Gedaanten van de dood

De man met de zeis

Door de eeuwen heen is de dood op vele manieren verbeeld. In de literatuur en de beeldende kunst is de man met de zeis altijd een favoriete figuur geweest. Maar tegenwoordig hebben we Brad Pitt.

De dood heeft vele gedaanten aangenomen sinds het moment dat de mens begreep dat hij er niet eeuwig zou zijn. De verbeelding van de dood, de voorstelling die stervelingen van hem maken, varieert met de tijd en cultuur waarin mensen leven. De oude Egyptenaren maakten een ritueel van de dood en het begraven van hun soortgenoten. Zij geloofden dat de levenskracht, de «ziel» bestond uit verscheidene componenten waarvan de ka de belangrijkste was. Die ka, een duplicaat van het lichaam, zou na de dood overgaan naar het rijk der doden, waar hij werd beoordeeld door Osiris, de koning der doden, met zijn 42 duivelse assistenten.

De oude Grieken wisten dat de ziel van een gestorvene naar de onderwereld verhuisde. De ingang daarvan werd gevormd door de rivier de Styx, waar de veerman Charon de doden overzette. Charon was de zoon van de Nacht en van Erebus, die de duisternis personifieerde onder de aarde waar de dode zielen doorheen gingen om het domein van Hades te bereiken, de god van de dood.

Charon werd in de kunst voorgesteld als een nurkse, grimmige grijsaard, die bij de Etrusken de gedaante van een doodsduivel had en was uitgerust met een hamer.

In de Middeleeuwen was de dood zo alomtegenwoordig dat hij bijna familie was. De dood was deel van een universele orde. Het lichaam van een gestorvene werd teruggegeven aan de aarde, zonder gedenkteken. Begrafenisrituelen waren er nauwelijks. Dat veranderde met de opkomst van het individuele bewustzijn. Wat eerst alleen nog aan de hogere klassen was voorbehouden, drong in de loop der decennia door tot alle lagen van de bevolking: de dood was een individuele aangelegenheid.

In de voorstellingen die toen van de dood werden gemaakt, is dat te zien: Magere Hein wordt afgebeeld in het gezelschap van een individu, en niet langer te midden van een groep mensen. Meestal als een geraamte, schaars gekleed, en een kraai in zijn nabijheid. Voorheen overviel hij een groep mensen tegelijk, maar nu hakt zijn zeis maar één hoofd tegelijk af, en maait niet langer met één haal een dozijn nekken doormidden.

Robert Southwell schreef in 1595 het gedicht Upon the Image of Death, waarin de noodlottige eindigheid van het leven weliswaar een zaak is van alle mensen, maar de confrontatie en de verstandhouding met de dood een individuele aangelegenheid zijn. In alle dingen ziet de dichter een bevestiging van zijn mens-zijn, dat is zijn stoffelijkheid, zijn tijdelijkheid. De mantel die hij draagt, het mes waarmee hij zijn vlees snijdt, en de oude stoel waarop hij zit: al die dingen vertellen hem dat hij moet sterven. Zijn voorouders zijn tot stof vergaan, en veel van zijn vrienden zijn weg. Denkt hij te kunnen ontsnappen? «No, no, I know that I must die.»

De voorstelling die de dichter van de dood heeft, is representatief voor de heersende opvatting in die tijd. Southwell schrijft: «I often look upon a face/ Most ugly, grisly, bare and thin;/ I often view the hollow place/ Where eyes and nose had sometimes been;/ I see the bones across that lie,/ Yet little think that I must die.// I read the label underneath,/ That telleth me whereto I must;/ I see the sentence eke that saith/ Remember, man, that thou art dust!/ But yet, alas, but seldom I/ Do think indeed that I must die.»

Niemand ontkomt aan de dood. Koning Salomon deed dat niet, de grote Samson niet, geen keizer, geen arbeider. Van oost tot west beeft men bij het horen van de naam Alexander de Grote, of die van Julius Caesar, maar uiteindelijk hebben die ook het onderspit moeten delven tegen de dood.

De dichter Longfellow schetst een ander, «moderner» beeld van de man met de zeis in zijn gedicht The Reaper And The Flowers. «There is a Reaper, whose name is Death,/ And, with his sickle keen,/ He reaps the bearded grain at a breath,/ And the flowers that grow between.»

