De magische zone van Hella S. Haasse

De verbeelding was voor haar de redding van een beheerst bestaan in de zijlijn. Haar romans en verhalen waren pogingen deel te nemen aan die wereld.

Medium hh 03345839

Ik heb deze anekdote wel eens eerder opgeschreven, maar de afgelopen dagen dringt hij zich steeds op in mijn hoofd. Jaren geleden kwam na afloop van een lezing in De Balie in Amsterdam een mij onbekende heer naar me toe. Hij stelde zich voor als Jan van Lelyveld, oftewel ‘meneer Haasse’. Een vriendelijke man met een duidelijke missie.
Hij zei: 'Je moet je niet vergissen. Het uiterlijk toont niet altijd wat eronder schuilgaat.’
Een apodictische mededeling die bij mij onmiddellijk in vruchtbare bodem neerdaalde. Ik had even ervoor een groot stuk over het werk van Hella S. Haasse geschreven. De opdracht was nadrukkelijk een persoonlijk essay te schrijven waarin een gecanoniseerde auteur 'opnieuw op zijn wezenlijke merites’ beoordeeld werd. Dat klinkt omineuzer dan het bij mij uitpakte, al deed ik mijn best niet a priori met eerbied te schrijven over haar werk. Een eerbied die naarmate een auteur ouder wordt ook iets beledigends heeft.

Het resultaat van mijn inspanning viel echter niet helemaal in goede aarde. In de krant schreef een collega-criticus dat de redactie van het tijdschrift mijn stuk onmiddellijk in de prullenbak had moeten gooien. Erger vond ik het te horen dat Haasse zelf, naar ik dacht een beetje onaangenaam verrast, had gebeld met haar redacteur. Of die mij misschien kende. Dezelfde redacteur die ik overigens in het stuk aanhaalde, als zijnde degene die mij vertelde dat iedere auteur last heeft van slechte recensies en daar een tijdlang onder gebukt gaat, 'behalve zo iemand als Hella Haasse’. Voor mij was dat andermaal een teken van wat ik in dat stuk benoemde als 'haar stoïcijnse gemoed’, dat er naast intelligentie, ijver en schrijftalent voor had gezorgd dat zij als enige schrijfster de hors concours-regionen der vaderlandse letterkunde had bereikt. En ik had Oeroeg (1948) nog maar eens aangehaald als voorbeeld, haar eersteling, waarin haar voorkeur voor het kalme, soms zelfs steile, mannelijke vertelperspectief al helemaal aanwezig is.
Hoe anders was het haar schrijfsterschap vergaan als haar ik-verteller een meisje was geweest. Ze had dan zichzelf geïntroduceerd als een van de vele autobiografisch geïnspireerde schrijfsters in plaats van als een kloeke, fantasievolle mythebouwer. Maar ook was Oeroeg dan een vrouwelijke adolescentenroman geweest met zijn eigen beperkte, specifieke thematiek, in plaats van een universele, tijdloze geschiedenis van een beladen vriendschap. Tijdloos genoeg om ruim zestig jaar na oorspronkelijke verschijning groots verspreid te worden bij een nationale leescampagne, opgetuigd met een essay van een jonge zielsverwant, Abdelkader Benali, over vriendschap en cultuurverschillen.

