Rolf Hosfeld, Tucholsky: Ein deutsches Leben

De man met de 5 P’s

Kurt Tucholsky schreef briljante artikelen waarin hij sociale misstanden aankaartte. Toch vond hij dat je als schrijver aan de kant moest blijven staan. Uit de nieuwe biografie komt hij naar voren als een gespleten man. ‘Ik heb de lach van een clown, maar van binnen huilt het.’

Twee grote satirici kende de Duitse literatuur van de vorige eeuw, Kurt Tucholsky en Karl Kraus – en in veel opzichten leken ze op elkaar. Beiden hadden rechten gestudeerd en waren afkomstig uit de joodse minderheid van respectievelijk Berlijn en Wenen. Hun naam is onlosmakelijk verbonden met een tijdschrift, Tucholsky schreef voor Die Weltbühne en Kraus vulde lange tijd bijna in z’n eentje het net zo legendarische Die Fackel. Allebei waren ze gespecialiseerd in uiterst venijnige, polemische artikelen waarin ze de klassenjustitie en het militarisme hekelden en op de gevaren van het opkomende antisemitisme en radicalisme wezen.

Zelfs hun reacties op Hitlers machtsovername in 1933 vertoonden veel overeenkomsten. ‘Mir fällt zu Hitler nichts ein’, luidt de beroemde en vaak geciteerde zin van Karl Kraus, geschreven luttele weken na de politieke ommekeer in Duitsland. De Wener was van mening dat satire en ironie tekortschoten tegenover de nieuwe harde realiteit, hij deed er liever het zwijgen toe. Ook Tucholsky’s reactie getuigde van een vroege berusting, om niet te zeggen van defaitisme. Al in 1930, toen er zeker nog hoop gloorde voor de Duitse democratie, had hij geschreven: ‘Mijn satirische opmerkingen over Brüning (de Duitse kanselier vlak voor Hitler – wr) en Hitler worden steeds zeldzamer. Het interesseert me niet meer. Voor het overige bekijk je Duitsland het beste van buitenaf.’

Op dat moment had Tucholsky zijn vaderland al de rug toegekeerd. Hij was in 1930 naar Zweden geëmigreerd, waar hij zijn laatste levensjaren in bijna volstrekte eenzaamheid doorbracht in een villa nabij Göteborg – tot aan zijn voor velen verrassende zelfmoord in 1935. Vanaf 1933, toen Die Weltbühne in Duitsland werd verboden (het blad kon nog enkele jaren in Wenen en Praag verschijnen) en zijn naam bovenaan op de beruchte ‘Ausbürgerungsliste’ van de nazi’s verscheen, werd weinig meer van Tucholsky vernomen. Tucholsky weigerde zelfs om te schrijven voor emigrantentijdschriften – wat hem door andere, veel strijdvaardigere ballingen als Joseph Roth, Walter Benjamin en Klaus Mann niet in dank werd afgenomen. ‘De emigranten zijn op de verkeerde weg’, schreef hij. ‘Onze zaak heeft verloren, dan moet je als fatsoenlijke man van het toneel verdwijnen.’

Tucholsky’s vroege resignatie, zijn onwil om de strijd aan te gaan met Hitler en consorten, is voor eerdere biografen als Gerhard Zwerenz en Fritz Raddatz een raadsel gebleven – net als zijn zelfmoord op de leeftijd van amper 45 jaar. Ook Rolf Hosfeld komt er in zijn nieuwste Tucholsky-studie niet helemaal uit. Was het de uitzichtloze politieke situatie? Speelden de depressies waaraan Tucholsky al veel langer leed niet ook een belangrijke rol? Zeker is dat Tucholsky, die in de jaren twintig als reporter en correspondent door heel Europa trok en overal vrienden had, in Zweden eenzaam en ook arm was geworden – zijn Duitse vermogen werd volledig geconfisqueerd. De conclusie die je na het lezen van de nieuwe biografie moet trekken is dat Tucholsky al rond 1930 het leven had afgesloten.

‘Ein deutsches Leben’ luidt de ondertitel van Rolf Hosfelds studie – en dat geeft meteen aan dat het hier voor een belangrijk deel om politiek en geschiedenis gaat. Tucholsky’s schrijvers­leven was kort, speelde zich af tijdens de woelige Republiek van Weimar en de opkomst van de dictatuur. Als joodse pacifist met linkse sympathieën en fervent tegenstander van elk soort nationalisme (‘de laagste vorm van alle hartstochten’) had hij van meet af aan een slechte prognose in zijn vaderland.

Kurt Tucholsky – geboren in 1890 in Berlijn als zoon van een geassimileerde bankdirecteur – begon al tijdens zijn studie te schrijven en werd in 1912 op slag beroemd met zijn debuut Rheinsberg. Deze charmante en vlot vertelde liefdesroman behoort samen met zijn latere, in Zweden geschreven en gesitueerde roman Schloß Gripsholm (1931) nog steeds tot zijn populairste werken. Enkele maanden later werd hij medewerker van Die Schaubühne (in 1918 omgedoopt tot Die Weltbühne), het invloedrijke weekblad waarin onder auspiciën van uitgever-schrijver Siegfried Jacobsohn en de latere Nobelprijswinnaar Carl von Ossietzky het puikje van intellectueel en vooruitstrevend Duitsland publiceerde: Else Lasker-Schüler, Alfred Döblin, Erich Mühsam, Klaus Mann, Egon Erwin Kisch, Lion Feuchtwanger, Erich Kästner en vele anderen.

