Essay: Op weg naar een moderne staat

De Maleisische Verlichting

Maleisië, het meest rekkelijke aller moslimlanden, moet in 2020 geheel ontwikkeld zijn. Het land, met zijn redelijk vreedzaam samenlevende minderheden, is aardig op weg. Het beste bewijs daarvoor zijn de problemen: moord, milieuvervuiling en corruptie.

Verraden voelde dr. Mahathir Mohamad zich in 1999 na het zien van Sean Connery’s film Entrapment. De toen malige premier van Maleisië had alle medewerking verleend aan de deels in Kuala Lumpur spelende film, en wat had de Schot gedaan? De in ploegendiensten onderhouden stadsparken en winkelcentra aan de voet van de 88 verdiepingen tellende Petronas Towers door middel van trucage vervangen door een achterstandskampong en een modderige rivier! De woede van Mahathir was niet onbegrijpelijk: binnen een kleine kwart eeuw had de autocraat zijn land, het stedelijke deel althans, van de Derde Wereld naar de drempel van de Eerste Wereld gedirigeerd.

Toch weet de bezoeker van het Renaissance-hotel dat Connery niet helemaal bezijden de waarheid zat. Aan de ene zijde kijkt hij op tegen de twee gaudiaanse torens, aan de andere kant (de kant van Mekka, zoals het pijltje op het plafond aangeeft) kijkt hij neer op de golfplaten daken van het laatste restje authentiek Maleisië in de binnenstad, Kampung Baru, waar de bewoners ooit illegaal huizen hebben neergezet, profiteerden van het gedoogbeleid en tot op de dag van vandaag geen huur hoeven te betalen. De bulldozers staan echter al in slagorde opgesteld om een nieuwe etappe af te leggen in de Visie 2020, het jaar waarin Maleisië geheel ontwikkeld moet zijn. De enthousiaste sprong voorwaarts gaat wel gepaard met de nodige nevenschade, iets waar Mahathirs opvolger Abdullah Badawi thans mee kampt.

Mahathir, alias Dr. M., mag dan de geschiedenis ingaan als de vader van het moderne Maleisië; het zijn de Indiërs en vooral de Chinezen die het land op sleeptouw hebben genomen. Ten tijde van het Britse bestuur, waaraan in 1957 een einde kwam, waren het de Chinezen die afdaalden in de tinmijnen en de gastarbeiders uit Zuid-India — voor het grootste deel Tamils — die op de berghellingen in de rubber en de thee werkten. De oorspronkelijke bevolking, de islamitische Maleiers, gaf de voorkeur aan de ontspannen en autarkische levensvervulling als visser of desnoods dompteur van apen, die kokosnoten naar beneden kunnen halen. Wat dit betreft bleken Lao-Tse en Confucius dichter bij de Maleise dan bij de Chinese cultuur te staan. Op deze manier kwam de economische macht van het land vrijwel geheel in handen van de minderheden te liggen, maar een politieke stem bezaten de «nieuwe rijken» niet. Na de onafhankelijkheid kregen ze die, op voorwaarde dat de Maleiers mee mochten profiteren in de economische voorspoed.

Met deze bumiputra-politiek — in het Sanskriet staat «bumiputra» voor «prins van het land» — werd de positieve discriminatie geboren. Bedrijven moeten tot op de dag van vandaag een bepaald percentage Maleiers in dienst nemen. Maleiers krijgen een korting van tien procent bij het kopen van een woning. En een Chinees of Indiër die wil gaan studeren dient buitengewone talenten te bezitten.

Mahathir had de logica achter deze affirmative action — rechtsongelijkheid als prijs voor stabiliteit — uitgelegd in het boek The Malay Dilemma (1970). De houdbaarheidsdatum van deze voorkeurspolitiek lijkt inmiddels verlopen te zijn. En soms averechts te werken. Min of meer gedwongen gaan jonge Chinezen en Indiërs bijvoorbeeld, zodra het financieel mogelijk is, studeren op Amerikaanse en Britse universiteiten. Maleisiërs vormen zelfs de op één na grootste groep buitenlandse studenten in het Verenigd Koninkrijk. Velen onder hen keren met accountantstitel en werkervaring weer terug naar Maleisië.

In zijn afscheidsrede, die wegens de antisemitische toon een diplomatiek debacle was, deed Mahathir vorig jaar een oproep aan de Maleise meerderheid van de bevolking om harder te werken en daarbij de joden in de rest van de wereld (in Maleisië zelf komen de inwoners van het Beloofde Land niet langs de Immigresi) alsmede de Chinezen in eigen land als inspiratiebron te nemen. Het was een voorzetje voor Badawi, bijgenaamd Pak Lah (Oompje Abdullah), die de bumi’s lang zamerhand op eigen benen wil laten staan.

