De man die dood wou

Wat doet het ertoe of hij werkelijk was zoals Plato hem beschreef? De Sokrates die we uit de boeken kennen, boeit hoe dan ook. In zijn schopenhaueriaans-zwarte wereldbeeld en in zijn nieuwsgierigheid naar de dood. Sinds kort kunnen we zijn ideeen weer in een nieuwe vertaling tot ons nemen. Plato, Sokrates’ leven en dood. Vertaling Gerard Koolschijn, uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep (Querido), f25,-
OM DE SOKRATES die we uit het werk van Plato kennen, woedt al eeuwen een weinig hoopgevend debat. Dat er van 469 tot 399 voor Christus werkelijk een Sokrates in Athene heeft rondgelopen, lijdt geen twijfel. Maar of Plato’s protagonist een getrouwe kopie van de leermeester van de auteur is, valt te betwijfelen. Die vraag is echter van geen betekenis. Wat schieten we ermee op als we het antwoord weten? Bovendien beneemt die polemiek het uitzicht op de vragen die er werkelijk toe doen: Ten eerste: is wat Plato schrijft boeiend? En ten tweede: is het waar?

Om met dat laatste te beginnen: Plato’s werk is sinds publikatie opgevat als filosofisch vertoog. De schrijver zou niets minder najagen dan een verklaring waarom de wereld zo in elkaar zit als volgens hem het geval is. Nemen we aan dat Plato inderdaad die pretentie had, dan worden we geconfronteerd met het probleem dat zijn boeken soms zichzelf tegenspreken; dat de afzonderlijke boeken elkaar tegenspreken; dat sommige boeken alleen maar afbreken en niets opbouwen, zodat de lezer aan het slot in nog grotere onzekerheid verkeert dan aan het begin; en dat wat aan heldere theorieen uiteindelijk overblijft ofwel aantoonbare nonsens, ofwel verwerpelijke ideologie behelst. Ik raad dan ook niemand aan Plato als filosoof serieus te nemen - wat niet betekent dat bestudering van zijn werk voor een denker in opleiding niet de moeite waard zou zijn.
Daarom geef ik de voorkeur aan een literaire benadering, waarbij we Sokrates als romanpersonage opvatten en de dialogen als korte of minder korte verhalen van het genre ideeenliteratuur. En we moeten vaststellen dat dit personage niet met het groeien van Plato’s oeuvre aan zichzelf gelijk blijft, maar dat het geleidelijk evolueert van gewetensvol zoeker tot gewetenloos dogmaticus - vandaar mijn voorkeur voor de vroegste helft van Plato’s werk.
GERARD KOOLSCHIJN heeft nu in een band vijf van die wat vroegere teksten verzameld, bondig ingeleid en doeltreffend geannoteerd. Over de vertaling behoeven we het niet te hebben, want die is prachtig. Dat wil niet zeggen dat je niet over details van mening zou kunnen verschillen, maar die zijn te onbeduidend om bij stil te staan.
Juist de eerste dialoog, ‘Feest’ (Symposium), leent zich goed voor een puur op de tekst gerichte literaire analyse. De plot is simpel. Een aantal intellectuelen viert een feestje ter gelegenheid van het feit dat een van hen een literaire prijs heeft gewonnen. Om het niet meteen op een zuipen te zetten, besluiten ze om beurten een lofzang op Eros te houden. Sokrates komt als laatste aan het woord, waarna Alkibiades stomdronken binnenkomt en Sokrates in het zonnetje zet. Tegen de morgen is vrijwel iedereen in alcoholische bewusteloosheid weggezakt, alleen Sokrates zit nog met de dichters Agathon en Aristofanes te bomen over de gelijkwaardigheid van tragedies en komedies, wat natuurlijk poeticaal te duiden valt: 'Feest’ is een vrolijk boekje met een zwaarwichtige ondertoon, dat evenmin als een toneelstuk letterlijk genomen hoeft te worden.
Wie een geile Decamerone verwacht, komt van een koude kermis thuis. De enige die nog een beetje oog heeft voor de laaiende oerkracht van seksualiteit, is Aristofanes. De andere heren zijn vooral geletterd en beheerst. Zo maakt Pausanias onderscheid tussen twee soorten erotiek, de hemelse en de alledaagse. De laatste kenschetst hij als platte seks tussen onbeduidende mensen, zowel tussen man en vrouw als tussen mannen onderling. De hemelse liefde kan, alsdus Pausanias, uitsluitend tussen twee mannen ontstaan, van wie de een nog jong en onervaren, en de ander rijp en wijs is. Erotiek gaat dan samen met geestelijke ontwikkeling en zo'n relatie duurt een leven lang. Deze visie wordt, zoals alle betogen in 'Feest’, mythologisch gefundeerd. Ook Faidros houdt bijvoorbeeld staande dat het belang van Eros blijkt uit het gegeven dat hij de oudste god is, terwijl Agathon juist beweert dat Eros de jongste is. De arts Eryximachos houdt een natuurwetenschappelijke beschouwing die erop neerkomt dat alles waaruit een harmonieus evenwicht tussen tegendelen spreekt, of het nu op medisch, metereologisch, maatschappelijk of religieus gebied is, als het werk van Eros moet worden gezien.