Maar meteen ook besef ik dat dit zo'n machteloze 'wat als…’-redenering is. Want Hella S. Haasse - en nu moeten we dan toch de moed opvatten om in die hatelijke verleden tijd over haar te gaan schrijven - Hella S. Haasse was natuurlijk Hella S. Haasse omdát zij van meet af aan een ander, ogenschijnlijk verder van zich af liggend perspectief koos. Met als gevolg dat, zoals ik in dat gewraakte stuk schreef, distantie en beheersing de pijlers van haar schrijverschap werden. Wat niet betekent dat, ik zeg het nog maar eens, ik geen oog heb voor alle gistingen en woelingen in haar werk, met name haar autobiografische proza. Vorig jaar werd dit opnieuw gebundeld gepubliceerd als deel van het Verzameld Werk, onder de titel Het dieptelood van de herinnering. Zo samengebracht bleken die persoonlijke opstellen nog aan waarde te winnen: in alle omtrekkende bewegingen die observator en buitenstaander Haasse maakte, tekende zich des te sterker de kern van haar schrijverschap af dat zozeer samenviel met haar leven.
Weinig vrouwelijke auteurs zullen haar dit kunnen nazeggen. Haasse was een van de zeldzame vaderlandse schrijfsters, niet-solitair levend en niet-lesbisch, moeder bovendien, die een enorm oeuvre bijeen schreef dat alom werd en wordt gewaardeerd, en dat laatste - heel uitzonderlijk - niet alleen door haar seksegenoten. Zelf legde ze op deze uitzonderingsstatus nooit de nadruk. Evenmin voelde ze zich geroepen zich uit te spreken over groeimogelijkheden van het vrouwelijk genie in een dominant mannelijke cultuur. Haar onderzoekende geest ontsteeg het man/vrouw-niveau en leek iedere mogelijke sekse-specifieke beperking voorbij. Haar werk is nadrukkelijk niet-vrouwelijk in de traditionele zin des woords, dat wil zeggen niet-sentimenteel, niet-anekdotisch, niet-modieus en op een bepaalde manier zelfs niet-persoonlijk. Eerder bezag zij de dingen beschouwend en wijsgerig dan intiem en klein.

Des te interessanter was en is haar Zelfportret als legkaart (oorspronkelijk 1954, opgenomen in Het dieptelood) dat bedrieglijk huiselijk begint met trappelende kindervoetjes. Op onnavolgbaar zen-achtige wijze beschreef Haasse hoe het creatieve brein zich staande hield in de tredmolen van het gezinsleven, en uiteindelijk misschien zelfs garen spon bij de voortdurende herhaling - 'tot aan de grens van het onverdraaglijke toe’ - van altijd dezelfde handelingen, reacties en situaties. De jaren zeventig waarin het (vrouwelijk) narcisme in bekentenisliteratuur hoogtij zou gaan vieren, waren nog twintig jaren van hier verwijderd. In wonderlijk algemene bewoordingen, soms tegen het duistere aan, repte Haasse van de beginjaren van haar huwelijk zonder ook maar één keer de eerste persoon enkelvoud te gebruiken.
Verkende de schrijfster in dit zelfportret ook al de contouren van de roman en die van de historische roman in het bijzonder, in Persoonsbewijs (oorspronkelijk 1967) ging ze nader in op haar eigen werkwijze. Ook gaf ze een verklaring voor het feit dat haar protagonisten over het algemeen mannen zijn, zij het een nogal onbevredigende: 'In de symbolentaal van de verbeelding neemt de individuele bewustwording eerder de gestalte aan van een mannelijke dan een vrouwelijke persoonlijkheid.’ Het gevolg was dat haar vrouwelijke personages gestalte krijgen in relatie tot hun omgeving, terwijl de mannen autonome karakters zijn.

Inderdaad koos Haasse meestal in haar werk een kalm, mannelijk vertelperspectief. Vooral in haar Indische romans zijn meisjes en vrouwen slachtoffers van hun lot. Inlandse vrouwen zijn vroeg verwelkt in hun armoedige, arbeidzame en kinderrijke leven. Nederlandse vrouwen lijden aan hoofdpijn, hysterische toevallen en ongelukkige huwelijken. Weliswaar gaf de schrijfster in onder meer haar geschiedverhalen over Charlotte Sophie Bentinck en in verschillende essays blijk van betrokkenheid bij dwarse vrouwen met escapistische neigingen, die fascinatie was steevast vermengd met afkeer. Het zij zo: 'Het deel van mijzelf dat wil onderzoeken, met de rede leven, en dat dus ook - ter compensatie - geneigd is tot romantiek, verschijnt in mijn werk in de gedaante van mannelijke ik-figuren.’

