De man die verliefd was op de wereld

(Eds.) David King and Francis Wyndham, Bruce Chatwin: Photographs and Notebooks. Jonathan Cape, London, f65,55; Nicholas Murray, Bruce Chatwin. Poetry Wales Press Ltd., f22,15.
Bruce Chatwin was meer dan een reisschrijver met een obsessie voor het ‘nomadisch alternatief’. Hij wilde ook wel eens ergens langdurig naar binnen gluren. In Hay-on-Wye bijvoorbeeld.

DE GEHEIME DAGBOEKEN van Bruce Chatwin zijn zo geheim dat het zelfs niet zeker is of ze wel bestaan. Hij was dronken toen hij tegen zijn vriend Redmond O'Hanlon zei dat daar alles in stond wat iedereen wilde weten. En O'Hanlon was ook weer dronken toen hij er op een feestje tegen een journalist over begon. Chatwin is nu ruim vijf jaar dood en er is nog steeds niets in zicht.
Redmond O'Hanlon is net als Chatwin reisschrijver; daarnaast is hij een van zijn literaire executeurs. Over de dagboeken had O'Hanlon in mei van dit jaar op het Chatwin-festival van Hay-on-Wye niets te melden, maar wel wist hij Chatwin in bijna levenden lijve op het podium neer te zetten, aan de hand van zijn reisverhaal ‘The Congo Dinosaur’. Een toneelstukje voor twee heren.
Chatwin, voor dag en dauw aan de telefoon: 'Ik ben doodziek van het schrijven, Redders! En moe! Moe! Moe!’ Een stem met genoeg energie om je trommelvlies te laten springen. 'En als iemand ziek is van het schrijven, moet hij gaan lopen.’ O'Hanlon (kreunend): 'O god.’ Chatwin (snerpend): 'Wat doe je?’ O'Hanlon (gesloopt): 'Ik lig in bed.’ Chatwin: 'Eruit! Twee glazen groene thee en dan zie ik je over een half uur. Schiet op, het is al bijna licht!’
Er moest op de Black Hill worden gewandeld, op de grens van Engeland en Wales. Daar speelt On the Black Hill zich af, de roman die Chatwin schreef om te laten zien dat hij meer was dan een reisschrijver - het boek gaat over een tweeling die nooit ergens kwam. Alleen in de kerk of in Hay-on-Wye, in het boek omgedoopt tot Rhulen. Het festival aldaar besteedt niet voor niets ieder jaar aandacht aan Chatwin; het stadje is door hem 'into existence’ gezongen.
Redmond O'Hanlon was uitgenodigd om Chatwins lijfelijke aanwezigheid op de Black Hill te bezingen. En om verder te weven aan de mythe van de man die verliefd was op de wereld. Net als in Chatwins eigen werk, was in O'Hanlons verhaal ieder detail van belang. Dat zijn wandelschoenen speciaal voor hem waren gemaakt, en wel van zulk zacht leer 'dat Hermes zo had willen ruilen’. Dat zijn rugzakje vederlicht was en ook al van hoogwaardige kwaliteit. Daarin bevonden zich: een Mont blanc-pen, een aantekenboekje van moleskin, Tolstojs War and Peace, By the Open Sea van Strindberg en 'de elegantste verrekijker die ik ooit heb gezien’. Die had hij van Werner Herzog gekregen, net als de piepkleine Leica van $6000 waar O'Hanlon zo jaloers op was.
Chatwins weergaloze vitaliteit werd dik aangezet in het verhaal van O'Hanlon. Door zijn enorme nomadenpas had Chatwin bij het klimmen al na een paar minuten voorgelegen. O'Hanlon strompelde met twee flessen wijn in zijn rugzak op rubberlaarzen achter hem aan. 'Je moet toch eens behoorlijk schoeisel kopen Redders, bij de Canadian Moccasin Company. Zeg maar dat je een vriend van mij bent.’ Chatwin wees op een boerderij in de diepte: 'De tweeling waar ik over heb geschreven, woonde daar.’
