De man die Querido naar de kermis leidde

Donderdag 2 november werd ten huize van uitgeverij Querido afscheid genomen van redacteur Anthony Mertens. Auteur K. Schippers memoreerde bij die gelegenheid diens talent voor lichtheid en baldadigheid. Hieronder volgt de tekst van zijn toespraak.

Op een avond in september 1993 wandelde een groepje Querido-auteurs van Singel 262 naar een Chinees restaurant op de Nieuwezijds Voorburgwal. De reisbeurzenverloting was net afgelopen en Ary Langbroek had z’n schrijvers met de belofte van voedsel de deur uit gekregen. Zijn voorganger Reinold Kuipers pakte dat heel anders aan. Als hij vond dat iedereen op moest krassen, deed hij gewoon het licht uit en weer aan en weer uit en weer aan, totdat je, gek van dit telegramlicht, naar een café in de buurt vertrok. Niet alle schrijvers gingen mee. Ik zag dat Ary in het feestzaaltje naar Tjit Reinsma toe liep om hem persoonlijk voor de Chinees uit te nodigenen, maar voordat hij iets kon zeggen, had Tjit hem al geantwoord: ‘Ary, hier ben ik te oud voor.’ Daar zat iets in. Als je er eenmaal een plaats had, kon je geen kant meer op. De beweeglijkheid van de jeugd ontbrak volkomen. Schuin tegenover me zat een dikke man, net te ver om hem te kunnen verstaan. Hij gebaarde en sprak tegen iedereen in zijn omgeving. Ik wist wie hij was, al had ik hem nog nooit gesproken. Hij was als redacteur bij Querido komen werken om het enigszins autistische bewind te doorbreken. Iets van Marx en moeilijke boeken, dat kleefde aan hem, verder was ik nog niet van zijn talenten op de hoogte. Ineens richtte hij zich tot mij, dat zag ik aan zijn priemende vinger. ‘Die roman van jou’, hij riep het over de tafel, ‘die roman van jou… ik zal jou in tien punten zeggen, naar áánleiding van die roman… wat li-te-ra-tuur is…’

Wanda Reisel zat naast me. ‘Dat doet-ie dus nooit’, zei ze zacht. Ze kende hem zeker langer.

En hij deed het ook niet. Pas een jaar of vier later sprak ik hem weer. Hij stelde zich voor. ‘Je ziet er radeloos uit’, zei hij. Dat was ook zo. Tot een gesprek kwam het niet of nauwelijks. Misschien lag dat aan mij.

Later belde hij me een keer op. Mijn redacteur was hij niet, ik hoorde bij de dichter Jan Kuijper. Mijn eerste afspraak met Anthony Mertens. Wat hij van me wilde, ik wist het niet. Misschien had hij alsnog die tien punten opgeschreven.

In het begin van de jaren zestig vertrok Edy de Wilde van Eindhoven naar Amsterdam, om bij het Stedelijk Willem Sandberg op te volgen. De Wilde werd als directeur van het Van Abbemuseum op zijn beurt opgevolgd door Jean Leering, die bouwkunde had gestudeerd in Delft.

Medium afscheidsrede

Leering pakte het in Eindhoven heel anders aan dan De Wilde. Geen fijnzinnige schilderijen meer uit de Ecole de Paris, maar werk van de toen nog niet klassieke avant-garde, de Rus El Lissitzky bijvoorbeeld en de Nederlander Theo van Doesburg, en daarnaast de vertegenwoordigers van het Nieuw Realisme. Zo maakte Eindhoven al vroeg kennis met de gekerfde doeken van Fontana, de met een duimafdruk bedekte eieren van Manzoni, en de lichtgevoelige witte roosters van Jan Schoonhoven.

Daar begon Anthony meteen over in de Engelse Reet, het kleine café vlakbij de Kalverstraat waar we hadden afgesproken, en niet over literatuur. Het was een monoloog die, zo leek het, nooit meer tot een eind zou komen. De gestapelde repen karton in het Van Abbe, hij zag ze nog voor zich, en dan die in het papier gescheurde gaten, de met stront gevulde conserveblikjes. Even zei hij iets heel anders, Emil und die Detektiven, dat was zijn favoriete boek. Wel in het Amerikaans, voegde hij er raadselachtig aan toe, om bliksemsnel weer terug te keren naar glaswol en jute, bijna helemaal wit, de kapstok van Duchamp en de machinetekeningen van Picabia. ‘Ik ben ze nooit meer ver-ge-ten.’