De Chinezen (ruim dertig procent van de twintig miljoen inwoners) en de Indiërs (een kleine tien procent) zien het gelaten aan. Zij hebben zich al lang neergelegd bij hun plaats in de samenleving die naar buiten toe wordt gepresenteerd als multicultureel paradijs. Er wordt gegniffeld wanneer een Maleise collega weer eens een vrijdagmiddag biddend (en aansluitend slapend) in de moskee doorbrengt, gegniffeld over de gekozen koning die, niet verder vertellen, in een Chinees paleis woont; over het feit dat het toeristische bergoord Cameron Highlands in Indiaas/Chinese handen is; dat ook Maleiers het liefst kijken naar Bollywood-films en dat de Petronas Towers eigendom zijn van de Maleis-Indiase miljardair Ananda Krishnan, «AK» voor zijn bewonderaars. En niet te vergeten: er wordt gegniffeld dat Mahathir zelf Indiaas bloed zou hebben. Dat is niet vreemd, want hij komt van oorsprong uit Kedah, een gebied aan de grens met Thailand dat tot in de vierde eeuw na Christus een hindoestaans koninkrijkje was.

Op de amok tussen Maleiers en Chinezen in 1969 na leven de verschillende bevolkingsgroepen, anders dan in buurland Indonesië, vreedzaam samen. Wat de bevolkingsgroepen bijeenhoudt is een collectief streven naar welvaart, in casu een gevulde maag — er wordt veel pret gemaakt over de omnivoriteit der Chinezen: als Adam en Eva Chinezen waren geweest, luidt een grap, had de wereld er beter uitgezien, ze zouden immers niet de appel maar de slang hebben opgegeten —, naar genoeg rijstroken, vrijheid van religie, voetbal op televisie (je kunt het hele etmaal naar wedstrijden als Everton-Manchester United en Paraguay-Costa Rica kijken, begeleid door een Maleise commentator die niet zou misstaan als omroeper van haltes in de monorail), naar uitstekende gezondheidszorg zonder wachtlijsten (alhoewel het academisch ziekenhuis slecht bekend staat) en naar een extreem laag belastingtarief.

Maleisië is een blij land. Iedereen viert Chinees nieuwjaar, het Suikerfeest, Diwali en Pasen, al mogen alleen christenen The Passion of the Christ zien. Het politieke debat speelt zich meer af aan de keukentafel dan in de kranten, die traditioneel regeringsgezind zijn. Met de «S» van Suara (stem) en de «TAR» van Tunku Abdul Rahman verwijst de Star naar de eerste premier van Maleisië. De belangrijkste kranten zijn nog altijd Engelstalig. Maar waar Engels lange tijd de belangrijkste taal van het land was, daar werd na 1957 Maleis de voertaal. Engelse woorden kregen een eigen uitspraak en spelling: «taxi» werd teksi, «bicycle» basikal en «counter» kaunter.

Mahathir heeft de nationale eenheid ook getracht te bewaren door megalomane projecten, die nogal eens ten koste gingen van flora en fauna. In het heetst van de strijd met Singapore moest een jungle plaatsmaken voor een immense luchthaven, ontworpen door een Japanner. Door de verliezen is de luchthavenbelasting dermate opgelopen dat sommige maatschappijen dreigen uit te wijken naar, uitgerekend, Singapore. Iets verderop ligt een formule-1-racebaan, de nieuwe administratieve hoofdstad Putrajaya en een eigen Silicon Valley: Cyberjaya (jaya, voor alle duidelijkheid, betekent overwinning). Tussen de kampongs, wolkenkrabbers en Victoriaanse restanten van het Britse wereldrijk, spoken incluis, verrezen tal van sportstadions voor de Gemenebestspelen van 1998, waar het gastland tien gouden medailles won, al weet bijna niemand zich meer precies te herinneren waarin. Zelfs de blijmoedige toergids van de KL Tower, de Euromast van Kuala Lumpur waar buitenlanders tegen dubbel tarief in mogen, moest toegeven dat winkelen de favoriete sportieve bezigheid van de bevolking is, op enige afstand gevolgd door badminton, hockey en vogelzangwedstrijden. Er wordt ook gevoetbald. Onlangs won het nationale team de beladen derby tegen Singapore, waarna de Engelse provincieclub Norwich City te sterk bleek, maar het niveau is volgens Indiase voetbalkenners drastisch gedaald nadat het quotum Maleiers werd vergroot.

