De magerzucht van lewis carroll

Gesprek met de schrijver van Alice in Verbazie. Uitgeverij De Bezige Bij, 92 blz., f34,90
Lewis Carroll, De avonturen van Alice in Wonderland & Achter de Spiegel. Vertaald door Nicolaas Matsier, uitg. Van Goor, 265 blz., f49,90
NIEMAND kijkt er vreemd van op als een schrijver van een willekeurig wetenschappelijk artikel zijn problematiek verduidelijkt door te zeggen dat een en ander even gecompliceerd is als Alice’s croquetspel, waarbij zowel de hamers als de ballen, om niet te spreken van de poortjes, voortdurend in beweging zijn. Het citaat behoeft geen nadere uitleg, en blijkbaar is het zelfs niet nodig de titel of de schrijver van het bronmateriaal te vermelden. Alice in Wonderland is van een ooit in intieme kring gepresenteerd, negentiende-eeuws kinderboek uitgegroeid tot een van de klassiekers van de westerse literatuur.

Nicolaas Matsier publiceerde onlangs het bundeltje Alice in Verbazie, waarin hij ingaat op de problemen die hij ondervond bij het vertalen van Lewis Carrolls The Adventures of Alice in Wonderland en Through the Looking Glass, en uitweidt over de raadsels waarvoor schrijver en boeken hem hebben gesteld. Hij werpt onder meer de vraag op of Alice in Wonderland wel een kinderboek is en of het in de vorige eeuw als zodanig werd gelezen. En hij gunt de lezer een intrigerende blik in de keuken van de vertaler. Voor de Alice-liefhebber is het boekje een festijn.
EN DAT FESTIJN begint al bij de titel: Verbazie. Matsier: ‘Ik heb overwogen om Wonderland op die manier te vertalen, want ik was ervan overtuigd geraakt dat to wonder als activiteit niets te maken heeft met mirakels of wonderen in de bijbelse of sprookjesachtige zin. Het zou een opzienbarende stap zijn geweest, maar mijn uitgeefster begon zo moeilijk te kijken toen ik Verbazie naar voren bracht dat ik het uiteindelijk maar heb gelaten. Maar ik ben blij dat ik hem nu heb kunnen gebruiken.’
In de bundel geeft Matsier een hoogst vermakelijk overzicht van alle vertalingen die er tot nu toe in het Nederlands zijn verschenen. Hij rangschikt ze onder de noemers 'De Hel’ (vertalers die vrijwel niets heel lieten van het oorspronkelijke verhaal), 'Het Vagevuur’ (over deze klasse merkt hij op: 'Het is alsof je iemand gekend hebt in de kracht van zijn of haar leven, gave huid, glanzende ogen, welvarende haardos, expressief en onderhoudend, om diezelfde persoon volkomen verwaarloosd terug te zien, oud, de huid in plooien, de geestkracht geweken, dement, een wrak’) en 'De betrekkelijke Hemel’. Tot de laatste categorie behoort, vanzelfsprekend, ook zijn eigen Alice-vertaling uit 1989.
Enigszins beschroomd toon ik Matsier de versie die ik las op zesjarige leeftijd: Alice in Wonderland. Aan de Nederlandse jeugd verteld door Ankie Aalbers. Typisch een vagevuurgeval. Hij moet gniffelen om de manier waarop Ankie geheel op eigen titel een eerste en een laatste hoofdstuk heeft toegevoegd en de vrijheid nam om een aantal van de oorspronkelijke hoofdstukken weg te laten, alsmede alle poezie. Het lijkt er op dat ze uitsluitend de intentie heeft gehad het boek na te vertellen - een paar maanden nadat ze het gelezen had, waarschijnlijk.
Matsier legt in een van zijn essays de lezer een aantal opmerkelijke vertaaldilemma’s voor. Zo vertelt de slaperige Dormouse (een Nederlandse vertaling van de naam van die specifieke muizensoort luidt 'relmuis’, waarmee toch een heel ander muizentemperament gesuggereerd wordt; gelukkig stuitte Matsier ook op zevenslaper, wat al een stuk luier klonk) het trage verhaal van de drie zusjes die op de bodem van een put wonen. Een 'Treacle Well’, heet het in het Engels. Treacle is een soort medicinale bron, maar tegelijkertijd stroop. Matsier citeert de oplossing van Eelke de Jong, een vorige Alice-vertaler, die de 'Treacle Well’ omzette in een 'Haarlemmer Olieput’. Maar Haarlemmerolie is natuurlijk alleen maar een medicinaal middel, en dan valt dus het snoepelement weg. Een lange zoektocht naar putten en bronnen die zich laten verbinden met iets lekkers, mondde bij Matsier uit in de 'Suikerwaterput’.
Wat was zijn favoriete vertaalvondst?