De rest van zijn uitweidingen ging verloren in snelheid en wind. Eenmaal boven op de weg tussen Capel-y-ffyn en Llantony hagelde het, maar Chatwin praatte onophoudelijk door. Over de albatros die op het verkeerde halfrond terecht was gekomen en in Shetland tevergeefs op een nest onbevruchte eieren broedde; over de Indiaan die hij op weg daar naar toe in de trein had ontmoet en die toevallig kwam van een nederzetting die hij op Vuurland had bezocht. Over zijn liefde voor het nomadenvolk in Soedan. En over zijn meest gekoesterde droom: nog eens een echte Russische roman te schrijven.
Zijn monoloog werd verstoord door de knallende motor van een zwalkende bestelwagen. O'Hanlon sprong aan de kant, Chatwin werd midden in een zin ('net als Tolstoj, geen trucjes’) geschept en kwam na een salto weer op zijn benen terecht. 'Dat was absoluut nergens voor nodig’, schreeuwde hij naar de bestuurder. De jongen verontschuldigde zich: hij had geen remmen. 'Nee maar’, antwoordde Chatwin geinteresseerd, 'wat opwindend. Kunnen we een lift krijgen?’
VERVOLGENS SPRONG O'Hanlon van de Black Hill naar een ziekenhuis in Oxford. De twee vrienden lagen er toevallig in aangrenzende kamers. O'Hanlon lag er met hepatitus A, Chatwin met aids. 'Op een dag moet je het ze maar vertellen, Redders. Maar nu nog niet.’
Toen Chatwin zijn diagnose had vernomen, wilde hij van de Jungfrau springen. Of in een woestijn gaan liggen. Maar voor hij iets had kunnen ondernemen, was hij op straat in elkaar gezakt. Nu lag hij af en toe aan een infuus en werd hij dag en nacht verzorgd door Elizabeth, zijn vrouw. Hij ging nog een roman schrijven, de titel stond al vast: 'Utz!’ Het verhaal zou in Praag spelen en zat al helemaal in zijn hoofd. 'En de moraal is heel eenvoudig: maak jezelf nooit dood. Onder geen enkele omstandigheid. Zelfs niet als je aids hebt.’
O'Hanlon zag Chatwin voor het laatst in zijn huis in Oxfordshire, in een zonovergoten kamer met uitzicht op een vallei. Zijn bed lag vol boeken en een manuscript van een beginnend schrijver die hij had aangemoedigd. Naast zijn bed een stapeltje cassettes van jonge musici die hij had gesteund. 'Op het moment kan ik even geen pen vasthouden, Redders. Maar als het weer iets beter gaat, begin ik aan die Russische roman.’ Zijn grijns ging over in een hoestbui.
Redmond O'Hanlon kweet zich aldus van zijn taak de wereld in te lichten over Chatwins ware doodsoorzaak. Want over het verzwijgen daarvan is veel te doen geweest. In What Am I Doing Here, Chatwins laatste verzamelbundel, trekt hij verschillende rookgordijnen op: de mogelijkheid van malaria wordt opengehouden, evenals het eten van een duizendjarig ei. De versie die de overlijdensartikelen zou halen, was de geheimzinnige zwam die zich in China in zijn beenmerg had genesteld. Dat kwam bij maar tien mensen voor en klonk natuurlijk veel chiquer dan aids. Chatwin was nu eenmaal 'incorrigibly stylish’, zoals de laatste zin luidt van de korte biografie die Nicholas Murray over hem schreef.
