Rob de Wijk, Supermacht Europa

De machtspolitiek van een idealist

Rob de Wijk

Supermacht Europa

Mets & Schilt, 224 blz., e 22,50

Wie genoeg heeft van dat eeuwige gezeur over de crisis van de Europese Unie en het schandelijke wangedrag van de Amerikaanse rogue state kan terecht bij Rob de Wijk. Maar De Wijk is geen zachtzinnige schoolmeester. Hij geeft niet alleen de lezer veel huiswerk op, hij benoemt ook nog de zware taken die Europa zou moeten uitvoeren als het economisch en politiek nog wil meetellen in de wereld.

In kritisch Nederland zal zijn boek Supermacht Europa zeker niet met ge juich ontvangen worden. De Wijk maakt het zijn critici ook wel makkelijk. Want wat is er nieuw in dit boek, dat bovendien vol innerlijke tegenspraak zit? Op dergelijke schimpscheuten kan geantwoord worden dat er wel slechtere pu blicaties uit Clingendael zijn verschenen. Een groot deel van De Wijks analyse is juist. Hij confronteert de lezer met grote internationale verbanden. Zijn boek is een heilzaam middel tegen het in Nederland overheersende provincialis me. Wat het gebrek aan nieuwigheid betreft: deze tijden zijn zo verward dat «restating the most obvious» nodig blijft, zoals George Orwell ons al voorhield. Dit boek is breed van opzet, speels, niet eenzijdig en eerlijk. De spanningsboog tussen realiteit en ideaal wordt tot het einde toe volgehouden. Helaas wordt de afstand tussen analyse en conclusie of aanbevelingen soms wat erg groot.

Steeds meer Europeanen geven zich over aan de illusie dat zij veel vrijer en gelukkiger zouden zijn wanneer zij zich eindelijk eens konden bevrijden van de druk van de Amerikaanse hegemonie. Vooral in Duitsland bereikte de hoop op onafhankelijkheid, niet langer aan de leiband van de VS te lopen, onder Schröder een hoogtepunt. Maar volgens De Wijk is dit valse hoop. De EU is tot dit soort zelfstandigheid niet in staat, zoals bij herhaling recent nog gebleken is. Het valt juist te verwachten, aldus De Wijk, dat Europa en Amerika verder uit elkaar groeien. Terwijl, om het ingewikkeld te maken, de Amerikanen onze natuurlijke partners blijven.

Belangrijke steen des aanstoots voor Europa is het multilateralisme à la carte van Washington. Dit is trouwens niet, zoals vaak wordt beweerd, begonnen met George W. Bush, maar was ook al onder Clinton duidelijk, zeker sinds de aanvallen op Amerikaanse ambassades in Afrika in 1998.

De EU heeft weinig keuze. De scherpzinnige Franse politiek-analyticus Pierre Hassner vatte in 2002 de wereldsituatie nog eens bondig samen: er is geen alternatief voor het erkennen van de Amerikaanse hegemonie. De beide andere keuzes zouden zijn: hetzij de heerschappij van het recht via de VN – en wij weten dat die zonder Macht niet doorgezet kan worden – of een multipolaire wereld, en dat is utopisch. Het verschil in machts niveau tussen de VS en alle andere landen is daarvoor veel te groot, aldus Hass ner.

De Wijk trekt de conclusie dat zonder machtspolitiek de EU de wereldconcurrentie niet aankan. Europa moet een strategische bijdrage kunnen leveren. China bijvoorbeeld. Europa heeft tot nu toe in dat deel van de wereld vooral handelspolitiek gevoerd en de grote strategische vragen overgelaten aan de VS. Daarbij kan het nu niet meer blijven. De EU moet ook een strategisch gewicht als supermacht ontwikkelen.

Een supermacht is volgens De Wijk geen superstaat of een federatie, maar een transnationale ruimte. Voor zo’n supermacht is zachte coördinatie vanuit Brussel onvoldoende. Harde sturing is nodig om de nationale belemmeringen te overwinnen. «Het klinkt paradoxaal, maar onze Europese waarden en onze aanpak gebaseerd op soft power kunnen slechts overleven als wij in staat zijn tot het voeren van machtspolitiek», aldus De Wijk.