Matsier: 'Hoewel ik er het bangst voor ben geweest, heb ik de poezie achteraf toch het leukst gevonden. De gedichten die in de Alice-boeken voorkomen, zijn vaak pastiches op bestaande opvoedkundige versjes. Ik ben aanvankelijk nog bezig geweest om dingen te zoeken die ook in het Nederlands verpasticheerd konden worden - zo heb ik me nog op het werk van Hieronymus van Alphen gestort - maar dat heb ik uiteindelijk maar opgegeven. Bij de Engelse lezers schijnen de oorspronkelijke negentiende- eeuwse gedichten ook allang niet meer bekend te zijn en worden de gedichten in Alice voornamelijk gelezen als nonsenspoezie. Dus heb ik ze ook als zodanig vertaald.’
OPMERKELIJK is dat Nabokov degene is geweest die Alice in het Russisch heeft vertaald. Hij was blijkbaar een enorme Carroll- fan, hoewel de fascinatie voor het jonge meisje nauwelijks zo verschillend zal zijn verwoord als in Carrolls Alice en Nabokovs Lolita.
Matsier: 'Ik heb Lolita nog een keer helemaal doorgelezen op verwijzingen naar Alice, maar er is werkelijk niets wat ook maar in de verte als zodanig zou kunnen worden beschouwd. Ik zou die vertaling van hem wel graag wil len kunnen lezen. Hij heeft alle gedichten daadwerkelijk getransponeerd naar het Russisch, en dus bestaande Russische verzen genomen en die op carrolliaanse wijze geparodieerd. In Rusland leeft de negentiende eeuw nog heel sterk in de hoofden van de lezers. Nabokov kon dus een beroep doen op een veel grotere kennis van de volkspoezie.’
In de bundel noemt u 'Alice in Wonderland’ het meest drastische kinderboek ooit geschreven.
'Inderdaad. Wonderland kun je voorlezen aan kinderen die nog helemaal niks van de wereld of van de taal snappen en die het waarschijnlijk beluisteren als mooie muziek. Op de lagere school kunnen kinderen het dan op eigen kracht gaan lezen, en zelfs op de middelbare school is het nog interessant. Maar het grappige is dat je daarna rustig door kunt gaan met het boek vanuit allerlei oogpunten te herlezen, zonder dat het met nostalgie te maken hoeft te hebben. Zelf heb ik het pas echt leren kennen toen ik taalfilosofie studeerde. Je kunt het telkens herle zen en dan zul je er steeds iets anders in zien. Voor mij is het een klassieker van het formaat van de Odyssee. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met de hoge mate van ongrijpbaarheid van het verhaal. Als je mensen vraagt naar de betekenis van het boek, krijg je van niemand hetzelfde antwoord. Zo rijk is het. De tomeloze snelheid van het boek frappeert me ook altijd weer. Als ik bijvoorbeeld even een citaat wil opzoeken, lees ik altijd nog bladzijden lang door, terwijl ik het gezochte allang heb gevonden.’
EEN VAN DE meest intrigerende zaken die Matsier in zijn boekje opmerkt is Alice’s preoccupatie met voeding, maar vooral ook met opvoeding. Matsier: 'Aanvankelijk ben je geneigd Alice als een soort negentiende- eeuwse voorloper te zien van min of meer rebelse heldinnen als Pippi Langkous of Pluk van de Petteflet. Maar als je het goed leest, is eigenlijk het omgekeerde het geval. Alice is een meisje dat in al haar welopgevoedheid aan de wilde beesten is overgeleverd. Dat is het radicale van het boek: de totale omgeving van Alice - een volwassen omgeving, zijzelf is het enige kind - is aan een stuk door bezig alle regels die haar zijn bijgebracht met voeten en poten te treden. Ons oog daarvoor is vast niet zo scherp meer, maar ik denk dat de lezertjes in die tijd daar vreselijk om hebben moeten lachen. Alles wat ze kenden en geleerd hadden, werd op zijn kop gezet. Dit aspect van Alice is volgens mij toch de historische sleutel voor de populariteit ervan.’
Matsier betuigt zijn afkeer van artikelen waarin de Alice-boeken met de meest smakeloze intenties worden doorgeanalyseerd. Dan wijst men op zogenaamde drugsmotieven als waterpijpen of paddestoelen-waardoor-alles-anders-wordt, of, erger nog, probeert men Carrolls onschuldige liefhebberij om jonge meisjes naakt danwel halfnaakt te fotograferen in een kwalijk daglicht te plaatsen. Matsier: 'Als mensen zoiets in grote ernst doen, wordt het erg naar. In het tweede essay maak ik me zelf ook aan zoiets schuldig, door te veronderstellen dat Carroll aan magerzucht geleden zou hebben, gezien de preoccupatie met voedsel. Maar tegelijkertijd bedoel ik dat als een soort rijm op al die andere idiote invallen. De behoefte van mensen om zich dat boek op de een of andere manier toe te eigenen, is blijkbaar heel erg sterk. Het is kennelijk onverdraaglijk dat het gewoon een goed kinderboek is.’