De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Woody Allen en de schoonheid van crisis

De magie van vrij denken

De films van Woody Allen, nu te zien in filmmuseum EYE, vormen een universum van verhalen waarin God afwezig is, zijn plaats ingenomen door de mens. Dat werkt bevrijdend, maar tragedie is onafwendbaar.

Medium irrational man 48050673 st 4 s high

In de laatste tien jaar betekent iedere nieuwe film van Woody Allen niet alleen een bezoek aan een bioscoop waar je reikhalzend naar uitkijkt, maar vooral ook een gedroomde reis naar een exotische vakantiebestemming. Bijna altijd opent het werk met plaatselijke muziek gevolgd door beelden van Londen, Barcelona, Parijs of Rome. Vooralsnog geen verhaal, geen uitleg, slechts de verleiding van een schilderachtige omgeving. Al gauw blijkt dat de schoonheid bedrieglijk is: Allen zoekt naar iets duisters onder de oppervlakte. Dat wordt het best geïllustreerd door de zwierige verkeersbegeleider die te midden van een verkeerschaos aan het begin van To Rome with Love (2012) zich tot ons, bioscoopgangers en virtuele toeristen, richt en zegt: ‘Sorry, I don’t speak English very well. I’m from Roma. My job, as you can see, is to see that the traffic move. I stand up here, and I see everything. All people. I see life. In this city, all is a story.’

Anders dan de verkeersbegeleider hebben wij geen overzicht. Wij zitten midden in de chaos, achter het stuur of lopend als voetgangers over trottoirs en zebrapaden, betoverd door het onbekende en ongewone. De regelaar kijkt door alles heen, hij ziet ongelukken aankomen en gebeuren. Uitbundig wentelt hij zich in de willekeur van het tafereel dat zich voor zijn ogen ontvouwt. Hij is god en mens in één.

Woody Allen is een maker, maar hij is óók een gewoon mens. Hierin ligt zowel het geheim van zijn succes als het antwoord op de vraag waarom zijn films iedere keer voor ons als een thuiskomst zijn. Allen voelt ons aan en wij hem. Een taxichauffeur in Parijs merkte ooit op: ‘Hij is klein, hij is kalend, hij is lelijk. Hij kan geen vrouw in bed krijgen. Hij is net als ik.’

Deze identificatie tussen maker en mens, opgetekend door Allen-biograaf John Baxter, zegt alles: in hem zien we onszelf terug. De toeschouwer is net als hij een proefkonijn dat het allemaal maar moet ondergaan: angst voor de dood, wanhoop over seksualiteit en de liefde, nihilisme als gevolg van de wet dat toeval het leven overheerst en dat het altijd maar weer vergeefs zoeken is naar de zin van het bestaan. Maar tegenover deze constante existentiële crisis staat de man die de zinloosheid in zijn films stelselmatig onderzoekt en er schoonheid en troost en zelfs een vorm van optimisme in ontdekt.

Zoals de verkeersregelaar in Rome ziet Allen het leven als een aaneenschakeling van verhalen (‘In this city, all is a story’). Fictie vormt een reddingsboei, zoals blijkt in Deconstructing Harry (1997) als de hoofdpersoon, een schrijver genaamd Harry, zijn leven in ogenschouw neemt: ‘All people know the same truth: our lives consist of how we choose to distort it. Only his writing was calm, his writing which had saved his life.’ Voor Allen, personage én maker, zijn maken en kijken een vorm van therapie. Beter gezegd, analyse. Want zicht op een antwoord of op beterschap – dingen die je met ‘therapie’ associeert – is er niet. Het gaat om het proces van het onderzoek én om het plezier dat hieraan te ontlenen valt. Zoals Allen zegt: het leven is een en al eenzaamheid en misère en lijden en ongeluk – en het gaat allemaal jammer genoeg veel te snel voorbij.

Deze zomer treden dit soort ‘grote vragen’ eens te meer op de voorgrond met een retrospectief van Allens werk in het filmmuseum EYE, inclusief zijn nieuwste, Irrational Man. De hoofdrollen worden gespeeld door Joaquin Phoenix, als Abe, een depressieve filosofieprofessor, en Emma Stone, als Jill, een studente die verliefd op hem wordt. De setting is ditmaal een universiteit op Rhode Island, maar de romantische wide-screenbeelden van cameraman Darius Khondji creëren net als in de recente Europese films een dromerige sfeer van een wereld waarin oude waarden op losse schroeven komen te staan. Inzet is de vraag of moord enigszins morele consequenties heeft. Opeens lijkt alles mogelijk, zoals eerder in het oude Rome waarin verkeersregels niet lijken te gelden, of in Londen in Match Point (2005) waarin voormalig proftennisser Chris Wilton (Jonathan Rhys Meyers) zich als Raskolnikov in Misdaad en straf boven de wet verheven voelt wanneer die besluit de oude pandjesvrouw te doden. Anders dan Dostojevski’s student in Sint-Petersburg moordt Wilton niet als een poging de maatschappij beter te maken, maar om zélf vooruit te komen. De werking van toeval zorgt ervoor dat hij vrijuit gaat.

