De man in het midden

IEDEREEN KENT HEM, in Amsterdam-Zuid. Wie bij Albert Heijn in de P.C. Hooftstraat boodschappen doet, laat de krant in het rek bij de kassa’s liggen. Daarvoor loopt men graag met de volle boodschappentas een stukje om, naar kantoorboekhandel H.M. Brugman. Ook de kerstkaarten per dozijn van V&D laat de buurtbewoner voor wat ze zijn. Hij kiest er liever een paar uit de veel kleinere collectie van meneer Brugman. En zijn rolletjes plakband en Prittstiften kosten een dubbeltje meer, maar lijken ook echt beter te plakken.

Meneer Brugman weet van het verkopen van een krant iets te maken. Je krijgt er een elastiekje omheen, of een tasje als het regent. Hij verstaat de kunst om tegen iedere klant hoffelijk te zijn zonder onderdanigheid, om vriendelijk te zijn zonder gemaaktheid. Meneer Brugman maakt altijd een praatje en is nooit chagrijnig.
Remco Campert kocht elke dag de avondkranten bij hem. Soms wijdde hij een column aan zijn ‘buurtkantoorboekhandelaar’. Half oktober schreef Campert opeens in de Volkskrant: 'Na bijna vijftig jaar houdt meneer Brugman er binnenkort mee op. Dat is iets dat me treurig stemt. Hem ook trouwens. (…) Ach, alles gaat voorbij, ook kantoorboekhandelaren en dichters.’
Ontzetting in de buurt. Want wat is de buurt nog zonder meneer Brugman? Er kwam een afscheidsreceptie in de zaak, waar zijn klanten massaal op afkwamen. En er kwam een afspraak: dat meneer Brugman zou vertellen over een carrière van vijftig jaar in de kantoorboekhandel.
JAN BRUGMAN (66): 'Mijn eerste liefde was het postkantoor. Andere jongetjes willen brandweerman of politieagent worden, maar dat was mij te ruw. Ik wilde achter een loket. Ik kende een mannetje op de Stadhouderskade, daar zat toen nog een postkantoor, naast het Rijksmuseum, en die zou een goed woordje voor me doen. Daar is nooit wat van gekomen.
Toen ik zeventien was en van de mulo kwam, wilde ik nog maar één ding: bij mijn vader in de winkel. Maar mijn vader zei: Als je het ven wilt leren kennen, dan moet je eerst ergens anders werken, waar je niet in de watten wordt gelegd. Dus ging ik solliciteren bij een wijnlokaal in de Damstraat. Ik kom daar voor een gesprek, ik zie dat pand en ik denk: dat wordt niks. Als ik híer mijn leven moet doorbrengen, achter die hoge muren… Er zat geen raampie in, alleen maar steentjes! Ik heb een envelop gekocht en een stuk papier en ik heb daar een briefje staan schrijven: Bedankt voor de uitnodiging, maar helaas ben ik al voorzien. Ik terug naar huis. Mijn vader vraagt: En? Ik zeg: Ze hebben iemand anders aangenomen. Hij zegt: Dan blijf je maar bij mij werken tot je wat anders hebt gevonden. Ik ben nooit meer weggegaan.
Mijn vader heette Hermanus Martinus, H.M. Brugman. Ik heet J.G.A., maar ik ben de zaak altijd H.M. Brugman blijven noemen, ter ere van mijn vader. Ik dacht: als ik maar nooit failliet ga, want dan gaat H.M. Brugman mee.
Ik ben nu 66, dus ik ben net geen vijftig jaar in de winkel geweest. Dat had ik wel vol willen maken, maar er kwam opeens iemand die de winkel wilde kopen. Dat heb ik gedaan, want een kantoorboekhandel verkopen, dat gaat zo makkelijk niet meer tegenwoordig.
Ik heb er erg veel pijn aan gehad. Toen hij zei dat hij belangstelling voor mijn winkel had, heb ik een hele nacht opgezeten om te denken: waar ben ik aan begonnen? Ik heb er nu een beetje spijt van. Ik had best nog vier jaar door willen gaan. Dan was ik zeventig geweest. Een mooie leeftijd om ermee op te houden.
