om daarmee de degeneratie of corruptie van een individu, een bedrijf of een instelling aan te tonen, zullen de machthebbers de hun ten dienste staande middelen gebruiken om zichzelf tegen de media te beschermen. Dit is de vicieuze cirkel van de hedendaagse mediaoorlog: politici en andere autoriteiten spreken ontwijkend of helemaal niet teneinde zichzelf te beschermen tegen aanvallen van de media; dit ontwijkend gedrag stimuleert journalisten om met onthullingen en beschuldigingen te komen (soms zelfs in het algemeen belang), wat ertoe leidt dat de politiek nog meer ontwijkend gedrag gaat vertonen. Het mag dan waar zijn, zoals Goodhart betoogt, dat beleidsmaatregelen – zelfs impopulaire – nog steeds kunnen worden uitgevoerd, maar als het gaat om onze politieke cultuur als geheel eist de neerwaartse spiraal van ontwijking ondertussen wel haar tol.

Het meest aangetaste terrein in de journalistiek is de politieke verslaggeving en uit die hoek kwamen de meeste reacties op mijn boek. In zijn column in de Evening Standard verwoordde Andrew Neil de mening van velen dat «de media de afgelopen jaren alleen machtiger konden worden dankzij het gebrek aan behoorlijke oppositie door de Tories». Hiermee lijkt hij te willen zeggen dat de oppositie er niet in is geslaagd de regering ten val te brengen. Toch hebben alle niet-regerende partijen in veel opzichten behoorlijk oppositie gevoerd: in alle lokale, regionale en Europese verkiezingen hebben alle partijen behalve Labour een aanzienlijke stemmenwinst geboekt. Ze hebben allemaal beleidsplannen gepresenteerd die in meer of mindere mate overtuigend, intelligent en goed geformuleerd waren, maar die vrijwel geheel zijn genegeerd door de grote media.

De media zijn «oppositie» steeds meer gaan beschouwen als synoniem voor het ten val brengen van een regering, het ontslag van een minister-president of ten minste van een van zijn ministers. Vaak wordt er met trots op gewezen dat een bepaalde minister nog steeds in de regering zou zitten als de kranten hem niet ten val hadden gebracht. Zelfs als we aannemen dat het in dergelijke gevallen terecht was dat de ministers opstapten, dan nog is dit een wel heel beperkte definitie van succesvol toezicht op het politieke proces.

Gezien het talent dat binnen de media voorhanden is zou het mogelijk moeten zijn het debat over beleid op terreinen die de mensen direct raken – huisvesting, pensioenen, militaire interventie of het slaan van kinderen – zo te presenteren dat het de mensen gaat boeien. Als dit vaker het geval zou zijn, zouden we met recht kunnen stellen dat er gebrek was aan een behoorlijke oppositie. Maar als we ervoor zorgen dat een groot deel van waar het in de politiek om draait – concrete beleidsplannen van de mensen die zouden kunnen regeren – niet bekend wordt, dan laten we onze eigen voorspellingen uitkomen.

Onder degenen die niets willen weten van een dergelijke hervorming van de journalistieke cultuur zijn nogal wat mensen die de BBC in de Gilligan-affaire hebben beschuldigd van verregaande serviliteit. In juni kwam een door de BBC ingestelde commissie onder leiding van Ronald Neil, voormalig hoofd van de afdeling nieuws en actualiteiten, met een rapport waarin schoorvoetend iets werd toegegeven wat de BBC-leiding tot dan toe van de hand had gewezen: dat de verantwoordelijkheid voor de nauwkeurigheid van een ernstige aanklacht niet afhankelijk kan worden gemaakt van de betrouwbaarheid van de bron, maar dat de BBC er zeker van moet zijn dat de bron de waarheid spreekt. «Aangezien het vertrouwen in de journalistiek van de BBC groot is, zullen veel kijkers en luisteraars de beschuldigingen van een derde partij vaak beschouwen als de mening van de BBC zelf.»

