Timothy Findley

De man die maar niet doodging

Deze week verschijnt de historische roman Pilgrim, waarin Timothy Findley werkelijkheid en waan laat samengaan door een verzonnen figuur, met vele eigenschappen en identiteiten, op te zetten tegen mensen die daadwerkelijk leefden.

Timothy Findley, Pilgrim.
Uitg. Faber & Faber,
486 blz., ƒ 47,50

De historische roman is in de Nederlandse literatuur aan een indrukwekkende comeback bezig. Simon Vestdijk en Hella Haasse waren vroeger de obligate namen, nu betekent het noemen van Louis Ferron en Thomas Rosenboom dat zij twee van de velen zijn. Het vermengen van geschiedkundige feiten en fictie is natuurlijk niet bijzonder in een roman die een verleden wil oproepen of zelfs herschrijven, uitzonderlijker is het opvoeren van herkenbare, historische personen die de confrontatie aangaan met bedachte personages. Die vermenging kent in Nederland geen traditie, daar bestaat nog veel schroom in tegenstelling tot in Noord-Amerika. Schrijvers als Philip Roth, E.L. Doctorow, Don DeLillo en David Foster Wallace introduceren onbeschroomd presidenten, parlementariërs en andere publieke figuren in hun vaak veelomvattende romanprojecten. Zo kunnen ze via de ogenschijnlijke omweg van de historische roman vileine commentaren op de huidige tijdgeest geven, omdat die geest nu eenmaal nooit zomaar uit de lucht komt vallen.
In Canada zijn het met name Michael Ondaatje, Wayne Johnston en Timothy Findley die vindingrijk jongleren met verzonnen personages die het leven binnen banjeren van personen die we in de geschiedenisboekjes kunnen terugvinden. Hoe ver kan de schrijver gaan? Heel ver. In hun beste romans gaan werkelijkheid en waan zo goed samen dat gemiste kansen in het verleden pijnlijk bloot komen te liggen. Op die manier is schrijven een onderzoek naar de mogelijkheden van wat schijnbaar allang achter de rug is.
Van Timothy Findley verschijnt deze week Pilgrim, een historische roman die zich afspeelt in 1912, vlak na de ramp met de Titanic. Een man die maar niet dood wil gaan («Ik ben een reiziger (…). Ik ging ergens naartoe maar mijn bestemming is mij onthouden. ») komt na een zoveelste mislukte zelfmoordpoging terecht in Burghölzli, de psychiatrische universiteitskliniek van Zürich waar Carl Gustav Jung de scepter zwaait. Jung weet de zwijgende Pilgrim weer tot spreken te brengen maar de lezer vraagt zich af wie wiens psychiater is, wie ontmaskert, wie werkelijk zwijgt en wie zich blootgeeft. Pilgrim groeit uit tot een roman waarin het toenmalige, experimentele gedachtegoed van Jung van alle kanten onder vuur komt te liggen. En Pilgrim is de vleesgeworden idee van het «collectieve onbewuste». Wat schrijft Jung in zijn autobiografie Herinneringen Dromen Gedachten? «We hebben allen het collectieve onbewuste gemeen; dat is de grondslag van wat de oudheid als ‘sympathie van alle dingen’ heeft omschreven.»
Findley heeft het eerder gedaan, verzonnen figuren opzetten tegen mensen die daadwerkelijk leefden en macht uitoefenden. In Famous Last Words (1981) bijvoorbeeld, een brutale roman over fascisme, collaboratie en spionage rond de Tweede Wereldoorlog, heet de verteller Hugh Selwyn Mauberley - een literaire constructie die hij van Ezra Pound leende. Mauberley lijdt al jaren aan een writer’s block en heeft geheuld met Mussolini’s fascisme. In 1944 slaat hij op de vlucht voor de oprukkende geallieerden. Zijn levensverhaal, een allerlaatste doorbraak van zijn creativiteit, noteert hij op de muren van een bijna leeg elitehotel, Grand Elysium, in Oostenrijk.
Die muurvertelling wordt later gelezen door een Amerikaanse soldaat die zijn meerderen duidelijk wil maken dat er tussen goed en fout vele grijstinten te zien zijn waarin de mens zich kan hullen. De manier waarop Findley een netwerk van paranoïde betrekkingen weeft tussen ultrarechtse Britten, naïevelingen als de Hertog en de Hertogin van Windsor, Rudolf Hess die met een vliegtuigje in Schotland neerstrijkt en nazi’s als Von Ribbentrop, is te omschrijven als een «geschiedenis zoals hij nooit is geschreven », een half verzonnen historie van wankelmoedigheid en persoonlijke frustratie, hooghartige aristocratie die verdwaalt in moorddadige politiek.
Literaire onmacht, dat wil zeggen een hardnekkige schrijfblokkade, wordt noodgedwongen omgebogen tot een muurschildering van verontrustende woorden. Zo biedt literatuur onverhoedse doorkijkjes naar toen en daar, en onder invloed daarvan kan het hier en nu vanuit een afwijkend perspectief bekeken worden. De zogenaamde gezonde geesten groeien soms uit tot nog gevaarlijkere gekken dan de «gewone» gekken in het gesticht. Waar is de literatuur anders voor dan het tonen van omgekeerde werelden?
Findley, ex-toneelacteur, koestert de «schizofrenen» in zijn werk, de personages die met verschillende stemmen spreken, of die nu Ezra Pound heten of Carl Gustav Jung. In een interview sprak hij lyrisch over de film De vierde man, naar het boek van Gerard Reve. Wat hem beviel was de schrijversfiguur, die van alles en iedereen een verzonnen gebeurtenis of een fictief personage maakte. Hij schiep hele levens voor hen en veranderde zo alle situaties in verhalen. Hij diste voortdurend vertellingen op. Voor Findley zit er waanzin in het vermogen «de mogelijkheden van de levens van anderen te zien».


