Jean-Philippe Rameau

De man die alles mooi maakt

Bach hakt op je in met diepte, dichtheid, God. Tijdgenoot Jean-Philippe Rameau blijft galant, volmaakt in twee dimensies. Hij is dé meesterdecorateur van de achttiende eeuw.

Toen Menno ter Braak de gedichten van J.H. Leopold als sierpoëzie betitelde, was dat niet louter vals bedoeld. Er stak een veelbetekenende depreciatie in zijn these dat de sierdichter, ‘terwijl hij dicht, de taal nooit gebruikt als middel tot overbrenging van gedachten (begrippen) en gevoelens buiten een ceremonieel om’. Hij voegde daaraan toe: ‘Deze menschen drukken hun gevoelens dus niet uit op de wijze van de mededeeling, maar zij doen een beroep op alle functies van de taal, die buiten de mededeeling liggen: de beeldende, de muzikale, de associatieve functies, kortom op alle eigenschappen van de taal, die haar tot een ceremonieele handeling tusschen menschen maken.’

Met de muziek van de Franse meester Jean-Philippe Rameau (1683-1764) is iets vergelijkbaars aan de hand. In het citaat ligt bijna een definitie van zijn werk besloten. Ook hij is niet van de gedachten, voor zover muziek vóór Beethoven daarover gaat. Hij mist de religieuze ernst van zijn grootste tijdgenoot Bach. Geestelijke muziek schrijft hij trouwens nauwelijks. Rameau is voor-psychologische atmosfeer, het schone. Hij is een meesterdecorateur, de man die alles mooi maakt, het droevige en het uitbundige.

Frans aan hem is dat hij schilder is, barok dat hij het is van taferelen, stemmige tableaus. De orkestsuites naar zijn grote theaterwerken – Les Indes galantes, Dardanus, Les Boréades, Castor et Pollux, Naïs, Zaïs – zijn divertissement op het hoogste plan. Ketens van dansen, hoofs maar niet week, elegant, elegisch, licht sentimenteel, soms beethoveniaans weerbarstig, altijd met de okerachtige mellowness die in de lage stemming van Frans Brüggens Orkest van de Achttiende Eeuw mooi herfstig kleurt. Zijn tinten zijn schaduw­tinten. Okergeel. Donkerrood. Zachtgroen, met iets van herfst. Nachtblauw. Het bruin gepolitoerd, mat­glanzende noten. Hij heeft een wonderlijk talent voor klank. Het is een merkwaardige gewaarwording hoe fluiten bij Rameau tegelijkertijd hol en vol klinken, als zware schimmen in een helle grot, met de onmeetbare nabijheid van het vreemde dat Adorno als ‘das Andere’ benoemde, een spanning die van buiten de muziek afkomstig lijkt – ze zuchten ver. Met elegante precisie tekent hij sferen die je bijna een naam zou kunnen geven. Soms zit de duiding van hun kern al in de titels. Een Gavotte gracieuse is de gratie zelf, een ritournelle tendre (Castor et Pollux) de klinkende incarnatie van tederheid, de Entrée pour les guerriers in Dardanus (‘majestueusement’) die van trots, van echte majesteit. Alles wordt vatbaar, gewichtloos precies. In de Air pour le soleil et les heures in Castor et Pollux schijnt een lichtakkoord net zo lichtgevend als in de Air pour l’adoration du soleil in Les Indes galantes, met een op de koelte afgedwongen eerste ochtendwarmte in de fluiten. Die air is een air omdat er lucht klinkt, warme, zachte lucht met ruimte voor de brede adem.

