De man en zijn twijfel

Had je het tegen mij? Had je het tegen mij? Hé jongens, hij had het tegen mij. Hoor je dat? Dat gastje daar had het tegen mij. Moet je hem zien, jongen. Die gast is hartstikke gek, joh. Die gozer is niet helemaal jofel, joh. Met die kop van hem. Zie je dat, die kop van hem? Ben jij een vent? Of ben je een mietje? Jij bent zeker een mietje, hè? Met die kop van je.

Zullen we die eens effe gaan verbouwen, jongens? Die kop van dat mietje? Ja, jongens, zullen we dat effe gaan doen? Weet-ie tenminste wat een echte man is, dat ventje. Houdt-ie voortaan tenminste zijn lekkere bekkie dicht, hè mietje?
Ga jij toch effe je kontje verkopen, viezerik, met je mooie oogies. Met je mooie jasje dasje schoentjes. Met dat pruimemondje van je. Hoeveel tanden heb je? Tel ze maar goed, zometeen zijn het er een stuk minder.
Wat dacht jij? Dat je kon weglopen? Hé jongens, hij denkt dat-ie kan weglopen, met dat vieze kontje van hem. Ha ha, jongens dat kan niet, hè? Nee, dat kan niet.
Wat zei je? Wat zei je daar? Zei je dat tegen mij? Tegen mij, viezerik? Zei je dat tegen mij?
Hoe durf jij tegen mij te praten, klootzak. Ik hoor jou niet eens, wist je dat? Ik hoor jou niet eens. We pakken hem, hè jongens?
Wat zei je? Zei je wat?