De man met de hamer

In de handen van Sue Prideaux ontstijgt Friedrich Nietzsche de karikatuur van de filosofische brompot en wordt hij een volwaardig karakter. Met malle gewoontes.

Op m’n negentiende vloog ik met een vriend naar Havana. Na een hobbelige landing werd ik door een beambte uit de rij passagiers geplukt. Ik schat dat ze nauwelijks ouder was dan ik. Ze droeg een veel te groot legeruniform en een karabijn op haar rug.

De jonge Cubaanse begeleidde me naar een donker kamertje. Daar trok ze langzaam alle kleren uit mijn rugzak. Toen ze begreep dat ik meer boeken dan T-shirts bij me had, begon het meisje te giechelen. ‘Are you a student?’ vroeg ze in perfect Engels, waarop ik zo stoer mogelijk stamelde: ‘Yes, I study philosophy.’ Op dat moment greep ze me vast en sperde ze haar bruine ogen wijd open. ‘Me too’, fluisterde ze. ‘Do you have any Nietzsche? We don’t read him here.’

Helaas, ik moest haar teleurstellen. En hoewel ik nog probeerde indruk te maken met twee lijvige romans van Hemingway en De ontdekking van de hemel, sloeg mijn nieuwe kameraadje haar ogen neer. ‘You may go’, zei ze, en wees me de deur.

Na de vakantie begon ik Nietzsche te lezen. Eerst verslond ik een oude Amerikaanse pocket, The Portable Nietzsche, die ik van mijn vader had gepikt. Daarna kocht ik op het Spui in Amsterdam een fraaie, gebonden editie in het Duits.

Ik associeerde de naam Friedrich Nietzsche (1844-1900) destijds met de Übermensch (in het Engels meestal nogal onhandig vertaald als Superman), de Wille zur Macht, het fascisme en die ene hysterische uitspraak: ‘God is dood! Hij blijft dood! En wij hebben hem vermoord!’ Maar tot mijn verbazing vond ik een schrijver met een aanstekelijk gevoel voor humor, heel zwartgallig, wiens gedachte-experimenten je allerlei kanten op kunnen sturen. Tijdens de eerste jaren van mijn studie hing zijn uitspraak ‘Er bestaan geen feiten, alleen interpretaties’ boven mijn grenen bureautje.

Edvard Munch, Friedrich Nietzsche, 1906 © Munch Museum, Oslo

Het eerste wat opvalt als je Nietzsche bestudeert is dat hij door zóveel verschillende mensen voor het karretje is gespannen. Fascisten én anarchisten, nihilisten én feministen, psychoanalytici en zelfs theologen – ze beschouwen de filosoof met de hamer allemaal als voorloper of inspiratiebron.

En hij is nog steeds hot. Heel hot. De alt-righters lopen met hem weg. Richard Spencer, een Amerikaanse neofascist, beweert door Nietzsche te zijn bekeerd tot zijn onheilige geloof. Linkse postmodernisten zien in Nietzsche’s afwijzing van alle grote waarheden een voorafschaduwing van hun eigen relativisme, terwijl Jordan Peterson in Nietzsche’s ‘wil tot macht’ juist een legitimering zoekt voor zijn eigen essentialistische kolder. Wil de échte Nietzsche misschien even opstaan?

Dat doet hij, in een nieuwe biografie: Ik ben dynamiet: Het leven van Nietzsche van de Britse romanschrijver en biograaf Sue Prideaux. Het is een schitterend boek. Ik kan me eigenlijk geen betere inleiding op het leven en werk van een grote denker voorstellen. Prideaux heeft uitputtend bronnenonderzoek gedaan, ze legt Nietzsche’s ideeën uit in kraakhelder proza, en ze vertelt het verhaal van zijn leven met de vaart en verslavende montagetechnieken die we kennen uit de beste Netflix-series. Ik ben benieuwd wie Nietzsche zal spelen; er komt ongetwijfeld een verfilming.