Een andere klassieke manier om de nationale eenheid te bevorderen werd door Mahathir evenmin onbenut gelaten: ruzie maken met het buitenland. Met Indonesië en de Filippijnen is de relatie belabberd sinds Maleisië het grootste deel van het eiland Borneo, waar de veelal christelijke oer-Maleiers wonen, in de schoot kreeg geworpen; Bill Gates krijgt er een hartelijker welkom dan George Bush junior of de afgevaardigden van de Wereldbank. Het sterk pro-Amerikaanse Singapore is een rivaal sinds deze stadstaat zich in 1965 afscheidde en de betrekkingen met Thailand staan onder druk omdat Maleisië onderdak zou bieden aan moslimrebellen. Met China is de relatie evenmin glorieus en met India brak er eerder dit jaar een rel uit nadat de Maleise politie zonder verdenking een aantal Indiase computerdeskundigen arresteerde. Alleen Japan is een bondgenoot door dik en dun, zeker sinds de Look East-strategie van Mahathir, die hiermee veel Japanse investeringen binnenhaalde.

Als ex-minister van Buitenlandse Zaken wil rasdiplomaat premier Badawi een einde maken aan de rebelse politiek van zijn voorganger. Onlangs is hij op bezoek geweest bij Bush en Blair om te praten over de rol die zijn land kan spelen in de strijd tegen het terrorisme. Mogelijk geeft Maleisië de Amerikanen alsnog toestemming om met marineschepen rond te dobberen in de Straat van Malakka.

Maar het beste bewijs dat Maleisië een modern land aan het worden is, zijn de problemen. Dagelijks maken de kranten gewag van moord, doodslag en verkrachting. Er staat zelfs al een normen-en-waarden-conferentie op de agenda. Onlangs werd een Chinese jongen het slachtoffer van zinloos geweld, een zaak die in de pers breed werd uitgemeten omdat een zoon van een veiligheidsminister als getuige, of misschien als medeplichtige, bij de zaak betrokken was. Een feit dat zo mogelijk nog prominenter werd vermeld, was dat de moordenaars allen van Thaise komaf waren, hetgeen leidde tot een hernieuwde roep om immigratie te stoppen. Vooral Indonesiërs, de grootste groep hedendaagse immigranten, vormen een geliefde zondebok. En niet alleen waar het gaat om criminaliteit. Dat al die prestigeobjecten kapitalen hebben gekost, is geen punt geweest. Probleem was dat het loon van de gastarbeiders voor het grootste deel werd besteed in de landen van herkomst. De nieuwe regering wil sowieso af van het grote bouwen en liever ook van de gastarbeiders.

Met terugwerkende kracht wordt de schuld van al het ongemak richting Mahathir geschoven. Begin juli publiceerde de Maleisische krant The New Straits Times een lijst namen van politici van wie de bevolking een afkeer heeft. Na de usual suspects — George Bush junior, Ariel Sharon, Tony Blair, Saddam Hoessein, de Thaise premier Thaksin Shinawatra en zijn Indonesische ambtgenote Megawati Soekarnoputri — dook de naam van Mahathir op. Premier Badawi moet dit sentiment hebben aangevoeld toen hij de parlementsverkiezingen plande op de dag van de formule-1-wedstrijd. Mahathir hield van snelle voertuigen, net als een groot deel van de bevolking.

Een andere schaduwzijde van de moderniteit is de milieuvervuiling. Deels komt dit probleem aangewaaid omdat Indonesië laks optreedt tegen boeren die de regenwouden op gezette tijden in een vuurzee veranderen. Olifanten zijn mede hierdoor zoveel territoria kwijtgeraakt dat de Maleisische overheid nabij het Nationale Park een soort Pieterburen voor olifanten heeft aangelegd. In Maleisië zelf zijn het vooral de industrie en het massale, nog niet geheel loodvrije verkeer die bijdragen tot zure moessonregens. Veel populairder dan de futuristische metro is namelijk de Proton. Omdat buitenlandse auto’s zwaar belast worden, rijdt het merendeel van de inwoners in deze degelijke Mitsubishi-kloon. In het centrum van Kuala Lumpur is het elk uur van de dag spits, het effect van de vierbaans, soms dubbeldeks, autowegen die naar het centrum van deze voormalige mijnwerkersstad leiden. In het weekeinde trekken de stedelingen naar familieleden die in de heuvels zijn achtergebleven. Rotondes, een Britse erfenis, blijken niet te zijn berekend op het Maleisische verkeer, waarin het verschil tussen voorrang hebben en krijgen onoverbrugbaar is. Een postmodern fenomeen als carpoolen is onbekend, al rijden er veel arbeidersbusjes rond, die zoveel rook produceren dat het lijkt alsof de inzittenden ook de fabrieksschoorsteen mee naar huis nemen.