De man met de zeis snijdt de bloemen die op de aarde groeien — hij snijdt het leven van de mensen af — maar hij doet dat niet met plezier. Integendeel, de dood heeft tranen in zijn ogen. Met een kus op hun treurende bladeren neemt hij de bloemen mee, van de aarde vandaan. Hij kan er ook niets aan doen, hij doet alleen maar zijn werk. Gelukkig zullen alle bloemen later weer gaan bloeien, in velden van licht, waar ze zullen worden herplant met liefde en zorg. Daar zullen als een sieraad worden gedragen door heiligen, op hun witte kleren. Misschien dat die gedachte enige troost kan bieden aan degenen die een geliefde moeten afstaan aan de dood. Zoals de moeder die haar kinderen verliest:

«And the mother gave, in tears and pain,

The flowers she most did love:

She knew she should find them all again

In the fields of light above.

O, not in cruelty, not in wrath,

The Reaper came that day;

‘Twas an angel visited the green earth,

And took the flowers away.»

De vreeswekkende zeisman is zijn gruwelijke trekken kwijt: die dag is hij een engel als hij de bloemen komt weghalen. De moeder die treurt om haar gestorven kinderen weet dat zij een nieuw leven zullen krijgen, aan de andere kant van het sterven. Daardoor wordt ook de dood zelf minder afschrikwekkend, zelfs bijna vriendelijk.

Die bewust zelf gecreëerde troost is wat in allerlei religieuze varianten terugkeert als de goede dood, de schone dood, de lieve dood — als gids naar de andere zijde, als begeleider over de grens tussen hiernumaals en hiernamaals, is de dood een medereiziger vol sympathie en begrip. Een vriend.

Maar in de grond blijft de dood natuurlijk iets verschrikkelijks. Een wreed einde van het leven, een brute scheiding van de mens van zijn bestaan. Die wreedheid en bruutheid zijn dan ook nooit afwezig in de afbeeldingen van de dood. Magere Hein, steevast een man (of het skelet van een man), is gewapend met een zeis, houdt een zandloper vast en wordt vergezeld van een kraai. Andere attributen die Heer Dood bij zich kan hebben, zijn pijl en boog, een lans of speer, een bijl, een weegschaal en een doodskist. In zijn gezelschap kan zich een engel bevinden, de engel des doods.

De socio-historicus Philippe Aries onderzocht de plaats en betekenis van de dood in onze cultuur. Hij concludeerde dat de domeinen van seks en de dood in de westerse cultuur waren gescheiden tot het einde van de Middeleeuwen, onder invloed van het christendom. Toen dat aan macht inboette, en het individuele bewustzijn groeide, kwamen die twee domeinen dichter bij elkaar. Eeuwen later versmolten ze tot een macaber soort erotiek, die vooral door de symbolisten en decadenten op uiterst innemende wijze werd verbeeld.

Kunstenaars begonnen tegen het einde van de negentiende eeuw allerlei overeenkomsten tussen de dood en erotiek te ontdekken. In de tijd van de Decadentie, het einde van de negentiende eeuw, was in de literatuur en de beeldende kunst steeds vaker een nieuw beeld van de dood te zien. In navolging van Charles Baudelaire ontwikkelden vele schrijvers een fascinatie of obsessie voor de dood.

Baudelaire was de eerste dichter die in zijn werk de schoonheid van de dood bezong. De dood verschijnt in de gedaante van een vrouw, en dat is geen blozende blondine. Het mooie en het droevige zijn onlosmakelijk verbonden, de allerhoogste schoonheid is de gedoemde schoonheid. Keats schreef in zijn Ode on Melancholy al: «She dwells with Beauty,/ Beauty that must die…»

In het gedicht Les Deux Bonnes Soeurs beschrijft Baudelaire diezelfde verwantschap:

Losbandigheid en Dood, het zijn twee lieve meisjes (…)

Kist en alkoof, zij bieden vruchtbaar vloekend

Om beurten, zoals twee trouwe zusters,

Verschrikkelijk genot en gruwelijke zoetheid.

Mario Praz inventariseert in zijn onovertroffen studie Liefde, dood en duivel de invloed van Baudelaire, die zich uitstrekte tot Victor Hugo. Die dichtte in 1871:

De Dood en Schoonheid zijn twee diepe dingen

Die zoveel duister, zoveel blauw bevatten dat zij lijken

Twee zusters beiden even gruwelijk als vruchtbaar

Koesterend één raadsel, één geheim.

Octave Mirbeau schreef de roman Le jardin des supplices, waarin opnieuw de verbondenheid tussen liefde en dood tot het uiterste wordt doorgevoerd: «Ze zei met zachtere, bijna hese stem: Ik zal je verschrikkelijke dingen leren… goddelijke dingen… eindelijk zul je weten wat liefde is! Ik beloof je dat je, met mij, zult afdalen tot op de bodem van het mysterie van de liefde… en van de dood!… Liefde is iets ernstigs, droevigs en diepzinnigs… Liefde en Dood zijn een en hetzelfde… Zeg eens, heb je er dan nooit tijdens de liefdesdaad van gedroomd een mooie misdaad te bedrijven? Dat wil zeggen je individu te verheffen boven alle maatschappelijke vooroordelen en alle wetten, kortom, boven alles?»