En wie spelen de vrouwen dan? Want Prideaux tilt de dames in Nietzsche’s leven uit hun bijrollen en plaatst ze op de voorgrond, waar ze horen. Vrouwen moeten een enorme invloed hebben gehad op een filosoof die, na de vroege dood van zijn vader, opgroeide bij zijn moeder, oma, twee tantes en zusje.

Neem dat zusje. Elisabeth (koosnaam ‘de lama’) Nietzsche (1846-1936). Dat moet een afgrijselijk mens zijn geweest. Prideaux zet haar neer als een schijnheilige burgertrut – ze kan haar walging nauwelijks verbergen als ze Elisabeths mierzoete brieven citeert – die na zijn dood haar broers werken beheerde, herschreef en kapotredigeerde, om er vervolgens fascistische propaganda van te maken. Ze schraapte zijn meest duistere schrijfsels bijeen en publiceerde na zijn dood het fascistische boek Der Wille zur Macht (1901). Of Cosima Wagner (1837-1930), de trotse echtgenote van Nietzsche’s grote held, die de jonge Friedrich steeds weer welkom heette in haar kasteel in de bergen, waar ze zelfs een kamertje voor hem inrichtte om rustig te schrijven. Of Lou Andreas Salomé (1861-1937), de vlijmscherpe en beeldschone Russin voor wie Nietzsche een vurige liefde koesterde, en die later ook de harten van Rainer Maria Rilke en Sigmund Freud zou veroveren. De vrouwen zijn de ware hoofdrolspelers van dit boek.

Nietzsche doorzag de wiegeliedjes van de gevestigde religies, de potsierlijke nonsens van de Romantiek

Zo maakt Prideaux korte metten met Nietzsche’s vermeende misogynie. Ja, hij schreef wat onbehoorlijke dingen over vrouwen (‘Vrouwen kennen geen ware vriendschap; het zijn nog katjes en vogeltjes’) maar daar staan andere, juist proto-feministische standpunten tegenover. In De vrolijke wetenschap (1882) schrijft Nietzsche hoe belachelijk het is dat jonge vrouwen worden beknot in hun seksualiteit. En hij was een van de weinige professoren die in 1874 stemden voor het toelaten van vrouwen aan de universiteit van Basel. Nietzsche behandelde vrouwen volstrekt gelijkwaardig, laat Prideaux zien. Zijn leven lang hechtte hij waarde aan intelligente vrouwen en sloot hij hechte en langdurige vriendschappen met hen, concludeert ze, ondanks zijn paar uitglijders. Daarmee gaat ze in tegen de huidige neiging om historische figuren met terugwerkende kracht aan de schandpaal van de politieke correctheid te nagelen.

Prideaux is precies wat een goede biograaf behoort te zijn: niet onkritisch, wel gul. In haar handen ontstijgt Nietzsche de karikatuur van de filosofische brompot en verschijnt ten tonele als een volwaardig karakter, malle gewoontes incluis. We leren dat hij graag flirtte in treincoupés en dat hij zich verschool achter zijn enorme borstelsnor. Een grote snor houdt mensen op afstand, beweerde hij. ‘Het geeft de indruk dat je militant of agressief zult zijn.’

Centraal in het boek staat Nietzsche’s ziekte. Velen zullen het verhaal van zijn leven in grote lijnen wel kennen: na een moeizame jeugd volgt een aanstelling als hoogleraar filologie (op zijn 24ste al), daarna een stormachtige periode van reizen en schrijven, daarna zijn gekte, waarna hij langzaam wegkwijnt onder de vleugels van zijn fascistische zusje.

Van dat verhaal wijkt Prideaux niet ver af. Haar bijdrage ligt niet zozeer in het blootleggen van nieuwe feiten, als wel in de interpretatie van de oude. Zo laat ze mooi zien hoe, terwijl Nietzsche’s lichaam het stukje bij beetje begaf, zijn geest almaar scherper werd, hoe zijn ideeën werden geslepen op de vele kwalen, tegenslagen en al het liefdesverdriet. In de rozentuinen van rusthuizen, onder malle parasolletjes, tussen de migraine-aanvallen door, achter zijn steeds slechter ziende ogen, ontwikkelde Nietzsche volgens Prideaux zijn innerlijke arendsoog. Daarmee doorzag hij de grootste illusies van zijn tijd: de wiegeliedjes van de gevestigde religies, de potsierlijke nonsens van de Romantiek, de grenzeloze hubris van de natuurwetenschappen. Geen ideologie of gedachtegang was heilig. Je begrijpt plotseling waar zijn fantasie van de Übermensch vandaan komt: het is de belichaming van zijn eigen, onverbiddelijke geest.

