Hoe vrij is de clubcultuur?

De macht van de nacht

Onbezonnen feesten, even kon het weer. De dansvloer draagt de belofte van vrijheid, maar is die er voor iedereen? Want hoe inclusief is het nachtleven en is er met alle vercommercialisering nog wel ruimte voor nieuwe progressieve initiatieven?

Op Spielraum in Amsterdam, een feest voor de lhbtiq+-gemeenschap, lopen speciale awareness-teams rond © Sven Bijma

‘Voel jij het ook?’ vraagt de blik van het meisje naast me met de neongele oogschaduw. De muziek lijkt op te bouwen naar een hoogtepunt dat telkens net weer wordt uitgesteld. Een hand op mijn blote schouder; haar naam ben ik alweer vergeten. Ja, ik voel het ook. De trillingen van de bas omhelzen me en sinds tijden ben ik me écht bewust van mijn lichaam. Een lichaam dat schaamteloos danst, zweet en tast.

De euforie op een van de eerste clubavonden sinds de coronacrisis is groot. Binnen een minuut was de ‘hard opening’ in de Amsterdamse nachtclub Garage Noord uitverkocht en met vele anderen heb ik tweeënhalf uur in de rij gestaan om een deurticket te bemachtigen. Eenmaal binnen, tussen vreemden en vrienden, wanneer de dj dan toch echt opbouwt naar een hoogtepunt maakt euforie plaats voor ontroering. Ik heb het zo gemist.

Tijden van crisis kunnen de dansvloer hervormen. In de roaring twenties, nadat de Spaanse griep miljoenen van het leven beroofde, gooiden mensen hun opgekropte energie eruit in nieuwe dansvormen als de breakaway en de charleston. Het nachtleven floreerde, de rokken werden korter. Toen aids om zich heen greep in de jaren tachtig werd de dansvloer een plek voor troost, waar trauma’s werden weggezweet. Samen feesten was ook een daad van verzet tegen de stigmatiserende ideeën die rondgingen over hoe aids zich zou verspreiden onder homo’s. In de Verenigde Staten bloeide de ballroomcultuur op waar lhbtiq+’ers hun angsten en frustraties omzetten in krachtige vogueposes. Hoe zal clubcultuur eruitzien na de coronacrisis?

De sluiting van de nacht bracht een gesprek op gang over de waarde van het nachtleven. Dat uitgaan meer is dan een hedonistische uitvlucht moest verdedigd worden tegenover versoepelingen en steunpakketten die maar niet ten deel vielen aan de nachtsector. De crisis werd ook gezien als momentum om het straks beter te doen. De dansvloer draagt de belofte van vrijheid, maar hoe is het met die vrijheid gesteld? De Black Lives Matter-beweging joeg die discussie aan in het licht van de discrepantie tussen de zwarte (queer) wortels van clubcultuur en elektronische muziek en het gebrek aan diversiteit in het nachtleven. En hoe houden we de dansvloer inclusief zonder de vrijheid aan banden te leggen?

‘Uitgaan is een vorm van zelftherapie’, vertelt queer onderzoeker en raver Luis-Manuel Garcia via een videoverbinding. Een clubnacht biedt tegenwicht aan het web van ongeschreven regels in de maatschappij die bepaald gedrag afdwingen. ‘Voor velen kost het enorm veel energie om een “normale” gedaante aan te nemen. Het nachtleven draagt de belofte die dagelijkse disciplinering op te heffen: op de dansvloer kun je uit de mal treden van hoe je medemens verwacht dat je je gedraagt. Het is een vorm van verzet tegen een strikt in hokjes opgedeelde wereld. Een subtiel verzet, waarbij de knopen die onze identiteit samenbinden even worden ontward en er ruimte ontstaat.’ Een praktijk die Garcia aanduidt met het lastig vertaalbare ‘coming undone’.

De coronapandemie dwong velen nog meer dan voorheen in een mal van een monotoon, werkend leven, binnen de sociale grenzen van het huishouden en de tijdsloten van het daglicht. Het nachtleven en zijn belofte van spanning lonkte als medicijn tegen een voorspelbaar geworden leven. Wanneer Garcia clubgangers vraagt naar hun meest memorabele nachten, zijn dit dan ook niet de kabbelende feesten die soepel verliepen. Mensen beschreven eerder de intense avonden die ze niet helemaal zelf in de hand hadden en die daardoor juist bevrijdend voelden. ‘Het zijn de ervaringen die je overkomen en misschien niet altijd plezierig zijn die je in het moment van controleverlies kunnen openbreken en veranderen op manieren die je van tevoren niet had kunnen bedenken.’

