De verhalen achter de invasie

De man die ons de oorlog in loog

De invasie in Irak, nu tien jaar geleden, was gebaseerd op de getuigenissen van twee leugenaars. De belangrijkste van hen wilde asiel in Duitsland, de ander een nieuw huis.

In februari 2003 waren mijn collega-journalisten en ik danig onder de indruk van de presentatie van Colin Powell voor de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. We waren sceptisch over de vaak wilde Amerikaanse claims over Saddam Hoessein en Irak. Maar die rustige generaal met zijn berg aan details, zijn nauwkeurige computertekeningen en dwingende narratief, die was toch wel overtuigend. En het waren ook geen slagen in de lucht, verzekerde Powell de wereld: ‘Dit zijn feiten en conclusies gebaseerd op solide inlichtingenwerk. De bron was een ooggetuige.’ Dit narratief werd de voornaamste motivatie voor de invasie van Irak, nu tien jaar geleden.

We weten inmiddels dat we te maken hebben met de grootste en ingrijpendste inlichtingenmisser van de afgelopen decennia: het verhaal van de Amerikaanse regering bleek bol te staan van opgepompte vermoedens en zelfs naakte leugens. ‘Solide inlichtingenwerk’ klonk indrukwekkend uit de mond van een man als Colin Powell, maar het bestond voor een belangrijk deel uit het uitkiezen van claims die het best pasten bij de voornemens van het Witte Huis.

Dit is in algemene lijnen wel bekend, maar de afgelopen jaren is het beeld op die inlichtingenmisser steeds scherper geworden, met name door het werk van openbare onderzoekscommissies in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, van omroepen, kranten en onafhankelijke journalisten. Een cruciaal onderdeel van dat steeds scherpere beeld is de coming out – eerst weifelend, daarna steeds zelfverzekerder – van de spil in het Amerikaanse relaas: een Iraakse chemisch ingenieur, nu wonend in het Zuid-Duitse Karlsruhe, wiens identiteit jarenlang verscholen ging achter de codenaam Curveball.

Deze Rafid Ahmed Alwan al-Janabi was de ‘ooggetuige’ die Powell en ook Bush aanhaalden in hun toespraken. In de afgelopen twee jaar heeft hij driemaal voor de camera verklaard dat hij zijn gehele verhaal verzon, inclusief de details die Colin Powell zo dwingend overbracht en inclusief de tekeningen van mobiele wapenlaboratoria die Powells verhaal zo treffend illustreerden. Het is ijzingwekkend om hem losjes te zien praten over zijn aandeel in de ­Irakoorlog. In een recent interview met de bbc stelt de interviewer: ‘We trokken ten oorlog in Irak gebaseerd op een leugen. En die leugen was uw leugen.’ Rafid Alwan zwijgt even, denkt. Zegt dan: ‘Ja.’ En lacht. Alwan sprak voor het eerst openlijk in 2007, kort nadat de Amerikaanse journalist Bob Drogin zijn identiteit bekend had gemaakt. Alwan gaf toen een interview aan cnn, korter dan een minuut, waarin hij zei blij te zijn dat Irak nu ‘vrij’ was. Ook ontkende hij te hebben gelogen over biologische wapens. Toen verdween hij jarenlang, tot hij opeens opdook in een lang en opzienbarend interview met de Britse krant The Guardian.

‘Ik was destijds chef van de Midden-Oosten-afdeling van de krant, en ik was veel naar hem op zoek geweest’, zegt Martin Chulov, correspondent van The Guardian vanuit Beiroet. ‘Via twee contacten in Bagdad stuitte ik op een verhaal dat Alwan door zwendel tienduizend dollar had gestolen van een Iraakse ambtenaar. Na publicatie daarvan belde Alwan naar de redactie om te klagen. Ik vroeg hem meteen om een interview en hij ging akkoord. Het werden een paar gesprekken verdeeld over drie dagen. Ik verwachtte dat hij weer bij zijn excuses en ontwijkingen zou blijven. Maar hij gaf openlijk toe dat hij over alles had gelogen. Dat was een historisch moment.’