Het lijkt waarschijnlijk dat het Butler-rapport over het gebruik van materiaal van de inlichtingendiensten in de aanloop tot de Irak-oorlog duidelijk zal maken dat de informatie van de geheime diensten onder politieke druk dreigender is voorgesteld dan de diensten uit eigener beweging zouden hebben gedaan. Deze gehele kwestie was duidelijk een onderwerp dat de meest uitgebreide journalistieke aandacht rechtvaardigde. Waar de BBC en andere media in hebben gefaald is niet het signaleren van het onderwerp, maar het niet serieus genoeg nemen van deze zaak, zowel tijdens als na de affaire. De bijna terloopse en slordige wijze waarop Gilligan met zijn aanklacht kwam – dat de minister-president het land had voorgelogen om het te kunnen overhalen ten oorlog te trekken – was een klassiek voorbeeld van hoe de cultuur van minachting die aanvankelijk kenmerkend was voor de geschreven pers, de laatste jaren ook de publieke omroep heeft geïnfecteerd. Als Gilligan meer verbaasd zou zijn geweest over de aantijging, zou hem dat wellicht hebben aangespoord om dieper in de zaak te duiken en meer effect hebben gehad. Op die manier zou een completer en complexer beeld zijn ontstaan van de relatie tussen politici die een bepaalde koers volgen en functionarissen van de inlichtingendiensten. Een les die hieruit kan worden getrokken, is dat de BBC voldoende onafhankelijk, voldoende toegerust en voldoende competent dient te zijn om onderzoek te kunnen verrichten naar zaken die voor de publieke zaak van cruciaal belang zijn.

Het meest hoopgevende deel van het Neil-rapport heeft hierop betrekking. De commissie doet het voorstel een «bedrijfstakbrede verte gen woordiging van journalisten» in te stellen. Dit zou kunnen helpen bij de totstandkoming van wat Groot-Brittannië dringend nodig heeft: een orgaan dat journalisten in staat stelt te debatteren en te reflecteren over de aard van hun werk, over welke invloed dat werk heeft op de samenleving en de wereld die de journalis ten trachten te beschrijven, over de interactie tussen de journalistiek en de politiek en over de mate waarin de journalistiek deel is geworden van de politiek of zelfs haar plaats inneemt, en op welke wijze vooral de publieke journalistiek een rol kan spelen in de beweging voor geën ga geerd burgerschap. Gezien de faciliteiten van de BBC en haar dominante positie binnen de journalistieke cultuur van Groot-Brittannië zou een dergelijk centrum eenzelfde rol kunnen spelen als het Shorenstein Centre en de Columbia School of Journalism in Amerika en een soortgelijke instelling die in Parijs wordt gevormd. Het zou een plek kunnen zijn waar op openhartige wijze wordt gediscussieerd over en onderzoek wordt gedaan naar de enorme macht en het grote potentieel van de journalistiek.

Het is vooral die kwestie van de macht die zorgt voor de scheidslijn tussen de voorstanders van een hervorming van de journalistieke cultuur en onze tegenstanders. Van de laatste categorie ontkent de meerderheid dat media veel macht hebben. Preston meent dat de pers ideologisch te heterogeen is om de krachten te bundelen en dat haar «groteske oprispingen, zoals de paniek rond de immigratie, over het algemeen verdampen in het licht van de werkelijkheid». Maar wat is voor de meeste mensen, buiten hun directe omgeving en hun werk, «de werkelijkheid»? Veel van die werkelijkheid wordt aangeleverd door de media die – vooral in het geval van het machtigste medium, de tv – een groot deel van de vrije tijd van mensen vullen. Als de media geen invloed hebben op de perceptie van mensen, wat doen ze dan wel? Maar vooral, welke invloed hebben ze op ons? Wij journalisten hebben hier nooit zo uitgebreid bij stilgestaan. Het wordt tijd dat we dat gaan doen, want als wij het niet doen, wie dan wel?

Vertaling: Rob Hartmans