Maar wie kan het zich veroorloven om de zelfbeheersing te verliezen? Om roekeloos een plek op de dansvloer op te eisen of onverschrokken high te zijn? Ik herinner me een euforische avond op een festival tussen de bomen. De zon is al onder en het rode licht van de lampen draagt bij aan een seksueel geladen sfeer. De opeengepakte menigte is in extase gebracht door de pompende ghetto house van DJ Deeon en ik hou me vast aan het dranghek voor me om mijn evenwicht niet te verliezen. Mensen zijn op verhogingen en op elkaar geklommen om hoger te dansen en dan laat een vrouw, zittend op iemands schouders, in een opwelling haar borsten zien. De telefoons waren niet afgeplakt, zoals in sommige nachtclubs wel gebeurt, en het filmpje ging een dag later rond op sociale media.

Wie kan het zich veroorloven om de zelfbeheersing te verliezen? Om te dansen of high te zijn?

Controleverlies maakt je kwetsbaar. Vrouwen zijn meer dan mannen op hun hoede voor ongewenste seksuele toenadering en worden sneller afgerekend op losbandigheid. Bij mensen van kleur wordt uitbundig feestgedrag eerder dan bij witte mensen geïnterpreteerd als agressief of intimiderend. Een pijnlijke disbalans, vindt Garcia. ‘De belofte van een wilde avond vol ontlading is voor mensen die in het dagelijks leven al meer op hun hoede moeten zijn waardevoller, maar de risico’s zijn ook groter.’

Het vrije imago van clubcultuur maakt het gesprek over grensoverschrijdend gedrag soms lastig, stelt Helena Castro in een podcast van Stichting Nachtburgemeester Amsterdam. ‘Klachten worden minder serieus genomen als er alcohol of drugs in het spel zijn. Mensen kampen met schuldgevoelens over wat voor aandeel ze er misschien zelf in hadden en daders worden makkelijker geëxcuseerd onder het mom van “hij was vast dronken, zo is hij normaal niet”.’ Bij de nachtclubs reikt het concrete beleid vaak niet verder dan een A4’tje goedbedoelde huisregels op de toiletdeur. Nieuwe initiatieven proberen daar verandering in te brengen. Zo lanceerde Stichting Nachtburgemeester Amsterdam vorige maand ClubEthics, een initiatief dat Safer Clubbing-trainingen aanbiedt. Dit doen ze in samenwerking met Stichting Sexmatters die al langer het gesprek aangaat met het personeel van clubs, van barmedewerker tot eigenaar, over hoe ze kunnen zorgen dat mensen met verschillende achtergronden en seksualiteiten zich veilig voelen. Bij Spielraum, een roemrucht feest voor de lhbtiq+-gemeenschap, werken ze met awareness-teams, een groep vaste bezoekers die zich door de club verspreiden, herkenbaar aan neongele T-shirts. Als er spanningen ontstaan zijn zij het eerste, laagdrempelige aanspreekpunt.

Maar wie komt überhaupt de club binnen? Het is een breed gedeeld idee binnen de clubgemeenschap dat bepaalde groepen mensen de toegang moet worden geweigerd om de vrije ruimte te waarborgen voor anderen. ‘Inclusiviteit is belangrijk, maar dat vereist soms exclusie’, stelt danser en organisator Amber Vineyard tijdens een debat over de nacht in Pakhuis de Zwijger.

Vineyard organiseert evenementen als Va Va Voom, waarmee ze vooral queers van kleur een plek wil bieden vrij van homofobie, racisme en klasse-discriminatie. ‘Het is belangrijk om met iedereen samen te feesten, maar we hebben ook plekken nodig om te helen en los te laten zonder ons zorgen te maken over of je anderen daarmee voor het hoofd stoot.’ Bovendien slinkt het aanbod voor queers in het nachtleven. ‘Als je wit en hetero bent, heb je vijfhonderd andere plekken in de stad. De jonge zwarte transgender heeft verder nergens om heen te gaan.’