MURRAY SPRAK OOK in Hay-on-Wye en nam daar het woord 'gay’ onbekommmerder in zijn mond dan in zijn boek. 'Zelfs vrienden die maanden met hem reisden, wisten vaak niet dat hij homoseksueel was.’ In zijn boek is Murray veel gereserveerder. Hij gaat weliswaar uitvoerig in op het gekrakeel dat in de pers ontstond naar aanleiding van Chatwins postume outing, maar meent dat zijn seksuele geaardheid van geen invloed mag zijn bij het interpreteren van zijn werk. Er is bovendien nog te weinig over zijn prive-leven bekend. Murray noemde zijn eigen boek dan ook een 'interim-biografie’; de echte biografie wordt door Nicholas Shakespeare geschreven en verschijnt over een jaar of twee. Voorlopig voldoet Murray’s boek uitstekend. Zijn bewondering voor Chatwins werk gaat nergens met hem op de loop. Francis Wyndham schrijft in het voorwoord bij Bruce Chatwin - Photographs and Notebooks dat Chatwins vroege dood een mythe van hem heeft gemaakt, maar dat het oneerlijk zou zijn als zijn reputatie daaronder zou lijden - hij kon daar zelf immers niks aan doen. Murray laat echter zien dat Chatwin zijn hele leven hard aan zijn eigen legende werkte. Hij was, zoals een van zijn vrienden het zonder malicieusiteit noemde, een geboren mythomaan.
Niet voor niets voelde Chatwin zich aangetrokken tot het scheppingsverhaal van de aboriginals die geloofden dat hun voorouders zichzelf hadden gecreeerd. Eerst zichzelf, toen hun land, dat zij into being hadden gezongen: op lange trektochten hadden zij zingend namen gegeven aan alles wat hun pad kruiste en zo een immense partituur van hun continent gemaakt. Chatwin maakte er in The Songlines een universeel concept van: 'Wherever men have trodden, they have left a trail of song.’ De wereld bestaat pas echt door de echo’s die we daar van weten op te vangen.
In een interview met Michael Ignatieff voor Granta zei Chatwin dat het bestaan van de songlines in Australie hem had gesterkt in zijn overtuiging dat de mens niet in de eerste plaats een territoriale predator was met een instinct om zijn buurman te beroven of te vermoorden. Dat zijn de gevolgen van een sedentair bestaan. Chatwin pleit al vanaf zijn eerste boek In Patagonia voor een 'nomadisch alternatief’. Wij hebben een ingebouwde behoefte om ons te verplaatsen. Om verhalen en liederen uit te wisselen in plaats van goederen en geld. Want daardoor zijn hebzucht en gewelddadigheid onze oerdrift gaan overwoekeren. De wereld is alleen door een nieuwe - maar in feite oeroude - ascetische, respectvolle levenshouding te redden. We moeten licht reizen, de aarde zo min mogelijk beschadigen en zo veel mogelijk lopen. Pas dan werkt ons brein optimaal. Zo was hij zelf eigenlijk alleen on the hoof creatief.
Ignatieff leek echter meer gecharmeerd van Chatwins thuisbasis in Oxfordshire: 'Bruce, we praten in de zonnige kamer van een huis dat uitkijkt over glooiende weiden waar zwarte schapen grazen. Het haardvuur knappert en we hebben net een verrukkelijk geroosterde lamsbout gegeten die Elizabeth voor ons heeft klaargemaakt. Ben je hier thuis?’ Het antwoord, na een lange pauze: 'Het is vreselijk om te zeggen, maar nee. Ik weet ook niet hoe dat komt. Elizabeth wordt er gek van. We hebben hier alles en toch verlang ik er altijd naar om ergens anders te zijn. Dat maakt mij een buitengewoon moeilijk mens om mee te leven.’
Op reis, zei Chatwin in hetzelfde interview, moeten mensen je at face value nemen. Dat beviel hem. Geen wonder, met een gezicht als het zijne. Redmond O'Hanlon zei dat hij nergens onopgemerkt bleef. Want Bruce Chatwin was niet alleen verliefd op de wereld, de wereld was ook verliefd op hem. 'Als hij de trein nam, had iedereen het gevoel dat Adonis zelf was ingestapt.’
TOCH KAN HIJ niet echt ijdel zijn geweest. Tegen het advies van al zijn vrienden in liet hij in 1988 zijn uitgemergelde gezicht op de televisie verschijnen, toen hij met Utz voor de Bookerprize was genomineerd. Hij was achtenveertig en stierf drie maanden later in een ziekenhuis in Nice. Hij had toch nog kans gezien zich een keer te verplaatsen.