Het is een steeds in dit boek herhaald refrein: Europa moet eenheid tonen. Als de Unie niet in staat is haar diplomatie met machtsmiddelen kracht bij te zetten, dan dreigt op de lange termijn marginalisatie. Een militaire vuist past niet bij de politieke cultuur van het «postmoderne» Europa. Toch zijn eenheid en vuist nodig om te komen tot een gelijkwaardiger positie ten opzichte van de VS. De mate waarin Europa iets aan zijn eigen situatie kan doen, is groot als het daartoe maar de politieke wil heeft, aldus De Wijk. Hoe kan de EU zo’n supermacht worden? Door leiderschap en elan voor deze Europese zaak, door de bekende scepsis in deze periode van dominante crisis sentimenten te overwinnen.

Of de depressieve patiënt Europa door dit soort aanmoedigingen in beweging zal komen, blijft twijfelachtig. Hetzelfde geldt voor nationale staten die hun politieke en economische neergang niet kunnen verwerken. Wat betreft Frankrijk schreef Robert Frank daarover een overtuigende studie: La hantise du déclin (1994). De Franse neergang is sindsdien alleen maar sterker gebleken. Van een leidende rol in de uitgebreide EU is weinig over.

De Wijk hecht veel waarde aan de Lissabon-strategie uit 2000 om de EU weer economisch te doen groeien. Maar daarvan is tot nu toe weinig te rechtgekomen, zoals het rapport-Kok al vaststelde. Eindelijk de modernisering doorzetten in plaats van veel geld blijven steken in de landbouw. Daarbij mag echter niet over het hoofd worden gezien dat we hier raken aan de oorspronkelijke deal tussen Duitse in dustrie en Franse landbouw, een deal die aan de EU ten grondslag ligt. Er staat trouwens opmerkelijk weinig in dit boek over Duitsland, voorheen motor van de EU en nu vooral rem, en zijn hervormingsproblemen. Maar hoe je het ook wendt of keert, er is geen ontkomen aan de noodzaak om een enorme impuls aan de Europese economie te geven, al ware het alleen maar om een antwoord te kunnen geven op de grote Chinese uitdaging, aldus De Wijk.

Allemaal oude koek, zullen de critici zeggen. Maar daarmee kan de vraag niet van tafel worden geschoven hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat een Europa met zo’n potentie tot verandering er nog steeds niet op voorbereid is de sprong naar modernisering te maken. De Wijk spreekt optimistisch van een gouden kans. Maar wat moet er nog aan rampen en crises plaatsvinden voor die sprong inderdaad wordt ge maakt? Tenslotte is een groot deel van de Europese besluitvorming slechts onder de zware druk der omstandigheden tot stand gekomen.

China is volgens De Wijk het enige land dat op gelijke voet met de VS kan komen. In Europa wordt nogal eens vergeten dat Amerika tot nu toe de «regional balancer» in Oost-Azië is. Welke rampzalige gevolgen had de machtsverschuiving in de klassieke driehoek van China, een steeds meer gemilitariseerd Japan en Rusland gehad kunnen hebben als de VS daar niet tussen hadden gezeten? Voor 9/11 ging Washingtons aandacht dan ook vooral uit naar die riskante regio. In dit verband is onduidelijk hoe De Wijk China een status-quo-mogendheid kan noemen, terwijl het zich, zoals hij zegt, wil profileren als de leider van Azië.