Er staat één op één wat er staat, met alle krullen in proportie, feilloos ceremonieel. Er is niets dubbelzinnig aan. Je gaat je afvragen wat diepte is. Als diepte inhoudt dat er onderlagen zijn, zou je Rameau oppervlakkig moeten noemen. Maar dat is nu net het moeilijke aan hem. Rameau gaat tot het merg, zij het niet met diepte. Hij verinnerlijkt de beeldende buiten­kant, dat moet het zijn. Hij tekent omtrekken zo scherp dat je hun hele inhoud voor je ziet. Op die paradox rust zijn aantrekkings­kracht. Hij kan met twee dimensies toe. Zijn tederheid is alles wat het du moment kan zijn, totale zachtheid. Het is dat ene gevoel in de volmaakte vorm. En omdat dat psychologisch niet plausibel is, een gevoel komt immers nooit alleen, lijkt de geconstrueerde echtheid nep. Dat kan het zijn, maar zo moet je niet naar hem luisteren. Je moet hem geloven. Zijn kunst is echte kunst, een meesterlijke fictie die als complement jouw echtheid nodig heeft om compleet te worden. Hij laat je niet zoeken, dat scheelt. Maar je wist niet half dat eenvoud zo complex kon zijn. Het maakt hem tot een zeer moeilijk geval.

In het ja-maar-tijdperk, waarin de kritische reflectie de gewone bewondering buiten de orde heeft geplaatst, is de persoonlijkheidsstructuur van Rameau niet ontsnapt aan de aandacht van zijn biografen. Je leest dat hij geen fijne vent moet zijn geweest: gierig, onhebbelijke en asociaal. Of het geen afweer was tegen de grofheid van de medemens vermeldt de geschiedenis niet, maar je sluit het niet uit. Ik wil hem net zo onbevlekt ontvangen als hij tot me kwam. De tederheid kan bij een slecht mens de wreed kokette compensatie zijn, zoals de dierenliefde van Hitler, maar het gehoor herkent onzuiverheid. Wagner is vol tederheid en er steekt geen zachtheid in, het is gespeelde weekheid, verstikking van kleine gevoelens in een veel te grote jas.

Jacques Aved schilderde bij leven zijn portret. De componist bespeelt een strijk­instrument. Opmerkelijk is de onbenoembare gelaatsuitdrukking van de speler: vitaal maar licht smachtend. Hij lijkt te zingen, de mond is haast glimlach, maar zijn ogen staan droef.

Dat moet hem zijn, want zo is de muziek. Op het punt van breken. Je zegt ‘hartverscheurend’, maar dat is wat Rameau in jou verscheurt. Hij voert je naar die drempel en danst in zijn barokstijl voort, half lachend, half wenend – van bourrée naar sarabande, van passepied naar rigaudon. Maar hij heeft je zien huilen. In de slotakkoorden van Ritournelle pour des Incas du Pérou uit Les Indes galantes ziet hij kortstondig huiverend naar je om met de blik van Aved, een man die eigenlijk geen slachtoffers had willen maken. Dan verdwijnt hij als een haas door de achterdeur, jou achterlatend. Hij vermoedt wat hij aanricht, hij heeft het erom gedaan, maar hij wil het niet zien, hij wil discreet blijven en dansen, hoffelijk. Opmerkelijk is dat je iemand hoort met een modern gevoelsleven, iemand die dingen weet, net als Mozart, ook iemand waar je nooit geheel de vinger op kunt leggen. Het is curieus om dit te zeggen van een componist over wiens eerste veertig levensjaren nauwelijks iets bekend is. Wat heeft hij gezien, gevoeld, gedacht, gelezen? Dat het veel is hoor je.

Rameau wordt in Dijon geboren als zoon van een organist. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader, die hem leert spelen voor hij kan lezen en schrijven. Hij gaat school bij de Jezuïeten, wat geen succes is, en verblijft enige tijd in Italië, om in 1702 te landen als organist in Clermont-Ferrand. In 1706 duikt hij voor het eerst als organist in Parijs op en verschijnt zijn eerste bundel klavierwerken, het Premier livre de pièces de clavecin, maar in 1709 is hij terug in Dijon, waar hij zijn vader opvolgt als organist van de Notre Dame. Onrustige natuur: in 1713 is hij in Lyon, in 1715 terug in de kathedraal van Clermont, waar hem een contract voor 29 jaar wordt aangeboden, een termijn die hij bij lange na niet vol zal maken. In 1722 is hij weer in Parijs, om er de rest van zijn leven te blijven. Dat jaar is een keerpunt. In de Franse hoofdstad verschijnt zijn standaardwerk Traité de l’Harmonie, dat de organist in één klap beroemd zal maken als theoreticus van de klassiek­-romantische tonaliteit. Zijn boek is een wake-up call voor iedereen die meende dat het oude contrapunt en de becijferde bas voor eeuwig waren. Rameau, die trouwens prachtige fuga’s schrijft, leert zijn gehoor harmonisch denken, verticaal. Zijn biograaf Thomas Christensen: ‘Eén woord moet geschoolde Franse muzikanten in 1722 onmiddellijk zijn opgevallen: harmonie. Voor het eerst werd harmonie beschouwd als een volwaardige compositie­discipline, los van contrapunt.