De parabel van Aristofanes is het meest aardse gedeelte van de dialoog. Hij vertelt hoe de mensen vroeger vier benen, vier armen, twee gezichten en twee geslachtsdelen hadden. Sommigen waren man-man, anderen vrouw-vrouw en weer anderen man- vrouw (androgynos in het Grieks, door Koolschijn helaas vertaald met manwijf). Omdat deze wezens in opstand kwamen tegen de goden, besloot Zeus ze doormidden te laten snijden. De hoofden werden 180 graden gedraaid en de kant met het litteken werd voorzijde, opdat de mensen door naar hun navel te kijken steeds aan de straf voor hun vroegere misdaden herinnerd zouden worden. In plaats van drie, waren er nu nog maar twee geslachten. De helften gingen op zoek naar hun oorspronkelijke wederhelft. 'Dan sloegen ze de armen om elkaar heen en grepen elkaar beet in hun verlangen om tot een eenheid te groeien. Zo stierven ze van honger en totaal gebrek aan activiteit, doordat ze niets apart wilden doen.’ Uit medelijden verplaatst Zeus dan hun schaamdelen naar de voorkant, 'want tot dusver hadden ze ook die aan de buitenkant gehad en stortten ze hun zaad niet uit in elkaar maar op de grond, net als cicaden’. En zo verklaart Aristofanes het ontstaan van drie soorten seksuele voorkeuren.
Het eerste vijftal 'erotische’ verhalen wordt afgesloten met een bevlogen loflied van Agathon op de mooie, jonge god - Koolschijn maakt er muziek van: 'Hij is het die vrede brengt bij mensen, op water windstille rust, het bedaren van stormen en slaap bij verdriet. Hij bevrijdt van vervreemding en vult met vertrouwdheid, zorgt steeds dat men zo bij elkaar komt, bij feesten, bij dansen, bij offers de leider die zachtheid verschaft en grofheid verbant, vrolijkheid schenkend en ergernis schuwend, voorkomend en mild, voor wie wijs is genot, bewonderd door god, benijd door wie lijdt, bezeten een zegen van weelde en wellust, van warmte de vader, van gratie en hartstocht en heimwee, aandachtig voor goeden, verachtend de kwaden, bij zwoegen, bij zwalken, bij drinken, bij dromen kapitein, marinier, kameraad en voortreffelijk redder, een sieraad voor goden en mensen tezamen, een mooie en machtige gids, die elk mens moet volgen met een schitterend lied, delen in de zang die hij zingt, altijd de geest van goden en mensen betoverend.’
HIERNA VALT de nuchterheid van Sokrates als een koude douche over de lezer heen. Alles wat de heren te berde hebben gebracht is volgens hem niet meer dan amusante flauwekul. Eerst treedt hij in debat met Agathon, die hij met een spervuur van schaamteloze drogredeneringen in de hoek zet. Daarna reproduceert hij een gesprek dat hij met een zekere Diotima zou hebben gevoerd, waarin wordt betoogd dat de ware erotiek eigenlijk een vorm van filosofie is. Door van de schoonheid van jongenslijven te genieten kan een man (vrouwen komen in dit verhaal niet meer voor) tot het inzicht komen dat al die lichamen deel hebben aan een abstractie, die van 'de uiterlijke schoonheid’. De volgende stap is het besef dat geestelijke schoonheid en intellectuele voortplanting belangrijker zijn dan alles wat met het lichaam te maken heeft. En het uiteindelijke doel is inzicht in de Eeuwige Waarheden. Het spreekt vanzelf dat zo'n minnaar voor individuele lichaamskenmerken geen oog meer heeft.
Wanneer Alkibiades vervolgens vertelt hoe hij eens tevergeefs geprobeerd heeft Sokrates te verleiden, verrast ons diens ingetogenheid niet meer. De Sokratische liefde is kuis en cerebraal. Niettemin doet Alkibiades het voorkomen of Sokrates door hem aanbeden wil worden, terwijl de oude bok glamour-boy Agathon liever voor zichzelf reserveert. De drie mannen liggen gezellig samen op een bank, maar Sokrates houdt ook na Alkibiades’ jaloerse insinuaties glimlachend zijn handen thuis.
