Oleg Tabakov als Oblomov in ‘Neskolko dney iz zhizni I. I. Oblomov’ (‘Enkele dagen uit het leven van I. I. Oblomov’) (Nikita Mikhalkov, 1980)

In de novelle In weerwil van de woorden van Dimitri Verhulst kampt hoofdpersoon Pol Verholst met een levensverwoestende fobie voor post: de Ziekte van Verholst. Enveloppen laat hij ongeopend en vernietigt hij, maar de post reïncarneert en belandt toch weer op zijn mat. Als zelfs het letterlijke opeten van de brieven niet helpt (bankafschriften met ketchup) geeft hij het op, en berust hij in de gedachte: straks komen ze me halen. Zijn elektriciteit wordt afgesloten, heerlijk, ook geen e-mails meer, en zo vinden ze hem, in een donker huis omringd door stapels enveloppen.

Pol Verholst roept herkenning op, en daarmee ook de vraag: waarom zou je bang zijn voor post? Wie een vraag heeft over de mens moet de Russen lezen, wie zei dat ook alweer? Oblomov van Ivan Gontsjarov dus, waarin brieven ook de vijand zijn. Oblomov is een geweldig boek, onder andere omdat de hoofdpersoon een voorliefde heeft voor vrouwen met dikke, bleke bovenarmen, wat zelfvertrouwen biedt nu de zomer eraan komt. Maar belangrijker dan dat is de beroemde lethargie van Ilja Iljitsj Oblomov, een verarmde aristocraat die het onmogelijk vindt om zijn huis of zelfs maar zijn bed te verlaten. Oblomov is een soort mascotte voor iedereen die niet wil doen wat ‘ze’ van hem willen, iedereen die niet wil meedoen aan de constante stroom van correspondentie. De roman begint met het openen van een brief, die hem zo’n tweehonderd bladzijden lang tot waanzin drijft. Het kost Oblomov de grootste moeite om de brief in een keer te lezen, laat staan om er een antwoord op te schrijven. Dagenlang probeert hij de brief te negeren, maar hij blijft opduiken in de plooien van zijn kamerjas. Als zijn vrienden hem aansporen om zijn brieven te beantwoorden, en kranten en boeken te lezen, en aanwezig te zijn op feesten, vraagt Oblomov zich af: ‘Wanneer moet ik dan leven, wanneer moet ik dan leven?’

De gevreesde post van Verholst en Oblomov vertaalt zich inmiddels naar e-mails, appjes en berichten op Slack, maar het gebrek aan papier heeft de ziekte zo mogelijk alleen maar verergerd. Een digitaal bericht is zo getypt, en wat zo’n bericht van je wil kost meestal honderd keer meer tijd dan het duurde om het sturen. Ieder bericht is een potentiële helmknop, die bij de geringste aanraking openbarst en stuifmeelkorrels van productiviteit over je heen lanceert. Bah, nu moet ik hier weer iets mee. Zo kwam het dat ik in een periode van studiepaniek een maand lang niet de inbox van mijn universiteit durfde te openen. Waarom? Uit angst voor mails met berispingen, of woorden als ‘per ommegaande’ of ‘uiterlijke termijn’, mails die iets van me zouden verlangen of me zouden wijzen op een falen. Uiteindelijk werd het openmaken van de mails enger dan welke mogelijke inhoud dan ook. Zelfs het bericht dat het collegegeld voortaan in beenmerg moest worden betaald zou een opluchting zijn geweest. Maar de inbox bleef dicht.

Oblomov heeft een frisse, hardwerkende jeugdvriend, Andrej Stolz, die in tegenstelling tot Oblomov een ‘nooit aflatende controle over zijn tijd, zijn energie, zijn geest en zijn zielskracht’ heeft. Ik heb precies zo’n montere jeugdvriend in mijn huis wonen, en hij bestaat toevallig net als Stolz uit ‘louter beenderen, spieren en zenuwen’. Grappig hoe dat gaat. Stolz leest de brief die Oblomov al dagen kwelt in een halve minuut, en begint meteen lachend allerlei dingen te ondernemen. Mijn eigen Stolz stond achter me en las voor mij toen ik, met mijn hand voor mijn ogen, mijn inbox eindelijk opende. ‘Oooh’, zei hij. ‘Joh. Is dat het?’

