Er was steeds minder om zich aan vast te houden. Alles brokkelde af. Alles werd minder.
Maar nu komt hij opgewekt aangeslenterd, toch. Op zijn gezicht, onder zijn snor, zweeft een glimlach, naar binnen gekeerd. De man die opgewekt komt aangeslenterd, de man die niets meer heeft behalve zijn Harley-dromen, heeft toch nog iets om zich aan vast te houden.
Hij krabt eraan. Hij knijpt erin. Hij aait. Hij wrijft. Hij wriemelt. Hij schuift. Hij wikt. En weegt. Gelukkig. Hij zit er nog.
De glimlach wordt groter. Hij zit er nog. Kwestie van op tijd controleren. Liefst in het openbaar. Op een drukke stoep. Je recht aankijkend. Terwijl die hand van hem…