Misdaad als redmiddel en de morele en ethische consequenties van wetsovertredingen vormen een terugkerend idee in veel van Allens films. In zijn debuut, de meesterlijke comedy Take the Money and Run (1969), beeldt Allen misdaad uit als een levensvatbare wijze van bestaan. Dat is niet verwonderlijk, want al sinds hij kon lopen werd Allen omringd door misdaad. In Brooklyn, waar hij opgroeide, was zijn familie connected, zoals dat heet. Allen: ‘Om je neer te leggen bij een betekenisloos bestaan van iedere dag de metro naar je werk nemen, veertig jaar lang: dát is geen leven. Dan maar liever misdaad.’ Deze obsessie met grensoverschrijdend gedrag kreeg later in zijn leven een wrang staartje toen bekend werd dat zijn echtgenote, actrice Mia Farrow, hem ervan beschuldigde haar dochtertje van zeven te hebben gemolesteerd. De precieze toedracht van zaken zullen we nooit weten. De zaak is inmiddels gesloten. Maar het beeld blijft: Woody Allen, ‘crimineel’.

In een van zijn beste films, Crimes and Misdemeanors (1989), ligt het leven van de succesvolle oogheelkundige Judah Rosenthal (Martin Landau) in scherven wanneer zijn ex-minnares, gespeeld door Anjelica Huston, maar weigert te accepteren dat hun relatie voorbij is en dat Judah nu weer gewoon bij zijn vrouw wil zijn. Ten einde raad wendt Judah zich tot zijn broer, een wise guy die het zaakje één-twee-drie regelt. Moord, dus. Maar dan de vraag: kan Judah leven met de morele en menselijke consequenties van het opruimen van zijn lastige lover? Judah, die als kind van zijn ouders niets anders hoorde dan dat God altijd alles ziet, denkt van niet. Tot zijn stomme verbazing lopen de dingen anders. Judah, in gesprek met de mislukte filmmaker Clifford (Allen), begint met: ‘I have a great murder story. A great plot.’ Vervolgens vertelt Judah het verhaal van de film inclusief afloop, namelijk dat de moordenaar, hijzelf, met het verstrijken van de tijd nauwelijks meer last van schuldgevoelens heeft.

De scène is misschien de belangrijkste in Allens oeuvre, omdat er onder al dat duisters een schitterend moment van optimisme is. Dat komt als Judah opstaat en vertrekt en Clifford/Allen blijft zitten. Denkt hij na over wat Judah allemaal zei? Gelooft hij het? Ik denk het niet. Ik denk dat er geen licht tussen Clifford en Allen zit, en dat wat zijn vrouw even daarvoor over hem vertelde een kern van waarheid over Woody Allen, maker en mens, bevat, namelijk: ‘Hij is een man die denkt dat hij de wereld kan veranderen. Maar al die films die hij maakt stellen niets voor.’

Het punt is dat de camera nog lang op Allen gericht blijft nadat Judah weg is gegaan. Hij zit diep na te denken, een man die alwetend is, allerminst iemand wiens films ‘niets’ voorstellen. Je zou kunnen zeggen dat hij juist met deze film de aanwezigheid van een morele autoriteit tart. Allen, en niemand anders, is de schepper. Als dat in tragedie eindigt, dan moet dat maar zo zijn. De gedachtegang, daar gaat het om. Die is wild, bevrijdend, en wat nu als zo’n levenswijze ook nog haalbaar zou zijn. Het is iets waarop Allen keer op keer terugkomt. ‘Schuld’, zegt een personage in Bullets over Broadway (1994), ‘is kleinburgerlijke onzin.’

Daarom zijn Allens films zo vertederend, zo ‘optimistisch’. Zijn personages verkennen de grenzen, ze begaan ‘overtredingen’, vooral in het recente, Europese werk waarin ze in een nieuwe setting opeens zijn losgewrikt van alle beperkingen van het oude leven. Geconfronteerd met kernvragen kunnen Allens figuren twee kanten op gaan: ze kunnen in hun reacties op de dilemma’s gewoon wat op kans spelen, zich wentelen in de opwinding van het gokken (detail: zelf is Allen een meester in het pokeren), of ze kunnen het spel naar hun hand zetten, dat wil zeggen: misdaad plegen. Dat laatste is het meest opwindend. Want dat is het punt waarop ‘mens’ overgaat in ‘god’ – de ultieme daad van transgressie.

In Irrational Man is de euforie die filosofieprofessor Abe ervaart wanneer hij de rationale werkelijkheid manipuleert, beter gezegd dénkt te manipuleren, aanstekelijk. Opeens ligt het geluk voor het oprapen, en schuld, ja dat is inderdaad iets voor kleine mensen, dat kan nooit opwegen tegen de glorie van vrij leven. Weg onzekerheid, weg nihilisme, weg lichamelijke en creatieve impotentie. En zie hoe haar ogen schitteren in de zon aan het strand bij Rhode Island: de schoonheid Lisa die veel en veel te jong voor hem is.

Wat valt Abe te verwijten? (Ik kan niet te veel verklappen, want er is moord in het spel.) Dat hij de regels van de goede smaak overtreedt? Dat hij zich ontworstelt aan alle beperkingen van moraliteit en ethiek die voor ons allemaal gelden, zodat misdaad uiteindelijk toch loont? Zeker. Immers, in de lucht hangt de magie van vrij denken, en Abe is daar net zo dronken van als die dansende verkeersregelaar in Rome. Wie zou niet met hen van plaats willen wisselen? Allen gunt ons dat. Met zijn films geeft hij ons de verboden macht om, alsof het om een criminele daad gaat, los te breken uit de bestaande kaders, om net als de filosofieprofessor en de Romeinse publieke ambtenaar te zeggen: ‘I stand up here, and I see everything. All people. I see life.’

De komedies van Woody Allen, t/m 9 september in Filmmuseum EYE, Amsterdam. eyefilm.nl. Irrational Man draait vanaf 20 augustus in de bioscoop


Beeld: Joaquin Phoenix als Abe Lucas en Parker Posey als Rita in Irrational Man.