Wat is postangst? Is het een psychologische aandoening die verholpen moet worden, zoals de Ziekte van Verholst? Is het gewoon wat Stolz ‘oblomovisme’ noemt, de indolentie van een verwende aristocraat, of is er iets fundamentelers aan de hand? Los van mensen met schulden, wier postangst terecht en begrijpelijk is, hebben we allemaal wel eens een irrationele angst voor notificaties. Elke keer die kleine hartklopping bij het mailgeluid, die pas ophoudt als het goddank alleen maar een paasgroet van broodroostershop.nl blijkt te zijn.

Journalist Sanne Blauw, beslist meer een Stolz dan een Oblomov, beschrijft deze week in een artikel op De Correspondent dat ze overweldigd is geraakt door de hoeveelheid correspondentie die haar werk van haar vergt. Mails, reacties onder haar stukken, artikelen van collega’s, goedbedoelde en kwaadbedoelde berichten, te veel om met aandacht op te reageren, te veel om summier op te reageren, zelfs te veel om te lezen. Wie die stroom nog probeert in bedwang te houden verliest alle tijd om te na te denken en te schrijven. Oblomov vroeg: wanneer moet ik dan leven? Sanne Blauw vraagt: Wanneer moet ik dan werken? Van de weeromstuit is ze een Verholst geworden, een Oblomov, al noemt zij het een Negeerder: iemand die gewoon doet alsof de post niet bestaat.

Pol Verholst was niet altijd bang voor post. Toen zijn vader, die postbode was, nog leefde, kon je in de bus nog wel eens een brief van een oude vriend verwachten, of van een nieuwe liefde. Maar dat is tegenwoordig verdwenen: ‘Brieven bestonden namelijk niet meer. Wie schreef ze nog? Er was alleen nog post.’ Wat is post, als het geen brieven zijn? Post: betaalherinneringen, berichten van de gemeente, reclame. Sanne Blauw wijst ook op het sociale niemandsland waar mails en korte berichten in vallen, net geen afzondering en net geen samenzijn, waardoor ze niet de verbindende sociale functie hebben van een brief. Post: tweets, mails, reacties. En er moet een antwoord op komen, nu meteen. Post heeft alles te maken met tijd, urgentie, actie. Goed, in de tijd van die Russen was er ook post; de brieven die Oblomov krijgt zijn niet veel beter dan mails. Op maar een moment wordt Oblomov uit zijn verlamming gehaald: wanneer hij verliefd is. Dan schrijft hij plotseling probleemloos lange brieven, ‘gelieven zijn nu eenmaal lang van stof’, en wacht hij zelfs gespannen op de postbode. Misschien is dat het. In post staat tegenwoordig zelden gewoon iets liefs of iets moois. Een lange zin, een ingewikkelde gedachte waar traag op gereageerd mag worden, een natuurbeschrijving of een verklaring van liefde.

Een belangrijke vraag heb ik onbeantwoord gelaten over het boekje van Verhulst. Wie zijn toch die ‘ze’ in ‘ze komen me halen’? Op wiens straf zit Pol te wachten, tussen zijn enveloppen? Wie komen ons halen als we niet meer meedoen, de computer uitzetten, nooit meer uit bed komen, de brievenbus dichttimmeren, onze post opeten? Pol Verholst wordt uiteindelijk gehaald door een vleesgeworden versie van zijn angst, een vage collectie aan autoriteiten, deurwaarders en psychiaters. En bij Oblomov staan de mensen wiens post hij niet beantwoordt doodleuk op de stoep. Aan wie denk ik als ik mijn inbox niet in durf? Wat hangt mij nou precies boven het hoofd? ‘Ze’, dat zijn de anderen, die in hun onschuld gewoon een mailtje hebben geschreven, om iets ‘over de schutting te gooien’, een korte mededeling te doen of graag z.s.m. een antwoord te ontvangen, niet wetend wat ze teweegbrengen.

Wat is de oplossing? Toch weer lange brieven gaan schrijven, lieve brieven over zomaar iets, ja, maar ik maak me geen illusies dat iemand daar nog op zit te wachten. Berichten dan maar ongeopend of onbeantwoord laten, als daad van verzet? Verzet heeft geen zin, we zijn het uiteindelijk allemaal die elkaar komen halen. Post kruipt waar het niet gaan kan: het artikel van Sanne Blauw heeft inmiddels driehonderd reacties. Er is geen ontsnappen aan post, betoogt Verhulst, wat je ook probeert. ‘Post, geloof me, houdt vol. Het is een strijd die je verliest.’