In Zwanen schieten (oorspronkelijk 1997, opnieuw uitgegeven in een Verzameld Werk-editie) schetste Haasse het milieu waaruit ze voortkwam als bolstaand van de opvoedingsnormen en -voorschriften. Discretie en 'fair play’ waren uiterst belangrijk, evenals de noodzaak 'je nooit te laten gaan’. Treffend beschreef ze de groei van een buitenstaander, een dromer. Ze zag zichzelf als erfgenaam van zowel een uitgesproken sensueel temperament van de kant van haar moeders moeder, als van een instinctieve terughoudendheid van haar grootvader van vaders kant. De innerlijke strijd die hiervan het gevolg was - 'Als een van de twee - tijdelijk - overheerst, blijft de andere kalm observeren, of met uitdagend commentaar aanwezig’ - leidde tot een blokkade in het gewone leven, en was tegelijkertijd de motor achter haar schrijven. Heel mooi verbeeldde ze dit in bijvoorbeeld haar roman Cider voor arme mensen (1960). Via het verhaal van twee mensen die zich in een buitenechtelijke verhouding willen verliezen, gaat het hier om de existentiële vraag: begeef je je in de wereld, of houd je afstand? Plotseling zie je de schrijfster worstelen met die vraag.

De verbeelding was voor haar de redding van een beheerst bestaan in de zijlijn; haar romans en verhalen waren pogingen deel te nemen aan die wereld. Het ondoordringbare landschap van Java versterkte haar aangeboren aanleg tot waarnemen. 'Ik kan de werkelijkheid alleen in me opnemen door er van een afstand naar te kijken’, schreef ze in Een handvol achtergrond (oorspronkelijk 1993). 'Ik kan haar alleen weergeven, indien - en misschien juist doordat - ik er nooit dichterbij kan komen. Met Indië, Java, kon ik per definitie nooit echt één worden, maar ik kon het benaderen door waarneming.’

De schrijfster heeft meermalen te kennen gegeven dat ze niet wil dat er een biografie over haar wordt geschreven. In haar laatste interview, met deze krant, roemde ze nog het geduld van de shredder. Haar toekomstige biograaf, die ongetwijfeld toch gaat opstaan, zal het moeilijk krijgen het wezenlijke van haar schrijverschap beter onder woorden te brengen dan zij het zelf heeft gedaan. Ontroerend oprecht beschreef ze in Zwanen schieten hoezeer ze haar hele schrijvende leven bezig is geweest cirkels te trekken, verbanden te zoeken, verbindingen te leggen. Het middenstuk, een verhaal over een Australische jongen die de bush intrekt, is in zekere zin Terug naar Oeroegs geest. Weer blijft de vereniging van twee zielen, een witte en een zwarte, uit. Uit de beide autobiografische stukken eromheen worden incidenten en toevalligheden aan elkaar geregen op een vreemd troostende manier. Zo zag ze op bezoek bij haar broer in Australië het Indische leven van hun beider jeugd terug in de manier waarop hij het grillige landschap naar zijn hand zette. En ontmoette ze in Indonesië een tot dan toe onbekend nichtje, voorbode van nog veel spectaculairder nieuws: ze bleek een halfzusje te hebben, een kind van haar vader samen met een Indonesische, verwekt in de periode dat haar moeder in Zwitserland aan het kuren was. Opeens was de band des bloeds met haar geboorteland een feit.

Breed waaierde haar leven uit, om dan ook weer samengebald te worden op het stukje Prinsengracht in Amsterdam, waar ze in een latere fase van haar leven naar dochter en kleinkinderen wandelde. Hetzelfde stukje gracht waar ooit de pianomuziek van haar moeder uit een van de openstaande ramen klonk, waar zij zelf ook ooit een kamer bewoonde, haar man leerde kennen… Het was haar 'magische zone’.

Haasse’s egodocumenten laten zich lezen en herlezen, omdat de volle betekenis zich niet altijd onmiddellijk openbaart. Juist in haar afstandelijkheid toonde de schrijfster zich voor de aandachtige lezer onweerstaanbaar openhartig. Zoals ze zelf op een van de laatste bladzijden van Een handvol achtergrond met de haar typerende kalmte opmerkte: 'Ervaring heeft me geleerd dat wat aanvankelijk duister lijkt, mettertijd gewoonlijk doorzichtig wordt voor een ontvankelijke en geduldige geest.’


Hella S. Haasse, Het dieptelood van de herinnering (Verzameld Werk), Querido 2010, 395 blz., € 24,95; Zwanen schieten (Verzameld Werk), Querido 2008, 125 blz., € 17,95

Beeld: ‘Ik kan de werkelijkheid alleen in me opnemen door er van een afstand naar te kijken’ Frankrijk, juli 1988 (FLIP FRANSSEN / HH)