In dit wonderlijke verhaal vol tegenstellingen vervult Eryximachos’ stelling als zou Eros een vorm van harmonie zijn, een sleutelfunctie. Aardse nuchterheid en verheven mystiek, elkaar bestrijdende mythen, perverse logica en lyrische vervoering, dit alles wordt door de auteur tot een evenwichtig geheel gesmeed. Daardoor is 'Feest’ zelf het meest overtuigende bewijs voor de bewering dat Eros harmonie bewerkstelligt.
IN 'EUTHYFRON’ raakt de theoloog van die naam met Sokrates in gesprek over vroomheid en goddeloos gedrag. Sokrates tracht, als de Sherlock Holmes van de filosofie, zijn niet bijster briljante Watson aan het verstand te brengen dat deze in werkelijkheid geen idee heeft waar hij mee bezig is. Zoals gewoonlijk houdt Sokrates zich van den domme, terwijl Euthyfron zich in de ene na de andere cirkelredenering laat verstrikken. Sokrates vergelijkt Euthyfrons dialectische ommetjes met het werk van de mythische beeldhouwer Daidalos, wiens sculpturen de indruk wekten dat ze konden lopen. In feite is Sokrates zelf de kunstenaar die in een kringetje rondwandelende beelden uit de taal houwt. De discussie eindigt in een zogeheten aporie, een toestand waarin geen van de gesprekspartners nog een uitweg weet. Sokrates’ moordende ironie en zijn stelselmatige sloop van alle ethische fundamenten heeft iets dwangmatig destructiefs, iets wanhopigs ook. Wat wil de man nu eigenlijk?
Er is maar een antwoord: de man wil dood. Aangeklaagd wegens zedenbederf en godsdienstige nieuwlichterij krijgt hij uitvoerig de gelegenheid zich voor de rechtbank te verdedigen. Had hij zich enigszins beleefd gedragen, dan had hij er nog wel een verbanning of een geldboete uit kunnen slepen. Maar de 'Verdedigingsrede’ is een grote actie om de juryleden te schofferen. Hoewel de manier waarop Sokrates zijn principiele manier van leven beschrijft, indrukwekkend blijft, begint de lezer zich allengs te ergeren aan het effectbejag. Het toppunt van arrogantie wordt bereikt wanneer Sokrates zichzelf met de superheld Achilles vergelijkt.
Maar wanneer hij ten slotte inderdaad ter dood is veroordeeld en afscheid neemt van de rechters, breekt de al bladzijden lang onder de oppervlakte sluimerende melancholie door. Want voor een zwarter wereldbeeld dan dit kun je hoogstens bij iemand als Schopenhauer terecht: 'De dood is van tweeen een, ofwel een soort niets waarbij de overledene geen enkele zintuiglijke gewaarwording heeft, of het is, volgens de verhalen, een soort verandering waarbij de ziel verhuist van deze naar een andere omgeving. Stel nu dat er geen enkele gewaarwording is maar een soort slaap waarin je zelfs geen enkele droom hebt, een fantastische winst zou de dood dan zijn. Want ik weet zeker, als je een nacht moest uitzoeken waarin je zo vast had geslapen dat je zelfs niet droomde en dan de andere nachten en dagen van je eigen leven met die nacht moest vergelijken en na dat onderzoek zeggen hoeveel dagen en nachten je tijdens je eigen leven beter en aangenamer had doorgebracht dan die nacht - ik weet zeker dat zelfs de keizer van Perzie, laat staan een gewoon burger, tot de ontdekking zou komen dat zulke dagen en nachten vergeleken bij de rest op de vingers van een hand zijn te tellen. Als de dood nu zoiets is, noem ik dat in elk geval een winst. Want zo lijkt de eeuwigheid dus ook niets meer te zijn dan een nacht.’
Deze passage kan overigens goed dienen als illustratie van Plato’s stijl: in lange, niet zelden onbekommerd verdwalende zinnen worden twee stappen vooruit meestal gevolgd door een stap terug, en vaak komt de spreker weer uit waar hij begonnen was. Ook Plato is een leerling van Daidalos.
In het volgende verhaal komt Kriton in de gevangenis bij zijn oude vriend op bezoek met een ontsnappingsplan. Hij begrijpt niet dat Sokrates er niet over peinst zich aan zijn doodvonnis te onttrekken. Dit gesprek is het meest actuele uit Koolschijns bundel, want het draait om burgerlijke ongehoorzaamheid. Sokrates betoogt, met niet overal even sterke argumenten, dat wie ervoor gekozen heeft de wetten van een bepaalde staat te respecteren, die niet opeens in twijfel moet trekken wanneer ze in zijn nadeel blijken uit te vallen. En dat geldt zeker voor Athene, waar iedere burger (lees: iedere vrije, niet-allochtone volwassen man) daadwerkelijk invloed op bestuur en wetgeving kan hebben. Kortom, Sokrates blijft. Sokrates wil dood.