Dat gebeurt ook in Pilgrim. Op een cruciaal punt in zijn bestaan - als hij hopeloos overhoop ligt met Freud, zijn huwelijk door overspel bedreigd wordt en er aarzelend idee ën bij hem opkomen over de band tussen antieke mythologie en de psychologie van primitieve volkeren - komt Jung Pilgrim tegen, de man met de vele eigenschappen en identiteiten die de geschiedenis, mythologie en kunst van de mensheid met zich meetorst en wil ontsnappen aan «de noodzaak van het zelf».
Maar het lukt hem voorlopig niet. Hij is van alle tijden maar zijn «schizofrenie » is geen verraderlijke ziekte. Stap voor stap ontdekt Jung dat veel van wat hij aanvankelijk als zinloos had beschouwd, bij de suïcidale «geesteszieke» Pilgrim helemaal niet zo «gek» is. Hetzelfde ziet hij bij andere pati ënten, onder wie de maanvrouw, een geval dat Jung in Herinneringen Dromen Gedachten uitgebreid beschrijft: zij heeft «verheffing» nodig nadat zij als vijftienjarige seksueel is misbruikt en vernederd door haar broer.
Jung ontdekt dat Pilgrim een theorie van de psyche verbeeldt. Psyche is een vlinder die ongebonden door tijd, ruimte en rede door het hoofd van de mensheid fladdert. De mens weet wat hij nooit hoefde te leren, hij onthoudt wat hij nooit heeft ervaren. Dat is Jung, die luisterde naar zijn innerlijke stem die hem te pas en te onpas in de rede viel.
Pilgrim is een kunsthistoricus die een biografie over Leonardo da Vinci heeft geschreven. Hij is Elckerlyc, iedereen en niemand, man en vrouw, reiziger van de ene naar de andere psyche, een cirkel in een cirkel in een cirkel op weg naar de eeuwigheid. «We zitten allemaal opgesloten in hoe de anderen ons waarnemen. Niemand van ons is vrij zijn eigen leven ongezien te leiden.» Hij is ook dagboekanier die ooggetuigenverslagen schrijft, schitterende fragmenten van levens die hij heeft geleid, autobiografische tekstsplinters die Jung en zijn zwangere vrouw Emma lezen.
Pilgrim is «een continent van mogelijkheden». Hij is de aarde zelf als hij van zijn lijf een bal zou vormen. Hij is ouder dan de bergen maar is het moe steeds maar weer mens te zijn, gevangen te zitten in een menselijke geest. Hij was Orion, die blind werd en later weer kon zien. Hij was een Trojaan die Hector zag doodgaan, een kreupele schaapherder in dienst van Teresa van fivila, een Ierse staljongen, als Simon le Jeune maker van gebrandschilderde ramen in de kathedraal van Chartres. «Ik zag de eerste voorstelling van Hamlet en de laatste voorstelling van Molière, de acteur. Ik was een vriend van Oscar Wilde en een vijand van Leonardo [da Vinci]… Ik ben zowel mannelijk als vrouwelijk. Ik ben leeftijdloos, en ik heb geen toegang tot de dood.»
Ontsnapt hij aan de cel die gekkengesticht heet, aan de gevangenis van het leven? Het verhaal van zijn uitbraak is formidabel, een hommage aan wat kunst vermag en kan vereeuwigen, tot aan de glimlach van de Mona Lisa, Leonardo da Vinci’s meesterwerk dat een verrassende hoofdrol speelt in Pilgrim. Vooral de fragmenten rond Teresa van fivila en Leonardo da Vinci zijn schitterende evocaties van religieuze levitatie en artistieke meedogenloosheid, verhalen van wat mogelijk zou zijn geweest.
Aan het slot richt Pilgrim, die als een «redeloze anarchist» bezig is zijn verleden te wissen, zijn pijlen op Leonardo. «Er verandert niets. (…) Al ons vernuft en onze genialiteit worden omgezet in het maken van oorlogstuig.» De mensheid is Leonardo gevolgd tot in de donkerste regionen van zijn verbeelding, zij is vergeten dat hij ook licht maakte: de glimlach van de Mona Lisa, want «zij was de lucht die [Pilgrim] inademde».

Pilgrim van Timothy Findley is een historische roman in de allerbeste traditie, dat wil zeggen een roman die andere genres of tekstsoorten - de psychologische roman, de detective, de avonturenroman, de kunstenaarsbiografie á la Vasari, de psychiatrische verhandeling - in zich verenigt. Zo'n veelomvattend boek moet wel tot de verbeelding spreken. Om de zwangere Emma Jung, wier embryo volgens vader Jung alle biologische en psychologische stadia in de evolutie van het menselijk ras doormaakt, het laatste woord te geven: «Kunst gaat niet over de kunstenaar. Kunst gaat over zichzelf.»