Maar ik heb me laten overhalen. De mensen zeiden: anders kom je nooit meer van die zaak af. Ik luister te veel naar anderen, dat is mijn fout.’
'IK HOUD ZO veel van de kantoorboekhandel. Als klanten bij mij binnenkomen, zeggen ze vaak: het ruikt hier naar papier. Ik ruik dat niet meer, maar ik vind het een heerlijk artikel. Ons vak heeft jaargetijdenartikelen. Met kerst heb je het druk met kaarten en cadeautjes, in januari zijn er de nieuwe agenda’s, in het voorjaar krijg je sen, in de zomer zijn er veel buitenlanders, die willen ansichten en plattegronden, in augustus komen de schoolagenda’s. Je gaat met alle tijden mee. Als je maar goed gesorteerd bent, en je bent goed en beleefd tegen de mensen, dan hoef je nooit een stille tijd te hebben in de kantoorboekhandel.
Ik vind het nog niet het ergste dat ik mijn winkel niet meer heb, maar dat ik mijn klanten, mijn buurt kwijt ben. Mijn klanten zijn alles voor me. Ik vind het zó erg dat ik hier nu op een bovenhuis zit en geen klanten meer zie. Nou moet ik er alweer van huilen, gek hè? Maar ja, ik heb het bijna vijftig jaar gedaan en je moet een keer afscheid nemen van je werk, zeggen ze.’
'MIJN VADER IS op 1 augustus 1910 begonnen met kantoorboekhandel Brugman in de Rozemarijnsteeg. Die zaak liep goed. De huisbaas zag dat en deed elke week een dubbeltje boven op de huur. Er was toen nog geen huurbescherming, en op een gegeven moment kon mijn vader die huur niet meer opbrengen. Daarom is hij in 1926 naar de Utrechtsestraat 106 verhuisd. Hij verkocht schrijfblocs en schriften en vulpennen. Van die ouderwetse dikke Parkers. Als je er daarvan een verkocht vroeger, dan had je een goeie dag, hoor. Kranten waren er toen nog niet in de kantoorboekhandel. Die werden alleen in de kiosk verkocht. Wel tijdschriften: De Lach, Panorama, Libelle.
In 1938 kwam om de hoek bij mijn vader Lorjé te zitten, een grote kantoorboekhandel. Die Lorjé bekeek alle prijzen in de etalage van mijn vader en ging daar steeds onder zitten. Als een schrijfbloc bij ons drie kwartjes kostte, deed hij het voor zeventig cent. Dan ging mijn vader naar 69 cent, en hij weer naar 65 cent. Dat was niet vol te houden. Ze hebben mijn vader gewoon weggepest daar. In 1941 heeft hij de boel weer opgepakt en is hij naar Willemsparkweg nummer 8 gegaan, om de hoek bij het pand waar ik nu zit, in de Alexander Boersstraat. Die zaak in de Willemsparkweg stond barstensvol. Mensen noemden het altijd de winkel van Dickens. Dat is een oude schrijver.
Van 1910 tot 1930 is het voor mijn vader armoe geweest. Toen werden mijn broer en ik geboren en moest hij nog harder sappelen. In 1940 begon de oorlog. Toen viel er tot '45 niks te verdienen. Je was blij als je het leven had. Tien jaar heeft het geduurd voordat alles weer een beetje was opgebouwd. Toen was het 1955, en in 1961 is mijn vader overleden. Hij heeft dus maar zes goede jaren gehad. Maar hij was toch gelukkig. Hij was gelukkig met zijn gezin.
Mijn vader was ook boekbinder. ’s Avonds was hij pas om negen uur klaar. Dat krijgen we nu weer terug, die rottijd. Dan ging hij nog aan de slag met zijn boeken. De hele avond zat hij te binden. Zo verdiende hij weer een tientje bij.
Ja, daar ben ik tegen, dat plan met die winkelsluitingstijden. Tot zeven uur zou nog wel gaan, maar niet tot negen uur. Want de mensen blijven dan tot half negen thuis zitten, en om kwart voor negen gaan ze boodschappen doen. De winkelier komt dan pas om half elf bij zijn gezin - nou, dat vind ik misplaatst. De Bijenkorf en de Hema hebben er geen last van, die zetten er wel personeel in. Maar de kleine man is de dupe.