Alwan verscheen nog driemaal voor de camera: eenmaal voor CBS/60 Minutes, waar hij na een uur uit het interview wegliep; als getergd, oncoöperatief subject in de Deense documentaire The Man Who Lied the World into War, en bij de bbc. In die interviews zie je Alwan transformeren van een onzekere stamelaar in T-shirt en leren jasje naar een verzorgde, zelfverzekerde heer in net pak. ‘Hij lijkt te groeien in zijn nieuwste rol van nobele redder van Irak’, zegt Chulov.

Rafid Alwan had eind jaren negentig Irak verlaten. Na enige omzwervingen door het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa, naar eigen zeggen betaald doordat hij in België ‘veel geld’ kreeg van zijn voormalige buurman in Irak, belandde Alwan in 1999 aan de voet van de Dom in Keulen. Hij was daar, volgens zijn relaas, om een mensensmokkelaar te ontmoeten die hem naar Groot-Brittannië zou brengen. In plaats daarvan spraken Duitse politiemannen hem aan. Toen hij geen geldige papieren kon laten zien werd hij naar een vreemdelingenopvang gebracht even buiten Heidelberg. Daar vroeg Alwan asiel aan en begon hij te praten met de Duitse inlichtingendienst bnd.

Alwans verhaal bleek uiterst brisant en de bnd bracht hem direct over naar Gästehaus Kral in het Zuid-Duitse Erlangen. Later kreeg hij in hetzelfde stadje een flat. Het hele jaar 2000 zou Alwan in talloze sessies zijn verhaal uit de doeken doen, terwijl de bnd een nepfirma voor hem oprichtte met een maandelijkse gage van drieduizend euro. De bnd schermde Alwan af, en Alwan zei ook niet met de Amerikanen te willen praten. Maar de cia ontving wel zo’n honderd integrale verslagen van interviews die de bnd met hem hield.

Alwan vertelde dat hij na zijn opleiding als chemisch ingenieur in 1994 was ingelijfd bij Iraks biologische-wapenprogramma. Hij zei vier jaar lang directeur te zijn geweest van een biologische-wapenfabriek in Djerf Al Nadaf, die was gemaskeerd als een zadenfabriek voor de landbouw. In werkelijkheid was het echt een zadenfabriek, en liep Alwan er maar een half jaar rond. Hij was ook nergens ‘ingelijfd’, want hij was een slechte student. Na zijn verblijf in de zadenfabriek modderde hij verder in verschillende baantjes, scheidde van zijn vrouw en nam de wijk naar het buitenland.

Hoewel hij geen begaafde biochemicus was, stelde zijn opleiding Alwan wel in staat om in Duitsland een met technische details doorspekt verhaal af te steken over de productie van biologische wapens. De mooiste verhalen betroffen een ongeluk in 1998, waarbij twaalf technici zouden zijn gestorven nadat hun huid zwart was geworden (Powell en Bush namen dit verhaal integraal over in 2003), en vrachtwagens die met kweekvaten en andere apparatuur waren uitgerust als mobiele fabrieken voor biologische wapens. Voor zijn ondervragers tekende Alwan hoe de apparatuur in die vrachtwagens was opgesteld en hoe ze de fabriek in reden als hun dodelijke lading klaar was. Hoewel al vóór de oorlog werd ontdekt dat vrachtwagens nooit met zo’n knik de fabriek in hadden kunnen rijden, en er bovendien een muur in de weg stond, werd Alwans verhaal niet onbruikbaar verklaard.

Alwan houdt nog steeds stug vol dat hij met zijn verzinsels een invasie van Irak wilde uitlokken, uitsluitend als patriottische daad. ‘I plan for this for long time’, zei hij tegen cbs. Al zijn vroegere gesprekspartners gaan er echter vanuit dat hij alles verzon om in Duitsland te kunnen blijven. Binnen de bnd waren al in 2000 twijfels gerezen over Alwans verhaal, en de relatie tussen de bnd en Alwan bekoelde; enige tijd moest hij zich bedruipen met het grillen van hamburgers bij de Burger King Drive In van Erlangen. De Duitsers gaven die twijfels samen met de getuigenissen door aan de Britse en Amerikaanse geheime diensten en ook onderling bespraken die de twijfels. ‘Elementen van zijn gedrag komen ons voor als die van een bedrieger’, schreef mi6 in een geheime telex aan de cia. Maar toch, vervolgde mi6, was de dienst ‘geneigd om te geloven dat een aanzienlijk deel van zijn verhaal waar is’.