Door de rookwalmen heen zijn, ingeklemd tussen de levensgrote reclameborden van Sharp, Sony en Samsung, tegenwoordig ook borden zichtbaar waarop de overheid de burgers maant tot hergebruik. Tot nu toe beperkt het recyclingoffensief zich tot het oprapen van blikjes die bij de ijzerboer de nodige ringgits (in het dagelijkse taalgebruik dollars genoemd) opleveren, evenals putdeksels en verkeersborden overigens.

Meer in het kader van de werkverschaffing en het imago naar de buitenwereld wordt de binnenstad van Kuala Lumpur puik onderhouden. Schoorvoetend schoffelen de hoveniers zich hun weg naar de buitenwijken, waar het gras veelal bedekt ligt onder de autobanden, brommerhelmen en lege pakken mineraalwater, vooral in de buurt van de kampongs die principieel worden overgeslagen door de vuilnismannen. Afgelopen decennia zijn veel stadskampongs — om te beginnen de Indiase en de Chinese — met de grond gelijk gemaakt waarna de bewoners, vaker morrend dan jubelend, werden geherhuisvest in betondorpen op stelten die zwart uitslaan door het vocht. In ieder geval komt er wel een vuilniswagen langsrijden, tenzij de aannemer er met het geld, doch zonder de vuilnis, vandoor is gegaan.

Dat laatste raakt het hart van Badawi’s Negende Maleisië Plan: het bestrijden van de corruptie bij de overheid, waar vrijwel alleen Maleiers werken. Wat jarenlang werd ontkend door de politieke leiders, is nu agendapunt nummer één. Voor ambtenaren vormde het een welkome aanvulling op hun schamele salaris. Wanneer een bedrijf als Siemens toestemming voor de bouw van een krachtcentrale wil hebben, zal het de cruciale ambtenaren, en hun vrouwen, moeten trakteren op een «werkvakantie» in Duitsland, een verblijf in Garmisch-Partenkirchen inbegrepen. Voor de etnische minderheden vormt deze corruptie een bewijs dat hun Maleise landgenoten zonder hard werken geld willen verdienen.

Badawi heeft het inmiddels aangedurfd om enkele ministers te ontslaan, hetgeen voor beroering heeft gezorgd binnen zijn partij. Wat er precies binnen de regeringspaleizen van Putrajaya gebeurt, weet echter geen buitenstaander, ook al geven de kleine berichten — hoe groter het nieuws, hoe kleiner het bericht, lijkt de redactionele strategie — in The New Straits Times soms hints. Zodra de machtsstrijd naar buiten komt, is het meteen spectaculair, zoals zes jaar geleden, toen vice- premier Anwar Ibrahim te gevaarlijk werd voor Mahathir en achter de tralies verdween, onder meer wegens sodomie. Met name in het buitenland leidde dit tot protesten. Veel Chinezen en Indiërs reageerden laconiek omdat Ibrahim in zijn wilde jaren als fanatiek moslim en studentenleider een belangrijk aandeel had in de islamisering van het onderwijs.

De gevaarlijkste tegenstander van Badawi is de fundamentalistische Parti Islam Se Malaysia, die vooral in de noordoostelijke sultanaten veel aanhang heeft, een fanatieke aanhang bovendien, getuige de vele groene vlaggen met een witte stip. De afgelopen jaren heeft deze partij er regelmatig voor gezorgd dat Maleisië het wereldnieuws haalde, meestal tot schaamte van de centrale regering. Er ver schenen berichten over dieven wier ledematen gevaar liepen, over vrouwen die hun hoofddoekjes strakker moesten dragen en over mannen voor wie de echt scheidingsprocedure werd vereenvoudigd tot het versturen van een sms’je.

De afkeer van het vrijzinnig islamitische regime werd versterkt doordat Mahathir de lokale overheden geen zeggenschap gaf over hun eigen olievoorraden. Als blijk van tegemoetkoming heeft Badawi, die in tegenstelling tot Mahathir in het Arabisch uit de koran kan citeren, de «olie» teruggegeven. Bij de afgelopen verkiezingen verloor de Parti Islam Se Malaysia veel stemmen, dit tot vreugde elders in Maleisië, waar de olijk gekleurde hoofddoekjes losjes om de hoofden van de moslima’s hangen. Daar hebben ze al genoeg aan die tienduizenden Saoedi’s die jaarlijks afkomen op het consumptiepaleis Suria onder de Petronas Towers. Het geld dat ze meebrengen is meer dan welkom, maar aan burqa’s, wel handig tegen de muggen, kunnen de bewoners van dit meest rekkelijke aller moslimlanden slecht wennen. Net als kampongs en steekpenningen passen ze niet in de Maleise Verlichting.