Het wrange is dat selectie aan de deur onvermijdelijk weer leidt tot stereotypering, terwijl de belofte van de nacht juist is om met dit soort structuren te breken. Het legt de macht bij uitsmijters en hosts die een inschatting moeten maken en dat gaat lang niet altijd goed, blijkt uit de kritiek die er afgelopen jaren kwam op het discriminerende deurbeleid van clubs. Ook geeft het de mensen die het voor het zeggen hebben in de nacht nog meer macht. Want voor en van wie is die nacht er nu eigenlijk nog?

© Sven Bijma

Tijdens de lockdown hostte de wereldberoemde Berlijnse nachtclub Berghain een modeshow van het luxe Italiaanse modemerk Bottega Veneta. Terwijl de coronabesmettingen nog flink opliepen nipten beroemdheden als Burna Boy en Slowthai van hun drankje in de betonnen hallen van de nachtclub om zich vervolgens naar de afterparty te begeven in het chique Soho House. Het bleef niet onopgemerkt. Beelden van de feestende groep geprivilegieerden die de coronaregels aan hun laars lapten gingen al gauw rond op Instagram. Barmedewerkers die al voor een precair minimumloon werkten en zich onbeschermd voelden doordat hygiëneregels niet werden nageleefd deelden anoniem hun verhaal.

‘Clubs zullen misgelopen inkomsten moeten inlopen en de vraag is op wiens bord de rekening valt’

Maar terwijl de kritiek zich vooral richtte op het schaamteloze feestje van een elite, werd de aandacht afgeleid van het grotere plaatje: zelfs de geliefde club Berghain, bekend als jarenlange safe space voor de homogemeenschap, kan de connectie met zijn achterban verliezen als het grote geld om de hoek komt kijken. Voor de Bottega Veneta-gate opende de nachtclub al een grote kunstexpositie met 250.000 euro subsidie van de gemeente. Deelnemende kunstenaars zagen daar een schamele honderdvijftig euro van terug en de club vroeg ook nog eens vijftien euro entree. Terwijl kleinere organisaties en mensen werkzaam in het nachtleven van Berlijn met moeite de eindjes aan elkaar knoopten vond Berghain, reeds gesubsidieerd als culturele instelling, nieuwe manieren om geld te verdienen, samen met grote partijen die niks met het nachtleven of de queergemeenschap te maken hebben.

Het is onderdeel van een vercommercialisering van het nachtleven waar gemeenten ook een rol in spelen. Waar beleid rond clubs in de jaren negentig nog vooral ging over regulering, waarbij de intrinsieke waarde van nachtcultuur werd erkend, begon dat beeld te kantelen na de eeuwwisseling, vertelt geograaf Timo Koren bij muto Studio. ‘Clubs werden eerst nog gewaardeerd als een soort poort naar een betere wereld. Rond 2010 werd het nachtleven in beleid veel meer gekoppeld aan economische groei en werd er vooral gekeken naar hoe clubcultuur gebruikt kon worden om toeristen te trekken, banen te creëren en als aanjager van gebiedsontwikkeling.’

Misschien zorgt de nachtvisie die de gemeente Amsterdam vorige maand presenteerde voor een ommekeer. In ‘Toekomst van de Nacht’ wordt in plaats van het economisch belang juist de sociale en culturele waarde benadrukt, met uitgebreide aandacht voor inclusiviteit. De nota is de eerste stap richting beleid dat dit ‘levende culturele erfgoed’ moet beschermen. Eindelijk kreeg het nachtleven de erkenning die het verdiende, maar zal het bij mooie woorden blijven? Concrete ideeën bij een van de prangendste kwesties in de visie, ruimtegebrek, ontbreken. Wat is het gesprek over diversiteit waard als de stad straks te duur is om te wonen? De ruimte is schaars en vergunningen worden vooral verleend aan partijen die al eerder commercieel succes hebben geboekt. Zo blijft de macht in de nacht in handen van een select clubje ondernemers. Voor progressieve, kleinere initiatieven is steeds minder ruimte.

Dat merkt ook Sven Bijma, initiatiefnemer van Spielraum, dat nu een nieuwe locatie zoekt. ‘Er zijn geen plekken meer voor en door queers. Wat betreft clubs in het elektronische muziekgenre lopen we tegen een enorm homogeen aanbod aan dat gedreven wordt door commercie en in handen is van dezelfde soort mensen.’ Na jaren een clubavond in het Amsterdamse Radion te hebben gedraaid groeide de populariteit van Spielraum, maar de samenwerking voelde niet meer goed. In de zoektocht naar een nieuwe plek wordt duidelijk dat huren enorm zijn gestegen. Het is onderdeel van een breder probleem. ‘Clubs zullen misgelopen inkomsten door de coronacrisis moeten gaan inlopen en de vraag is op wiens bord de rekening valt. Wie kan het straks nog betalen? En wie worden het nachtleven uit verdreven?’