In zijn jeugd woonde hij niet ver van het Van Abbemuseum af. Het werd zijn tweede thuis, hij liep er naar binnen, zonder dat hij op iets speciaals uit was. Wat hij daar had gezien, hij verzwaarde het in de Engelse Reet niet met theorieën, liet alleen maar zien welke eerste indrukken hij bleef beminnen, ook later, als redacteur en als schrijver.

Zijn clowneske temperament, dat bleef, ik leerde het steeds beter kennen. Hij hoefde er nauwelijks moeite voor te doen. Tomas Lieske vierde een nieuw boek eens in een Frans restaurant. Een vriendin van Tomas zat naast me, ze tikte me op m’n arm en vroeg, wijzend op Anthony: ‘Ken ik die man van de tv?’

Anthony zat te ver van ons af, ik herhaalde de vraag met nadruk: ‘Of ze je kent van de tv.’

‘Welk café?’ vroeg Anthony.

Of de door een vuurzee gefnuikte gezondheid van een man in de revalidatiekliniek aan de Overtoom, waar Anthony zijn verstoorde motoriek weer op peil probeerde te brengen. Het gezicht en de handen van de man, ze waren zo goed als weggebrand. Ik zat met Anthony buiten op het terras en de man rolde zich naar ons toe.

‘Heeft u een vuurtje voor me?’

Even later drukte hij de brandende sigaret tussen een paar dunne stangetjes die aan zijn pols waren vastgemaakt. Anthony zei niets. Ik vermoedde dat het voorval zonder hem niet had plaatsgevonden.

De lichtste gebeurtenissen in het Van Abbemuseum en de slordige baldadigheid, als je in zijn buurt bent. Die twee zijn bij hem vermengd geraakt. Je merkt het als je een tekst met hem doorneemt, of wanneer je met hem praat over zo goed als niets.

Door de jaren heen kregen we het over een openstaande deur in Barcelona. Je kon net even zien wat zich in een kamer afspeelt, lopende benen, iemand zit aan tafel en dan is de deur al weer dicht. Over een vos hadden we het, ’t was net of het rood zich meedeelde aan de bomen, de bladeren stonden in gloed. En over je omgeving die je herinnering in kaart brengt, je weet pas dat er ook een roestig hek in je hoofd zit als je er opnieuw tegenover staat. Altijd kregen we het over de jaren ’46-’60, de tijd waar hij nooit genoeg van kan krijgen. Ik hoop dat hij er nog eens een essay over schrijft.

Anthony heeft iets van een wichelroedeloper die geen idee heeft waar hij op uit is en juist door die achteloosheid botst hij steeds tegen iets nieuws op, alsof het hem heeft gezocht. Zijn betekenis voor Querido is heel groot geweest en zal dat ook blijven. Hij heeft er een mentaliteit binnengebracht, die niet verloren mag gaan. Welke dat is, hij weet het zelf niet en ik ook niet. Soms ga je een huis in en je voelt dat er een verdieping hoger al iemand binnen is, zonder dat je hem ziet. De lucht is iets dikker en je hoort zelfs een stem, terwijl er in je nabijheid niets wordt gezegd. En toch weet je al dat hij er is en dat leidt altijd tot iets geks, de schatten van het onverwachte.

Die stem is nu in De Revisor terechtgekomen, carte blanche, als eens in het Van Abbe. En daar staat hij dan in een stuk magistraal onder de douche, als een vijfde Marx Brother, de man die Querido naar de kermis heeft geleid, door zijn pure aanwezigheid en niet met een wijzende vinger.

We mochten erbij zijn, Erica, m’n geliefde, en ik, toen hij een maand of wat geleden, op een late avond, naar het schoolbord in zijn huis liep. Hij begon er met een wit krijtje op te schrijven en verklaarde er van alles bij, met luide stem.

‘Je doet het rechts’, zei Erica, ‘je schrijft weer met je goeie hand.’

Even keek Anthony naar het krijtje, de tranen stonden in zijn ogen, en toen ging hij door.

‘Bedankt, ik kan weer schrijven’, het stond er binnen een halve minuut.

Op 9 november verschijnt van Anthony Mertens Lezen, man! Essays, interviews en kritieken (De Bezige Bij, 432 blz., € 19,90)