De magie van afbeeldingen

Pierre Michon, Meesters en knechten. Het leven van Joseph Roulin. Vertaling Rokus Hofstede, nawoord Manet van Montfrans, uitgeverij G. A. van Oorschot, 164 blz., f34,90
Een Nederlandse schrijver zei laatst op stellige toon tijdens een forum over ‘literatuur en engagement’ dat de huidige Franse literatuur niets voorstelt. Ik weet dat niet zo goed, mijn lectuur uit die windstreek is beperkt. Maar daar heeft Van Oorschot enige verandering in aangebracht, want sinds enkele jaren is deze heerlijk eigenwijze uitgever bezig een Franse bibliotheek in vertaling uit te geven. Er is een klassieke plank waarop Baudelaire, Fromentin, Guilleragues en Zola prijken, maar ook een plank met recent werk, onder andere van Rouaud, Bon en Michon.

Van Pierre Michon zijn vier verhalen vertaald (het drieluik Meesters en knechten en Het leven van Joseph Roulin) die vier kunstenaars omcirkelen: Jean Antoine Watteau, Lorentino d'Angelo, Francisco de Goya en Vincent van Gogh. Watteau wordt in zijn laatste jaren (hij stierf in 1721) gevolgd via de blik van de pastoor van Nogent; Lorentino richt zijn ogen liever op zijn blinde meester Pierro della Francesca, Goya wordt gevolgd door een oudere vrouw, en Van Gogh benadert Michon via de postbode van Arles: Joseph Roulin (maar er is ook sprake van een ‘ik’ die zich bewust is van Hollywood en de kunsthandel op Manhattan). Ik schrijf 'omcirkelen’, omdat het perspectief dat Michon koos vooral dat van de onbevangen onwetende is, iemand die eerder verwonderd dan bevooroordeeld is. Ongetwijfeld wordt Mi chon geintrigeerd door de vraag die in het Roulin/Van Gogh-portret wordt gesteld: 'Wie zal zeggen wat mooi is en dientengevolge onder de mensen veel waard of niets waard?’
In het nawoord schrijft Manet van Montfrans dat Michon zich door zijn keuze voor enkele wereldberoemde kunstenaars 'ogenschijnlijk platgetreden paden’ betreedt, maar dat dank zij de 'omtrekkende beweging’ (het perspectief) de overbekende cliches en de stereotypen vermeden zijn. Eerlijk gezegd ben ik daar niet zo zeker van. In de eerste plaats viel het mij op dat de toon van alle verhalen niet wezenlijk uiteenloopt, terwijl een vroeg achttiende-eeuwse pastoor toch anders zou moeten klinken dan een oudere vrouw die Goya volgt of een Franse postbode uit 1888 die vroeger, ten tijde van de Parijse Commune van 1870, nog een rooie rakker was maar later graag wegdroomt in prinselijke voorstellingen. PTT-beambte Roulin, geportretteerd door Van Gogh, is 'getuige van het gesticuleren van een halve gare met een zonnesteek’. Dat is een van de vele gemeenplaatsen in het verhaal, ondanks het perspectief en de afstandelijke achteraftoon (die helaas ook iets gemakzuchtig gelijkhebberigs heeft).
Misschien dat ik daarom 'Heb vertrouwen in dit teken’ verreweg het beste verhaal vond. Het bezweek niet onder de Wereldberoemde Naam. Pierre Michon maakte gebruik van enige regels uit Vasari’s verhalen over renaissancistische kunstenaars(levens) om een 'omissie’ te herstellen: het verhaal over Lorentino d'Angelo uit Arezzo, armlastige leerling van Piero della Franceska. Een landman uit de omgeving klopt bij de schilder aan. Hij is, hoe dan ook, gegrepen door 'de magie van afbeeldingen’. Hij biedt de schilder een varken aan als hij voor hem en zijn stervende moeder een schilderij maakt van Sint Maarten, de heilige die zijn mantel uit naastenliefde in twee stukken scheurt. Lorentino was vroom of stoicijns 'omdat hij de Hoop betrachtte’. Michons beschrijving van het hongerende gezin, de schaarse reizen en schildersondernemingen van Lorentino, zijn bedevaart naar de inmiddels blinde Piero en de totstandkoming van het meesterstuk is meeslepend en wordt zelfs fascinerend als we aan het slot de lijdensweg van het schilderij kunnen volgen, dat wil zeggen zijn geleidelijke aftakeling en verdwijning. Ik geloof dat Michon heel goed is in het beschrijven van zulke verdwijningen. Maar zijn bundel bezwijkt te vaak onder het gewicht van Wereldberoemde Verschijningen.