Van zijn zes boeken schreef hij er drie met de dood op de hielen. Hij werkte aan The Songlines toen hij hoorde dat hij nog maar kort te leven had. Daardoor verandert het boek na zo'n honderdzestig bladzijden van een reisverhaal in een citatenboek. Twintig jaar ominivoor leesgedrag had honderden aantekeningen opgeleverd die het 'nomadisch alternatief’ moesten onderbouwen. Van Kierkegaards 'I have walked myself into my best thoughts’ tot Boeddha’s laatste woorden 'Walk on’ - hij wilde het allemaal kwijt. In zijn race tegen de tijd zag hij geen kans meer het in de dialogen van zijn verhaal te verweven. Gelukkig had de door hem bewonderde Walter Benjamin geschreven dat het ideale boek eigenlijk uit citaten hoorde te bestaan.
Maar hij knapte weer op en schreef Utz, dat zonder twijfel het meest opmerkelijke boek is dat tot nu toe door een aidspatient werd geschreven omdat het op geen enkele manier naar de ziekte verwijst. Er blijkt bovendien uit dat hij ook uitstekend kon schrijven als hij niet on the hoof was. Daarnaast werkte hij nog aan het samenstellen van What Am I Doing Here, voor het merendeel eerder verschenen werk, aangevuld met wat nieuwe autobiografische stukjes, die overigens eerder verhullend dan onthullend zijn.
Hans Magnus Enzensberger besprak de bundel in de Times Literary Supplement onder de titel 'Much Left Unsaid’. En daarmee doelde hij niet op Chatwins seksuele geaardheid maar op iets onuitgesprokens dat zijn werk pas wezenlijk belangrijk maakt. Onder de briljante oppervlakte van Chatwins teksten, schrijft Enzensberger, waart een kwetsbare, eenzame geest rond die ontroert en aan Toergenjev doet denken. Als we Chatwin herlezen zal vooral dat ongezegde ons boeien. Enzensberger weerspreekt daarmee een veelgehoord oordeel: dat Chatwin briljant maar gevoelloos zou zijn.
Ook Salman Rushdie heeft Chatwin op dit punt verdedigd. Hij reisde met hem door Australie en stond gedeeltelijk model voor Arkady, Chatwins gesprekspartner en reisgenoot in The Songlines. Rushdie schreef ooit in verband met What Am I Doing Here? dat hij het betreurde dat Chatwin niet wat meer van zijn innerlijk had blootgegeven: 'For he was a man of great heart and deep feeling, but he rarely let it into his prose.’
'Wat doe ik hier?’ vroeg Rimbaud zich af in een brief naar huis toen hij in Ethiopie toch weer in een sedentair bestaan verzeild was geraakt. Chatwin had een levenslange fascinatie voor de jonggestorven dichter, die door Verlaine 'de man met de voetzolen van wind’ werd genoemd. Maar achter deze lyrische omschrijving ging een diep gekweld mens schuil. Rimbaud zou wat betreft het ongezegde in Chatwin wel eens een belangrijker sleutelfiguur dan Toergenjev kunnen zijn.
ER IS VEEL in The Viceroy of Ouidah dat aan de grimmige sfeer van Rimbauds leven doet denken. Het is het boek dat Chatwins wat al te optimistische nomadische alternatief het meest ondermijnt. De hoofdpersoon Francisco Manoel da Silva lijkt een leven lang in de hel door te brengen. Hij zwierf al vroeg - uit wanhoop - en was overal ontheemd. Als zijn eenzame omzwervingen door onherbergzame gebieden hem niet langer bevielen, trok hij naar een stad en slenterde hij ’s avonds langs huizen waar licht brandde om naar binnen te gluren. Dan zag hij vaders die met kinderen speelden, mannen die kaartten en vrouwen die glimlachend hun haar vlechtten en dan snakte hij naar 'their simple pleasures of touch and trust’.