Maar de vraag is natuurlijk: wat blijft er van je over als je zo denkt? Prideaux doet een moedige poging om de belachelijke verklaringen van Nietzsche’s artsen (hysterische blindheid door zelfbevlekking, et cetera) te vervangen door geüpdatete kennis. Had de arme drommel dan toch syfilis opgelopen tijdens een bezoekje aan Napels? Of had hij misschien een erfelijke vorm van schizofrenie? Maar de waarheid is: je hebt geen medische verklaringen nodig om Nietzsche’s aftakeling te begrijpen, want zonder illusies kan geen mens leven. Wie gelooft van wel houdt zichzelf voor de gek óf wordt het. Nietzsche’s leven is niet alleen het verhaal van lichamelijke achteruitgang, maar ook van een geest die een lichaam opvreet.

Zelfs de ontwikkeling van zijn aforistische stijl is te duiden vanuit die aftakeling. Nietzsche kon niet te lang nadenken, want denken deed hem fysiek pijn. Zijn ideeën moesten dus zo beknopt mogelijk worden opgeschreven. En misschien ligt in die vorm ook wel de verklaring voor zijn huidige aantrekkingskracht op zo’n uiteenlopende groep lezers – aforismen kunnen grootse waarheden bevatten, maar ze zijn ook zéér voor interpretatie vatbaar. Het zijn net tweets.

Hitler schijnt ooit tegen Leni Riefenstahl te hebben gezegd: ‘Ik kan niets beginnen met Nietzsche… hij is niet mijn gids.’ En dat is ook niet zo vreemd. Uit alles wat de filosoof ooit schreef – dat niet door zijn zus bij elkaar werd geplakt of verzonnen – blijkt dat hij géén rassendenker was (de Übermensch had volgens Nietzsche geen raciale kenmerken), géén antisemiet (hij schreef ooit: ‘Ik zet alle antisemieten tegen de muur’) en géén nationalist (hij was een voorstander van een verenigd Europa).

Leon Trotski was wél een fan, maar ook van het socialisme moest Nietzsche niets hebben. In de biografie beschrijft Prideaux hoe hij en Wagner ooit een hele avond moesten grinniken om Nietzsche’s suggestie dat hij een socialistische spion was. De filosoof met de hamer was niet links of rechts. Dat maakt het feit dat zijn nalatenschap al een eeuw lang wordt geclaimd door fascisten en ander tuig zo verschrikkelijk tragisch.

Freud beweerde ooit dat iemand die depressief is de wereld ziet zoals die werkelijk is: betekenisloos en wreed. Volgens Freud zijn het de ‘gezonde’ mensen die uiteindelijk in een waanvoorstelling leven. Nietzsche, God bless him, had niets op met wanen, totdat hij er permanent in verdween.

Als je een politieke houding uit het leven en werk van Nietzsche zou moeten destilleren, dan zou het een onverbiddelijk kritische houding zijn – de houding van een adolescent die zich afzet tegen zijn ouders, fel gekant tegen iedere vorm van ideologie en mooimakerij, maar ook radicaal individualistisch: ‘word wie je bent’ is zo’n andere, lekker citeerbare uitspraak. Als het individu ooit in staat zou zijn om de ketenen van de illusies af te schudden, zou het triomferen, dacht Nietzsche. Dat geloof maakt zijn project alsnog utopisch – of hoopvol, zo je wil.

Ik heb me vaak afgevraagd wat de filosofische grensbewaker in Havana precies zocht in het werk van Friedrich Nietzsche, en waarom ze geen toegang tot zijn boeken had. Als ik een naam of adres had, stuurde ik een exemplaar van Ik ben dynamiet per luchtpost naar Cuba.