Het is een understatement dat velen in Washington ook ‘geneigd’ waren om Alwans verhaal te geloven; zeker toen president Bush en zijn entourage vanaf 2002 steeds nadrukkelijker zochten naar een smoking gun voor hun ­invasieplannen in Irak. Tyler Drum­heller, destijds cia-chef in Europa, zegt in interviews met bbc en cbs dat Curveball-sceptici werden ‘weg­geschreeuwd’ op ‘boze, agressieve ­vergaderingen’. Een probleem was evenwel dat de geheime diensten niet bevestigd konden krijgen wat Alwan vertelde. De cia wist tot verschillende hooggeplaatste Irakezen door te dringen voor informatie. Tot de ­wetenschapper die volgens Alwan het hoofd van Iraks biologische-wapenprogramma was in de jaren negentig, bijvoorbeeld. En tot Iraks minister van Buiten­landse Zaken die – John Le Carré waardig – naar de cia seinde dat hij wel wilde praten, door een bepaald pak te dragen naar de VN. De Britse dienst mi6 wist te spreken met de ­directeur van de Iraakse inlichtingendienst. Allemaal vertelden ze dat Irak geen biologische wapens produceer­de. Door gelovers in Alwans verhaal werd dat gezien als Iraakse pogingen om de waarheid te verhullen.

Bevestiging van Alwans verhaal werd gevonden in het relaas van een tweede leugenaar. Dat was een Iraakse majoor, Muhammad Harith, die naar de Jordaanse hoofdstad Amman kwam om te praten met Amerikaanse inlichtingen­officieren en de Iraakse oppositiegroep inc. Deze Harith zei dat hij het idee had bedacht om wapenlabs te maken in vrachtwagens en treinwagons en dat hij daartoe zeven Renault-trucks had gekocht en ingericht. Tien maanden voor de invasie van Irak concludeerde de cia al dat deze majoor een interessant maar verzonnen verhaal wilde verkopen om daarmee een nieuw huis te kunnen betalen.

Maar toen circuleerde Hariths verhaal al in politieke en militaire kringen. Verbijsterend genoeg lukte het de cia niet om het verhaal weer terug in de fles te krijgen. In Powells VN-toespraak duikt de al negen maanden daarvoor ontmaskerde Harith op als ‘een overgelopen Iraakse majoor, die bevestigde dat Irak mobiele biologische-onderzoekslabs heeft en productiefaciliteiten’.

Harith is niet meer opgespoord door journalisten. Simpel journalistiek speurwerk heeft wel een onflatteus portret opgeleverd van Rafid Alwan in zijn nieuwe leven in Karlsruhe. In zijn oude Mercedes, waarschijnlijk gekregen van de bnd toen de onderlinge verhoudingen nog goed waren, zou hij een liederlijke reputatie hebben opgebouwd als praatjesmaker, drinker en vrouwenliefhebber. ‘Ik zal eerlijk zijn: ik heb veel problemen nu’, zei hij in het _Guardian-_interview. ‘De bnd heeft mijn flat, mijn mobiel, mijn alles weggenomen. Ik ben nu in een slechte positie.’ Lees: ik moet mijn eigen hoofd boven water houden.

Voor _Guardian-_journalist Martin Chulov is het nog altijd onbegrijpelijk dat deze man de wereld een oorlog in kon liegen. ‘Ik heb met veel mensen gepraat die hem kennen of hebben gesproken en iedereen vindt het een vreemde en onbetrouwbare figuur. Ook op ons kwam hij ongeloofwaardig over, met zijn voortdurende pogingen om zichzelf te verkopen als redder van Irak.’ Even verbaasd is Chulov over de houding van Irakezen tegenover de man die de leugen verstrekte voor de oorlog in hun land: ‘Vreemd genoeg is het overheersende sentiment: “Die man heeft de hele wereld voor de gek gehouden en is er maar mooi mee weggekomen.” Bij sjiïeten zou je misschien weinig boosheid verwachten. Maar ook bij soennieten zie je weinig wrok tegen hem, zelfs niet bij mensen die veel geleden hebben onder de oorlog. Ze zeggen: dat heeft hij toch maar geflikt.’