De man en zijn geslacht

Traag en bijna-indrukwekkend komt hij aangeslenterd. De benen in spreidstand, de o vormend die stamt uit de tijd dat hij nog cowboy was en te paard op Indianen jaagde. Of als resultaat van de dikke Harley Davidson die hij ‘onder zijn kont’ heeft, ‘s nachts, als hij wensdroomt in zijn nieuwbouwbed, naast zijn nieuwbouwvrouwtje. Zijn nieuwbouwleven is een grote teleurstelling. De kinderen kwamen omdat ze toevallig kwamen, de illusies gingen omdat ze geruisloos gingen. En alles werd kleiner. Niets betekende meer iets. De man zag het gebeuren. De man zag het aan. Met lede, lede ogen.

Er was steeds minder om zich aan vast te houden. Alles brokkelde af. Alles werd minder.
Maar nu komt hij opgewekt aangeslenterd, toch. Op zijn gezicht, onder zijn snor, zweeft een glimlach, naar binnen gekeerd. De man die opgewekt komt aangeslenterd, de man die niets meer heeft behalve zijn Harley-dromen, heeft toch nog iets om zich aan vast te houden.
Hij krabt eraan. Hij knijpt erin. Hij aait. Hij wrijft. Hij wriemelt. Hij schuift. Hij wikt. En weegt. Gelukkig. Hij zit er nog.
De glimlach wordt groter. Hij zit er nog. Kwestie van op tijd controleren. Liefst in het openbaar. Op een drukke stoep. Je recht aankijkend. Terwijl die hand van hem…