De man en zijn auto

Je fietst op de gracht. Netjes aan de rechterkant van de weg, tegen de Amsterdammertjes aan, bijna. Want je wilt het achteropkomende verkeer de ruimte geven. Je hoort het gegrom van een auto, het blijft hangen. Een paar honderd meter blijft het je volgen. Het grommen gaat af en toe over in een hysterisch soort brullen: hij geeft gas. Hij wil je laten merken dat hij achter je rijdt. Ja ja, denk je. Ik kan niet verder naar rechts. Je kunt me best passeren, toch?

Nog een uithaal. Dan de claxon, driftig. Ik wil erlangs, toetert de auto. Je schuurt met je fiets een Amsterdammertje, en je wenkt: toe maar, je kunt me inhalen.
Hij komt op gelijke hoogte. De auto rijdt naast je. Je schiet in de lach: het is een klein Fiatje, smal genoeg om je drie keer te passeren ook al reed je op het midden van de gracht.
De man achter het stuur kijkt je razend aan. Steekt zijn middelvinger op. Spuugt naar je door het open raampje.
‘Toe maar! Haal me maar in! Zo groot is-ie niet, hoor!’
Dat had je niet moeten zeggen. Met piepende banden stopt het autootje, je scherp afsnijdend. Schuimbekkend stapt de man uit zijn lieveling. Hoe klein het ding ook is, in de voorstelling van de man is het een gevaarte dat enorm veel ruimte inneemt. Waar iedereen voor aan de kant moet.
'Hoe bedoel je, zo groot is-ie niet? Hè? Hoe bedoel je?’
Zonder het antwoord af te wachten gaat hij op je voorwiel staan. Hij haalt uit en geeft je een dreun op je tanden. Uit het open raampje van de mini-Fiat dreunt de bass van Alle Dertien Hard House. De man krabt aan zijn geslachtsdeel, spuugt nog één keer (op de grond) en stapt weer in. Tegen de auto’s die achter hem staan te wachten steekt hij zijn middelvinger op. Er zitten allemaal mannen in. Hun auto is zo ontzettend groot dat ze er niet langs kunnen. Echt heel erg groot is-ie.