Hij is dan verre van uitgeschreven. In 1726 volgt zijn Nouveau système de musique theoretique, in 1732 zijn Dissertation sur les différentes méthodes d’accompagnement pour le clavecin, ou pour l’orgue. Begin jaren dertig heeft hij in Parijs ook weer een organistenpost gevonden, met veel moeite. Toch wil hij speler noch geleerde zijn, hij acht zichzelf geboren voor het muziektheater. In 1723 levert hij al losse bijdragen aan een komedie, maar pas tien jaar later componeert hij zijn eerste opera, Hippolyte et Aricie, die hem net als zijn harmonieleer per direct tot cause célèbre maakt. De na de vuurdoop opvlammende strijd tussen zijn aanhangers en die van Rameau’s grote voorganger Jean-Baptiste Lully, die hem een radicale ­idioot en verloochenaar van Frans theatererfgoed vinden, leidt tot een botsing van lullisten en ramisten. Zijn opmars is niet meer te stuiten. In 1735 volgt het opera-ballet Les Indes galantes, in 1739 de tragedie Dardanus. Vooral zijn opera-balletten – handelingen van niks, veel vertier – worden populair. Zijn voor die tijd geavanceerde taal en zijn intellectuele profiel brengen Rameau in het vaarwater van de Verlichting, al zal zijn relatie met de encyclopedisten niet probleem­loos zijn. Hij werkt samen met Voltaire. Met Denis Diderot schrijft hij later Démonstration du principe de l’harmonie.

Rond 1735 – tot 1753 – komt hij onder de hoede van een rijkaard, A.J.J. Le Riche de La Pouplinière, mecenas en gastheer van alles wat zich in Frankrijk artiest mag noemen. In zijn huis vinden concerten en theatervoorstellingen plaats, Rameau treft er zijn goeddeels onbeduidende librettisten. Beau monde. Als ze elkaar na bijna twintig jaar vaarwel zeggen is de aanvankelijk armlastige Rameau een beroemd man met een solide koninklijk pensioen, de ‘Newton van de harmonie’, wiens muziek na twintig jaar van bloei alweer een beetje uit de gratie dreigt te raken. De jonge jongens vinden hem een oude pruik. Zo hard kan het gaan. Natuurlijk voelt hij zich miskend, zoals het hoort. Hij is niet zomaar een componist, schrijft hij in 1757 aan Diderot en d’Alembert. Hij wil als filosoof in de annalen, ‘omdat ik de eerste was die door de ontdekking van haar natuurlijke principes muziek tot een wetenschap heeft gemaakt’.

Dat is een intrigerende uitspraak van een componist die in zijn werken voor de bühne tot dan toe van weinig filosofische ambities heeft getuigd. Ik denk dat hij iets anders bedoelt, misschien zonder het zelf te kunnen zeggen – een begenadigd schrijver was hij niet bepaald: die concentratie op het wezen van de samenklank, de muzische essentie. Rameau, zei Debussy, bestond uitsluitend in muziek. Dat klopt. Hij spreekt er geen woord, maar je weet wat hij bedoelt. Hij zegt het niet, hij helpt je vinden. Alle wegwijzers staan op exact de goede plaats, met een gevoel van weemoed neergepoot zonder dat al te intieme van de psychologentijd, troostrijk algemeen. Perfecte sierdichter. Zaterdag­middag 13 oktober dirigeert Frans Brüggen de Naïs-suite in Amsterdam. Ga.

concertgebouw.nl