De man in de spiegel

Het was even schrikken vanochtend. Ik stond op en voelde niets. Dat wil zeggen: niets om je tegen af te zetten of tegenaan te schoppen. Het leven leek ineens op een meer waarop geen enkele rimpeling kan ontstaan. Alsof je buik - bij mij de plek waar het geweld van de emoties het meest voelbaar is - hersendood is verklaard. Alsof je cogito in een lauwe pap is veranderd.

Naarmate het verschijnsel duidelijker werd begon de angst toe te nemen. Stel je eens voor dat je niet meer kwaad te krijgen bent. Dat je geen woede vanuit de tenen van je buik voelt opkomen. Ik keek in de spiegel en zag onmiddellijk dat er iets was veranderd. Mijn gezicht was op het eerste gezicht nog altijd mijn gezicht. Maar omdat ik als enige ter wereld word geacht deskundig te zijn in het observeren van mijn eigen gelaat, zag ik dat er iets niet klopte. Toch stonden de ogen, de mond en de oren nog steeds op hun plaats en mijn haren waren niet uitgevallen. Ik besloot een test te doen en glimlachte. Alles werkte perfect: de lippen werden dunner en er ontstonden lichte rimpeltjes bij de mondhoeken. Maar mijn glimlach had iets onnatuurlijks. Het was de glimlach van iemand die tevreden is en daarom glimlacht. Mijn hele lichaam schokte naar achteren. Alsof ik in de spiegel de duivel had ontwaard. Het kon niet waar zijn; ik ben namelijk een ontevreden mens die niet zomaar glimlacht. Ook niet voor een test. Die glimlach moest van iemand anders zijn. Ik draaide me om en constateerde dat ik alleen in de kamer was. Ik werd hierdoor niet gerustgesteld. Want als het klopte dat die glimlach van iemand anders was, restte nog de vraag hoe hij op mijn lippen had kunnen belanden. Ik krabde op mijn hoofd en voelde een bobbel die ik de dag ervoor had gekregen door me tegen de keukenkast te stoten. Dit was dus toch mijn eigen hoofd. Bovendien lagen al mijn herinneringen er keurig in opgeslagen. En terwijl ik nog eens met mijn wijsvinger het bobbeltje aaide, zag ik de vreemde glimlach nog steeds om mijn lippen. Zo'n lange sessie glimlachen had ik nog nooit eerder meegemaakt. Het had iets meligs, die boterzachte uitdrukking op mijn doorgaans harde gelaat, maar ik kon me er niet over opwinden. Kwaad worden ging echt niet meer. Toen besloot ik maar eens goed naar mijn ogen te kijken. Niet naar de ogen zelf, want die hadden natuurlijk dezelfde grootte, vorm en kleur, maar naar wat ze op dat moment in staat waren te produceren. Mijn ogen produceerden een blik. Maar die blik die zo indringend op me was gericht, kon ik niet plaatsen. Mijn ogen hadden nog nooit zo'n uitstraling gehad. Ze leken uit velours en zijde te zijn gemaakt, en niet zoals normaal uit beton. Ik sloot ze een paar keer teneinde de blik te verjagen. Maar telkens wanneer ik mijn ogen opendeed, was de blik er nog. Ik knipperde als een bezetene tot ik tranen in mijn ogen kreeg. Maar dwars door het oogvocht zag ik duidelijk dat de onbekende blik nog zacht glinsterde. En omdat hij door de nog steeds aanwezige glimlach werd onderstreept, kreeg ik sterk de indruk dat ik de man in de spiegel niet kon zijn. Ik dacht aan de novelle Le Horla van Guy de Maupassant en werd door een soort onbehagen bevangen. De Horla is een onzichtbare indringer die in de novelle bezit neemt van de verteller. Ik probeerde het onbehagen van me af te schudden door alle kranten tegelijk te gaan lezen. Maar gek genoeg was er geen enkel onderwerp dat mijn bloed deed koken. Niet de overdaad aan mediabelangstelling voor de dood van JFK jr., niet de teelbalkanker van Lance Armstrong en ook niet de gecensureerde benen van PTT-beambten. Toen gaf ik me gewonnen, liet mijn schouders hangen en keek verslagen in de spiegel naar de glimlachende man met glinsterende blik. Plotseling besloot ik te aanvaarden dat ik op die ochtend klaarblijkelijk gelukkig was geworden.