In de jaren zeventig, tachtig heb ik goede zaken gedaan. Had mijn vader dat nog maar mogen meemaken! Ik heb nooit zorgen gehad, alles wat ik wilde kon ik doen: naar de bioscoop, bij een voetbalclub, een racefiets kopen. Nu loopt de handel terug. Niet alleen in de kantoorboekhandel, in de kleine zaak in het algemeen. Dat komt door de Makro en de Maxis en al die andere grootmachten.
Na mijn vaders dood stond ik alleen in de winkel. Ik was toen 32. Ik ben altijd bij mijn ouders blijven wonen. Mijn moeder had haar heup gebroken, ze was hulpbehoevend. Mijn broer was al getrouwd, dus ik was de enige die voor haar kon zorgen. Zodoende ben ik nooit getrouwd. Dan had mijn moeder naar een rusthuis gemoeten, en dat wilde ik haar niet aandoen. Er was wel een meisje met wie ik samen leerde voor het praktijkdiploma boekhouden. Dat had wat kunnen worden, maar ja, dat ging dus niet. Ik was ook erg verlegen, en later in de winkel was het moeilijk om contact te leggen. Als ik iemand aardig vind, zou ik dat niet zo gauw durven zeggen. Nu ben ik dus alleen. Het had veel leuker geweest met z'n tweeën. Maar vorige maand op mijn afscheidsreceptie heb ik zó veel zoenen gehad, ik heb het helemaal ingehaald.’
ALLES HEB IK zien veranderen, alles. Kijk, oude foto’s van de Alexander Boersstraat. Geen auto te bekennen. Hier zat vroeger fietsenmaker Jut, en daar zat Snel. Twee fietsenmakers naast elkaar. Op de ene etalage stond: “Deze zaak heeft niets met de winkel hiernaast te maken”.
Daar om de hoek zat Vana, een kruidenierswinkel. Die had de bijnaam Van Alles Niks Aanwezig. Die is weg. Alle groentenboeren: ook allemaal weg. Sommigen kunnen zich nog handhaven door van die dure delicatessen te verkopen. Verder is het enkel nog supermarkt. Alleen ik ben met nog twee of drie andere zaken hier in de buurt overgebleven.
Voor de kantoorboekhandel wordt het ook moeilijker, omdat alles met computers gaat. Binnenkort hebben ze geen balpen meer nodig. En veel kantoren zijn verhuisd naar Duivendrecht of het World Trade Centrum. Dat waren grote klanten voor mij. Ben ik allemaal kwijtgeraakt.
Ik had een hotel in de Van Eeghenstraat als klant. Die kwam elke week tien cassettes kopen voor de schrijfmachine. Op een gegeven moment komt die man bij mij in de winkel, hij zegt: Brugman, ik heb weer een cassette nodig. Ik zeg: Eentje maar? Tien toch? Nee, zegt-ie, die koop ik voortaan bij de Makro, dan krijg ik korting. Dat zei hij gewoon in mijn gezicht. Toen was de aardigheid eraf. Ik dacht: dan doe ik ook mijn best niet meer om het voor hem te verkrijgen. Hij is zelf weggebleven.
Ik heb vier gewapende overvallen meegemaakt. In 1981 voor het eerst, toen kwamen er drie mannen met pistolen binnenstormen. Geld moeten we hebben, geld geld, riepen ze. Maar ik gaf het niet, ik zei: ik moet er zelf hard voor werken. Toen hebben ze me neergeslagen met zo'n pistool en ben ik met mijn hoofd op een stelling met succesagenda’s terechtgekomen. Een hele plas bloed werd dat. Ze hebben de kassa opengeramd en nog een molen met kaarten omgegooid en toen zijn ze weggerend. Met misschien duizend, vijftienhonderd gulden. De opbrengst van een dag. Daarna is het nog een keer gebeurd. Weer drie mannen met een pistool met een heel lange loop, en nog twee overvallen met een mes. Je doet er niks tegen als je alleen bent. Ze doen de deur dicht en je staat gevangen.
