De Malinezen moeten niets hebben van anti-homoretoriek

Bamako – Het grootste stadion van Mali zat vorige maand mudvol. Zestigduizend bezoekers: mannen beneden op het veld, vrouwen op een aparte tribune. Er gebeurde iets bijzonders: een bidbijeenkomst voor vrede en sociale cohesie in dit veelgeplaagde land. De organisatie was in handen van de Hoge Islamitische Raad van Mali (hirm) en de voorzitter van die Raad, Mahmoud Dicko, was de hoofdspreker. Zijn boodschap: er is te veel corruptie, er moet een einde komen aan de onveiligheid, het bestuur moet beter. Instemming alom.

En dan was er nog het probleem van de homoseksualiteit. Dicko wil die bij wet verboden zien. Dat zit zo: in 2018 was een programma in voorbereiding, ondersteund met Nederlands geld, dat seksueel onderwijs zou introduceren op middelbare scholen. Religieuze leiders vertaalden dat in: ‘ze’ gaan propaganda maken voor homoseksualiteit. Tot overmaat van ramp werd op 19 januari dit jaar een prominente imam en vriend van Dicko bij het verlaten van zijn moskee doodgestoken. Dat was, suggereerde de hirm, omdat hij zich tegen homoseksualiteit had uitgesproken. De retorische trukendoos kon open: de regering laat zich ringeloren door het Westen en zijn pro-homobeleid en wie zich daartegen uitspreekt vindt de dood.

Mali is een zeer religieus land. Elk jaar vertrekken zo’n dertienduizend Malinezen naar Mekka, een reis die minstens vierduizend euro kost. Conservatief is men ook en zeker niet geporteerd van het soort seksueel onderwijs dat Nederland wilde helpen verspreiden. lhbti’ers hebben veelvuldig last van intimidatie en fysiek geweld. Het seksonderwijsprogramma ligt inmiddels te verstoffen in een bureaula.

En toch viel de verklaring van de hirm in verkeerde aarde. Want, zo redeneren de inwoners van Bamako, die steekpartij had helemaal niets met seksualiteit te maken. Het was een afrekening in verband met een ordinaire geldkwestie. Malinezen zien met lede ogen hun moskeeën veranderen in dubieuze zakencentra. En alsof de duvel ermee speelde werd één dag na de stadionbijeenkomst een naaste medewerker van alweer een imam opgepakt – wegens het illegaal fabriceren van wapens.

In het stadion overspeelde Dicko zijn hand toen hij vroeg om het ontslag van premier Soumeylou Boubeye Maïga. Deze reageerde laconiek en noemde de hele bidbijeenkomst ‘theater’. Maïga weet dat hij daarmee scoort. Politiek bedrijven vervult Malinezen met weerzin; het is iets waar religieuze leiders zich niet mee moeten inlaten. Ook dat had Dicko kunnen weten: vorig jaar negeerde het electoraat zijn stemadvies tegen president Ibrahim Boubacar Keita, die prompt herkozen werd.