Europa is niet alleen kwetsbaar in economisch opzicht, ook qua veiligheid ligt dit kleine werelddeel in de vuurlinie. Die kwetsbaarheid blijkt alleen al overduidelijk uit de lijst van verijdelde aanslagen die in dit boek is opgenomen. «De strijd tegen het internationale terrorisme heeft paradoxale gevolgen, omdat deze strijd op korte termijn juist tot meer onveiligheid leidt», aldus De Wijk. Er zijn heel wat ontwikkelingen te noemen waardoor het gevaar van nieuwe aanslagen wordt vergroot. Bijvoorbeeld het mislukken van het integratieproces en de verwijdering tussen de moslim wereld en het Westen hebben hier volgens De Wijk sterk toe bijgedragen. Terroristen hebben namelijk ontdekt dat in een wereld gevuld met angst en onzekerheid ook de zwakste de sterkste kan vernietigen.

Defensie is weliswaar niet populair in «postmodern» Europa, toch ontwikkelt het Europese veiligheids- en defensie beleid zich volgens De Wijk in ras tempo: het staat in de steigers. Er is volgens hem geen alternatief gezien de brandhaarden rondom ons. Terzijde wijst hij op de mogelijke brandhaard rond de Kaspische Zee en in Centraal-Azië.

Ook ik heb heel wat kritiek op dit boek. Zo hangen er te veel losse draadjes in dit betoog: De Wijk beweert veel, soms ook wel eens het tegendeel van wat hij eerder heeft betoogd. Het hoofdstuk over zijn specialiteit, defensie, heeft een opmerkelijke zwakte. Het defensieapparaat mag volgens hem dan wel redelijk geïntegreerd zijn, de harmonisering van veiligheidsbelangen in de EU staat nog aan het begin. Het is als een moderne brandweeruitrusting: de commandanten zijn trots op wat ze in de kazerne hebben staan, maar de politieke leiding is het niet eens over de vraag welke grote brand het eerst geblust moet worden en hoe. Bij het buitenlandse beleid is de divergentie in opvattingen over veiligheid binnen de EU namelijk nog erg groot, zoals De Wijk af en toe zelf ook meedeelt.

Een ander actueel punt: is het niet een illusie te denken dat Europa succes heeft gehad in zijn inspanningen om Irans nucleaire ambities tegen te houden? De Wijk zingt de lof over de Britse «imperial policing»: de manier om complexe situaties, waarin etniciteit, religie en nationalisme belangrijke factoren zijn en waarin opstandelingen de macht willen ver overen, te beheersen. Britse troepen moeten nooit als bezetters beschouwd kunnen worden. Op een gegeven mo ment bloeden opstanden dood, aldus De Wijk in zijn wel erg opgewekte beeld van de Britse imperiale ervaring. Het deed me denken aan de proclamatie van de commandant van de Britse strijdkrachten in Bagdad in 1917: «Our armies do not come into your cities and lands as conquerors or enemies, but as liberators.» Aan die verklaring werd toen erg weinig geloof gehecht. Het hadden in 2004 de woorden van een Amerikaanse legercommandant geweest kunnen zijn in het ooit door de Britten geschapen Irak.

Er kan veel meer aangemerkt worden. Zo schrijft De Wijk over het Volkenrecht alsof er zoiets zou bestaan als één volkenrecht waarover de deskundigen het eens zijn. En in zijn rondgang over de wereld, waarbij hij ook kort het conflict India-Pakistan bespreekt, had de pacificerende rol van de VS wel genoemd mogen worden. Hoe kort is het geleden dat nog werd gevreesd voor een nucleair conflict tussen deze twee kemphanen? Minister Colin Powell trok met succes de lont uit dit conflict, mede op basis van een verbeterde relatie van Washington met Delhi. Welke andere macht had dat toen gekund? De EU?

Een ander punt: «pre-emption» is niet met Bush begonnen. De Amerikaanse historicus John Lewis Gaddis heeft er terecht op gewezen dat het idee van pre-emption een strategie is die nooit ontbroken heeft in de Amerikaanse geschiedenis.

En toch beveel ik dit boek aan als afweermiddel en tegengif tegen de Europese pessimistische zelfgenoegzaamheid, tegen het provincialisme. De grote boodschap over het Westen is duidelijk. Gandhi moet op de vraag wat hij van het Westen vond eens geantwoord hebben dat het een goed idee zou zijn. We blijken nog steeds geen beter idee te hebben.