De man en zijn plas

Overal. Langs de weg. In de winkelstraat. Tegen de muur van de kerk. Tegen je huis. Het is vooral het gebaar waarmee het wordt besloten: het proleterige achterwerk, gestoken in de eeuwige bleekblauwe spijkerbroek, wordt hoekig en onbehouwen naar achteren gewrikt, waarna linker- en rechterarm in het kruis iets schikken. Het gebaar suggereert een instrument van driekwart meter, dat bungelend nadrupt voordat het in de broek wordt gevouwen.

De man kijkt over zijn schouder terwijl hij daar staat. Plassend. Overal. Hij loost zijn urine om zich heen, trekt zijn stinkende spoor door de stad. Als om zijn territorium af te bakenen. Het territorium van de viezerik.
Vaak zijn het er drie, vier, vijf op een rij. Dan lachen ze hard en roepen iets heen en weer over bier. Over meer bier. En over lekkere wijven.
De kerk ziet het bedroefd aan. En voelt het cement tussen zijn bakstenen weggevreten worden.
De mannen kijken over hun schouder. De eerste zegt iets. De tweede schatert. De derde klatert, en de vierde pist over zijn schoenen.
Dan: het gebaar. Eén, twee, drie, vier keer het achterwerk naar achteren, hoekig en imponerend. Het geslacht wordt weer naar binnen gevouwen. De man recht zijn rug. Ritst zijn rits dicht. Goedkeurend bekijkt hij de natte plek tegen de kerkmuur. De man is voldaan. De afdruk is gezet. Het spoor nagelaten.