Zonde, want clubcultuur kan juist tegenwicht bieden aan onze kapitalistische samenleving, weet dj en voormalig nachtburgemeester Isis van der Wel. ‘We zijn geconditioneerd om overdag te presteren en ’s nachts te slapen. Op de dansvloer herinneren we ons dat we meer zijn dan een radertje in het productieproces. Daar kunnen we onze individualiteit ontstijgen, door ons zonder te praten op een fundamenteel niveau verbonden te voelen met anderen, bewegend in een energetisch veld van dezelfde muzikale frequentie en omringd door dezelfde impulsen. Een heilzame ervaring die ons ons weer mens laat voelen.’ ‘Collectief bruisen’, noemde socioloog Émile Durkheim rituelen van gemeenschappelijke extase. Als lichamen synchroon bewegen op muziek komt er energie vrij die volgens hem solidariteit vergroot en een gemeenschap kracht geeft.

Door de geschiedenis heen keken machthebbers dan ook met argwaan naar dansende mensenmassa’s. Van der Wel herinnert me aan de ‘Criminal Justice and Public Order Bill’ uit 1994 die een einde moest maken aan de oncontroleerbare Britse raves ten tijde van de groeiende populariteit van het elektronische muziekgenre. De wet verbood samenscholing rond repetitieve beats. ‘Muziek verbieden is altijd onderdeel geweest van een machtsspel. In ons slavernijverleden bijvoorbeeld, werd de drum verboden uit angst dat de ritmes rebellie zouden ontketenen onder slaafgemaakten. Mensen die verbonden zijn door muziek vormen een eenheid. Dat maakt ze tot een bedreigende kracht voor machthebbers die controle willen behouden.’ Als we geen ‘wij’ kunnen vormen, hoe kunnen we dan in opstand komen?

Maar clubcultuur is niet meer iets om te vrezen, maar om van te profiteren. Nu worden nachtclubs ingezet als onderdeel van gentrificatiebeleid dat arme, niet-witte buurten moet ‘opwaarderen’. Als dan vervolgens de mensen uit die buurt niet worden binnengelaten in die club is de pijnlijke cirkel rond. Dit gebeurde bij De School in Amsterdam-West, die subsidie kreeg op basis van een beoogde buurtrol en vervolgens toegaf dat meerdere hosts ‘jongens uit Nieuw-West of Zuidoost’, waar veel Turkse en Marokkaanse Amsterdammers wonen, weigerden omdat ze niet in de club zouden passen. Bovendien mogen clubeigenaren zelf ook hun biezen weer pakken zodra de grond in waarde is gestegen.

Na anderhalf jaar stilstand mochten we weer even collectief bruisen. De nieuwe roaring twenties duurde welgeteld twee weken toen de levensdrang op de dansvloer zich had vertaald naar een piek in de besmettingscijfers en de buitenlandvakanties gevaar liepen. ‘Gesloten wegens opening’ tekende Kamagurka gevat op in de NRC. En in plaats van kritische vragen te stellen bij een gevaarlijke ‘Dansen met Janssen’-actie, een overhaaste opening of een Testen voor Toegang-systeem dat zo lek bleek als een mandje, keken Mark Rutte en Hugo de Jonge in een tenenkrommende persconferentie weer met een schuin oog naar feestgangers die te gretig van hun vrijheid zouden hebben geproefd. Weer viel een politieke keuze in het nadeel uit van een jongere generatie die het minste last heeft van het virus maar het meeste van de maatregelen. En weer is een uitgebluste nachtsector de dupe van wispelturig overheidsbeleid.

‘Feesten is meer dan een uitlaatklep, het herinnert ons eraan dat we onderdeel zijn van een groter geheel’, stelt Isis van der Wel terecht. Anderhalf jaar isolatie heeft ons doen beseffen hoe belangrijk het is om ruimtes te bewaken waar voelen wint van het denken en waar we de verloren connectie met onszelf en de ander kunnen herstellen. De keuze om ons van dit deel van onze menselijkheid af te sluiten, is steeds minder goed te verdedigen.