Volgens Nicholas Murray diagnostiseerde Chatwin op zijn achtste bij zichzelf al de ziekte van Baudelaire: horreur du domicile. The Viceroy of Ouidah maakt duidelijk dat die afschuw gemakkelijk in een onbestemde vorm van heimwee kan omslaan. On the Black Hill is na The Viceroy of Ouidah geschreven. In een interview in 1982 met Melvyn Bragg voor de South Bank Show zei Chatwin dat het landschap op de grens van Engeland en Wales aanvoelde 'as if it were my home in many ways’. Het is alsof Chatwin in dit gebied na het bizarre leven van Dom Franceso Da Silva beschreven te hebben, eens langdurig ergens naar binnen wilde gluren.
On the Black Hill is in menig openbare bibliotheek bij de streekromans terechtgekomen. In Hay-on-Wye staat het bij de Tourist Information zelfs tussen folders en brochures die het stadje en de omgeving aanprijzen. Met op het omslag een foto uit de maar matig geslaagde film die van het boek werd gemaakt. Zou Chatwin dat erg vinden als hij het had kunnen weten? Nee, want hij was buitengewoon unpossessive, zoals Nicholas Murray opmerkt in verband met de verfilmingen van zijn werk.
Die losse houding tegenover elke vorm van bezit had hij niet altijd gehad. Tegenover Michael Ignatieff beschreef hij zichzelf als iemand die tot zijn zesentwintigste een nogal akelig kapitalistje was geweest. Op zijn zesentwintigste was hij de jongste directeur van Sotheby. 'I was an instant expert’, maar, 'verschrikkelijk ongelukkig’: 'Ik had net zo goed voor een begrafenisonderneming kunnen werken.’ Het afstropen van de overlijdensadvertenties van de Times om te zien of er nog buit te halen viel, kwam hem op het laatst als onverdraaglijk sinister voor. Op zijn handen begonnen pijnlijke plekken te ontstaan door het voortdurend vasthouden van schilderijen. Een soort stigmata. Op een ochtend werd hij wakker en kon hij niet meer zien. Een teken dat hij lang genoeg had getuurd.
In plaats van een bril werd hem het zicht op verre einders voorgeschreven. Hij trok de wijde wereld in. En begon niet alleen met schrijven maar ook met fotograferen. Na zijn dood bleken er tienduizend dia’s in dozen te zitten. Geen 'writerly pictures’ zoals Francis Wyndham in het voorwoord bij Bruce Chatwin - Photographs and Notebooks schrijft, maar 'painterly pictures’, sterk herinnerend aan de schilderijen van een Kenneth Noland of een Rauschenberg.
DE FOTOTENTOONSTELLING die dit jaar in Hay-on-Wye de presentatie van het fotoboek begeleidde, vond plaats in een tent. Dat zou Chatwin hebben bevallen; hij hield nu eenmaal meer van tenten dan van piramides, meer van een gebedsvlag dan van een kathedraal, zoals ook blijkt uit Photographs and Notebooks. Het festival is de afgelopen jaren steeds gesofisticeerder geworden maar voltrekt zich nog steeds hoofdzakelijk op een weiland in Radnorshire, in tenten, met zicht op de Black Hill.
Misschien is het wel hetzelfde weiland waar Chatwin voor het eerst de Black Mountains heeft gezien. Hij was negen, woonde in Birmingham waar zijn vader advocaat was, en werd samen met zijn broer mee uit rijden genomen. Zijn vader, ook niet vrij van nomadische trekjes, besloot plotseling op de grens van Wales de nacht in de auto door te brengen. De volgende morgen werden zij in een weiland in Radnorshire wakker, vanuit een dichte grondmist aangestaard door peinzende schapen. De kiem voor On the Black Hill is toen gelegd, schrijft Murray.
Voorlopig kan het festival nog jaren met Chatwin voort. Wie weet wordt volgend jaar het Kronos Quartet uitgenodigd om The Songlines van de Zuid-Afrikaanse componist Kevin Nolans uit te voeren. Of L'homme aux semelles de vent op basis van de gedichten van Rimbaud, waarvoor Chatwin het libretto schreef. ’s Morgens vroeg bijvoorbeeld, in de open lucht, als de laatste dauwflarden nog net niet zijn verdwenen.