Tussen 1913 en 1933 verschenen in Die Weltbühne duizenden bijdragen van Tucholsky, meestal onder ietwat bizarre pseudoniemen als Peter Panter, Theobald Tiger of Ignaz Wrobel – ‘Der Mann mit den 5 P’s’ werd hij wel genoemd. Het waren briljant geformuleerde artikelen waarin hij graag sociale misstanden aankaartte en de ‘Pöbelsleute’ (gepeupel) van rechts op de korrel nam. Gelijktijdig schreef hij veel satirisch-karikaturale teksten over de misère van de Duitse kleinburger alsmede een groot aantal cabaretteksten – onder meer voor Erika Manns legendarische gezelschap Die Pfeffermühle.

In de late jaren twintig tendeerde Tucholsky steeds meer naar links, kortstondig sympathiseerde hij zelfs (tot irritatie van Thomas Mann en Joseph Roth) met de communisten. Toch is Tucholsky nooit een overtuigd communist geweest; de in 1919 vermoorde rode voorvechters Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg vond hij ‘warhoofden’, en ook zijn verhouding tot Bertolt Brecht bleef altijd gedistantieerd. Als schrijver, zo vond Tucholsky, moest je per se onafhankelijk blijven, aan de kant blijven staan, en geen aansluiting zoeken bij een politieke partij.

Engagement demonstreerde Tucholsky in zijn laatste levensjaren vooral als het ging om de zaak Carl von Ossietzky, het zogenaamde Weltbühnenprozeß. Von Ossietzky, de uitgever en politiek commentator van het weekblad (in 1926 op voorspraak van Tucholsky redactielid geworden), was in 1931 wegens landverraad tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Als uitgever werd hij onder meer verantwoordelijk gehouden voor een zin die Tucholsky had geschreven: ‘Soldaten sind Mörder.’

Een jaar later kreeg hij amnestie, maar in de nacht van de Rijksdagbrand in 1933 werd hij opnieuw gearresteerd en drie jaar opgesloten in het concentratiekamp Papenburg-Esterwegen. Zijn laatste twee levensjaren – hij stierf in 1938 – bracht Von Ossietzky door in een ziekenhuis onder toezicht van de Gestapo. Na een bijna wereldwijde campagne, die door Tucholsky werd gecoördineerd, ontving Von Ossietzky in 1936 de Nobelprijs voor de vrede – zijn promotor was toen al een jaar dood.

Kurt Tucholsky was een uiterst veelzijdige en productieve schrijver die naast romans, verhalen en gedichten bijna alle journalistieke genres heeft beoefend. Wat is er overgebleven van zijn werk? De twee hierboven genoemde romans zijn feitelijk niemendalletjes, geschikt voor scholieren om Duits te leren. Zijn literaire essays, kronieken en reportages zijn daarentegen nog steeds springlevend, mede door zijn frisse stijl en vaak verrassende optiek. (Tucholsky had een bijzondere neus voor literair talent en was een van de eersten die op de betekenis van Franz Kafka, Robert Walser en Ernst Weiß heeft gewezen.) Nog belangrijker en absoluut aan te raden is een deel van zijn columns, feuilletons of satiren. Hier blijkt zijn fenomenale talent om het taalgebruik van de gewone man te persifleren, zijn humor en satire, gevoel voor gags. Wie hem nog niet of onvoldoende kent zij verwezen naar populaire bloemlezingen als Panter, Tiger Co, het Tucholsky-Lesebuch of Zwischen Gestern und Morgen (alle bij Rowohlt als pocket).

Bloemlezingen van Tucholsky’s werk waren al tijdens zijn leven populair, en in Duitsland (waar menig citaat van hem tot de gevleugelde woorden behoort) is hij nog steeds een van de meest gelezen klassieke schrijvers. Ook in Nederland heeft hij altijd zijn aanhangers gehad, bijvoorbeeld onder columnisten als Renate Rubinstein en Hugo Brandt Corstius. Rubinstein vond hem een van de prikkelendste Duitse stilisten, in haar legendarische Tamar-columns in Vrij Nederland heeft ze in de jaren tachtig regelmatig over hem geschreven en op medewerkersbijeenkomsten van het weekblad citeerde ze zijn gedichten uit het hoofd.

Rolf Hosfeld legt in zijn helder geschreven biografie de nadruk op de politieke en historische context. De puur literaire kanten van Tucholsky komen daarentegen te kort. Geen woord over zijn stijlmiddelen, ook een literair-historische indeling ontbreekt. Het blijft bij de opmerking dat Tucholsky in de traditie staat van zijn grote voorbeeld Heinrich Heine. Interessant zou een vergelijking zijn geweest met de bovengenoemde Karl Kraus, wiens naam slechts zijdelings wordt genoemd. Overigens is het werk van Kraus minder aan de actualiteit gebonden, taal­kritischer en vooral filosofischer – als schrijver acht ik hem van een hoger kaliber.

Uit Hosfelds biografie komt Tucholsky naar voren als een tamelijk gespleten man, in wiens borst twee zielen streden. Enerzijds was hij een vitale en humoristische levens­komiek, een altijd naar fratsen en dartele invallen neigende erotomaan. Hij logeerde graag in luxe-hotels, ging bijna dandyachtig gekleed (zo verschijnt hij ook in Kafka’s dagboeken) en had aan iedere vinger een vrijster. Anderzijds neigde hij naar zwaarmoedigheid en trok hij zich graag terug in eenzaamheid. Hosfeld spreekt zelfs van ‘diepe depressies’ en van een ‘vaak doelloze rusteloosheid’. Tucholsky was nog geen veertig jaar oud, op het toppunt van zijn roem, toen hij al zinspeelde op zijn einde en repte van ‘een optimistisch voorgevoel van de dood, een vrolijk besef van het einde’. Misschien typeerde hij zichzelf wel het best: ‘Ik heb de lach van een clown, maar van binnen huilt het.’


Rolf Hosfeld, Tucholsky: Ein deutsches Leben, Siedler, 320 blz., € 22,70