In mijn vaders tijd is er een keer een wekkertje uit de winkel gestolen. Dat heeft hem vreselijk beziggehouden. Een klokkie van een tientje misschien. Jaren later moesten we het nog horen, dat er uit zijn zaak ooit eens iets was gestolen.
Ik heb een heel lieve mevrouw van 85 als klant. Die kwam laatst huilend bij me binnen. Ze zegt: Wat heb ik gehoord, meneer Brugman? U houdt ermee op! Ik zie u nooit meer terug! En huilen dat ze deed. Ik een arm om haar heen, ik zeg: Huil nou maar niet, dan kom ik wel eens bij u op bezoek. Dat heb ik ook gedaan. En zij kwam naar mijn receptie met een grote bos rozen.
Twintig bloemstukken heb ik gehad bij mijn afscheid, en 39 flessen wijn. Er waren wel 175 mensen. De oud-directeur van Het Parool is weest, meneer Sandberg, en meneer Beeren van het Stedelijk Museum, en Theo Olof. En Remco Campert niet te vergeten. Kijk hier, een kaartje van hem: “Veel geluk in uw nieuwe leven”. Hij was mijn lievelingsklant. Hele lieve man is dat. Elke dag kwam hij de krant bij mij kopen. Soms was hij erg in zichzelf gekeerd, maar meestal maakten we een praatje.
Het is helemaal niet zo'n stijve buurt hoor, Amsterdam-Zuid. Er is gevoel, en warmte, en harmonie. Anders had ik het er nooit uit kunnen houden, al die tijd. Als je de mensen kent zijn ze heel lief, daar kom ik echt voor op. Het ligt ook een beetje aan jezelf. Ben je stug en zeg je nooit wat, dan gaan de klanten gauw weer weg. Ik had voor iedereen een praatje. Ik houd ook niet van rangen en standenverschil. Prinses Christina kwam wel eens bij mij in de winkel. Dat vond ik natuurlijk wel leuk, maar een ander is voor mij net zo belangrijk. Bekende Nederlanders hebben gewoon op hún manier hun doel bereikt. U bent journalist en ik ben winkelier geweest. Iedereen heeft zijn eigen taak in de maatschappij.
Een kleine winkel in de buurt is heel belangrijk. Mensen willen een aanlooppunt hebben. Er waren klanten die mij hun hele hebben en houden vertelden. Mensen die gescheiden zijn, of moeilijkheden hebben met hun kinderen. Die vragen mij hoe of ik erover denk, en wat ze moeten doen. Dan probeer ik met raad en daad bij te springen. Ze gaan niet naar een dokter of een raadsman, ze komen bij mij. Dat heb ik niet één, maar zeker twintig keer meegemaakt. In het stadsblad schreven ze ook: “Brugman neemt afscheid van zijn praathuis”.
De kleine man heeft nog contact met zijn klanten. Dat heeft de supermarkt niet. Ga maar eens bij de Dirk van den Broek voor de kassa staan. Ze zien niet eens dat je er staat. Ga maar eens naar de Bijenkorf. Ze zien niet eens dat je er binnenloopt. Maar die supermachten zijn wel goedkoper, natuurlijk. Als ik honderd schrijfblocs koop, kopen zij er vijfhonderd tegen een hogere korting. Ze zeggen wel eens: de kleine man is duurder, maar dat is niet zo. Wij betalen meer inkoop. Als je dan geen hogere prijs rekent, graaf je je eigen graf.
Over tien jaar is de hele kleine handel weg, en ook de gezelligheid. Die is nu al weg. Vroeger kreeg ik elke week een kroket van een mevrouw in een winkel om de hoek. Dat gevoel was er toen nog, dat je wat geeft aan iemand die je aardig vindt. Dat mis ik wel, al ben ik geen ouderwets type. Ik kan de hedendaagse tijd ook wel waarderen.
Maar straks is er geen keus meer en kunnen de grootmachten alle prijzen verknoeien. Dan heb je maar te betalen wat zij vragen. Als kleine man ben ik helemaal niet voor het grootkapitaal. Daarom ben ik ook middenstander. Ik zeg altijd maar zo: Ik ben niet links, ik ben niet rechts, ik ben midden.’