IN 'FAIDON’, dat Sokrates’ laatste levensdag beschrijft, horen we waarom. Niet om zijn slechte huwelijk met Xanthippe, want die stuurt hij zonder emotie weg. Niet omdat hij overal op uitgekeken is, want in de gevangenis schrijft hij nog gedichten. Nee, hij wil nu eindelijk wel eens in praktijk brengen waarvoor hij tientallen jaren heeft getraind: filosoferen is voor Sokrates een manier om afstand van het lichaam te nemen. Het lichaam belemmert immers de ziel bij het verwerven van kennis, doordat de zintuigen iedere abstracte gedachte in de war schoppen. Alle zaken die het lichaam betreffen zijn zonder waarde en worden de lezer vakkundig tegengemaakt. Wanneer nu de dood wordt gedefinieerd als scheiding van lichaam en ziel, wat ligt dan meer voor de hand dan de dood te verwelkomen? Eenmaal van de materie verlost, kan de ziel eindelijk rustig nadenken.
Hoe onzinnig ook, de volgende passage is onweerstaanbaar: 'Wie naar kennis verlangt, begrijpt dat de filosofie zijn ziel onder haar hoede neemt terwijl die volkomen gekluisterd is in het lichaam en daaraan vastgeplakt, gedwongen om door dat lichaam heen als door tralies van een gevangenis de werkelijkheid te bekijken in plaats van louter vanuit zichzelf, en zich wentelend in volslagen onwetendheid. Zij ziet het gevaarlijke van die gevangenis in: dat die er door de verlangens is, op zo'n manier dat degene die gevangen zit zelf de grootste bijdrage aan zijn gevangenis levert, en zoals ik dus zei, wie naar kennis verlangt, begrijpt dat de filosofie zijn ziel in zo'n toestand onder haar hoede neemt en zachtjes troost en probeert te bevrijden door hem erop te wijzen dat het onderzoek via de ogen vol bedrog is, net als via de oren en andere zintuigen.’ Misschien moet je in een dodencel zitten om dit te kunnen geloven.
De dialoog bestaat grotendeels uit heroische pogingen de onsterfelijkheid van de ziel te bewijzen. Alleen al natuurwetenschappelijk gezien is het meeste van wat Sokrates zegt achterhaald, maar ook aan de formele logica schort wel het een en ander. Na een moeizame bewijsvoering komt hij bijvoorbeeld tot de slotsom dat de drager van het leven in de mens, de ziel, onsterfelijk moet zijn omdat het leven nu eenmaal het tegenovergestelde van de dood is. Een kind voelt aan dat dit niet deugt. Sokrates besluit zijn verhaal met een science fiction- achtige beschrijving van de aarde en de onderwereld, waarna hij de gifbeker drinkt en sterft. Na twintig jaar Plato-lectuur is die slotscene voor mij nog net zo ontroerend als toen ik haar de eerste keer las.
GELOOFT SOKRATES zelf in zijn theorieen? Ik vrees van niet. Voor hem zijn al die redenaties niet meer dan hypothesen die hij nodig heeft om het leven door te komen: 'Nu past het een verstandig man niet met stelligheid te beweren dat die dingen zijn zoals ik heb uiteengezet. Maar dat dit of iets dergelijks voor onze zielen en hun woningen geldt, nu de ziel inderdaad iets onsterfelijks blijkt te zijn, dat is naar mijn idee niet alleen passend maar het lijkt me ook het risico waard om te denken dat het zo is, want het is een mooi risico, en zulke dingen moet je jezelf als een soort bezwering voorhouden.’
Eerder in het gesprek had Simmias al gezegd: 'Want je moet (…) de beste menselijke redenering nemen, die het moeilijkst is te weerleggen, om die als vlot te gebruiken wanneer je de riskante oversteek van het leven maakt, als je niet op een degelijker vaartuig, een goddelijke redenering, een veiliger en minder gevaarlijke overtocht kunt maken.’ En Sokrates zelf geeft toe: 'Ik zal niet mijn best doen om de aanwezigen te laten geloven dat wat ik zeg waar is, of dat moest terloops gebeuren, maar om zelf zoveel mogelijk te geloven dat het zo is.’
Het boek van Koolschijn kan gelezen worden als verhalenbundel over een man die met niets ontziende verbetenheid naar waarheid zocht, maar die toen hem geen enkele illusie meer restte, als geen ander - om met Schopenhauer te spreken - de Verneinung des Willens belichaamde. Of de historische Sokrates aan dat signalement beantwoordt, weet ik niet. Zeker is dat Plato bovenstaande interpretatie met afgrijzen van de hand zou hebben gewezen.