De Belgische kunstenaar Félicien Rops verbeeldde eenzelfde idee in zijn schilderijen, tekeningen en etsen. Zijn voorkeur ging uit naar pornografische en morbide taferelen, waarin hij keer op keer verbeeldde hoe het kwaad aantrekkelijker was dan het goede, en hoe in het verval de hoogste schoonheid schuilt, hoe de dood gepaard gaat met de diepste wellust. Het prachtwerkje La Mort qui Danse laat een skeletteuze vrouw zien die met haar billen draait en heel koket haar dansje doet —een geperverteerd soort aantrekkingskracht. Ook in het werk van de Engelsman Aubrey Beardsley en Fransman Gustave Moreau is een dergelijke fascinatie voor de verlokkingen van de dood te zien. Het schilderij Salomé van Moreau waarop de onthoofding van Johannes de Doper wordt afgebeeld (op bevel van Herodes die is gevallen voor de charmes en de sluierdans van Salomé, het serpent) is een klassieker. De koning der Decadenten de schrijver J.K. Huysmans schreef over dit schilderij, en over de betoverende schoonheid en morele verdorvenheid van Salomé: «Zij bleef vaag, zij verloor zich, geheimzinnig en uitzinnig, in het verre waas der eeuwen, ongrijpbaar voor angstvallige, aardse mensen, alleen toegankelijk voor onevenwichtige, gescherpte geesten die door hun neurose helderziend waren geworden… onbegrijpelijk voor alle schrijvers die nooit de verontrustende uitzinnigheid van de danseres hebben kunnen weergeven, de geraffineerde grootheid van de moordenares. In Gustave Moreaus werk (…) werd zij min of meer de symbolische godheid van de onverwoestbare Wellust, de godin van de onsterfelijke Hysterie, de gedoemde Schoonheid, boven allen uitverkoren door de catalepsie die haar vlees doet verstijven en haar spieren verharden; het monsterlijke, onverschillige, onverantwoordelijke, ongevoelige Beest, dat als Helena uit de Oudheid alles vergiftigt wat haar benadert, alles wat haar ziet, alles wat zij aanraakt…»

Die (zwart-)romantische ideeën zijn eigenlijk nooit weggegaan uit onze cultuur. Moderne romantici hanteren nog immer het beeld van de dood als een verlosser, als een vriend, die altijd in de buurt is, en die altijd kan worden aangeroepen, de profundis, om te komen en een einde te maken aan dat lijden dat leven heet.

Jeroen Brouwers, de grootste romanticus uit de Nederlandse literatuur, laat in zijn boeken vaak «het meisje mooi als de dood» terugkeren. Zij is de enige die de schrijver kan verlossen van de kwelling die leven heet. Verlossing komt in de vorm van een verschrikkelijk mooie vrouw, die vergetelheid brengt. Versmelten met die vrouw is het ontvluchten van de tijdelijkheid; seksualiteit, de kleine dood, verheft de mens boven zijn stoffelijkheid en gunt hem een blik op het eeuwige.

Jotie T'Hooft (1956-1977), de grootste zwart-romanticus uit de Nederlandse literatuur, eindigt zijn gedicht Een brief als volgt: «Lieve dood, ik neem afscheid van jou in de koorts/ in het ochtendlicht, in de maandag die mij wekte/ en diep in mij weet ik: wat ik blindelings volg// is uw toorts.»

Volgens de Britse socioloog Geoffrey Gorer wordt de dood in de twintigste eeuw net zo behandeld als seks in de negentiende: het onderwerp wordt vermeden, vooral voor kinderen, of omzichtig, in eufemismen, besproken. In deze tijd is de dood, net als seks toen, verborgen, een gebeurtenis die achter gesloten deuren plaatsvindt.

De visuele verbeelding van de dood in de negentiende eeuw laat een sterk besef van discontinuïteit en onthechting zien. De doodsfotografie neemt een hoge vlucht. Mensen wilden hun dierbaren als het ware bij zich houden, om de scheiding te overwinnen. Het beeld van de geliefde overleefde hemzelf.

Het beeld van de dood in de hedendaagse maatschappij is allang niet meer die magere man met die zeis. De dood is Brad Pitt, die in de film Meet Joe Black de gelijknamige hoofdpersoon speelt. Joe Black is een vriendelijke, charmante jongeman die door iedereen aardig wordt gevonden. Het meisje Susan maakt zelfs een afspraakje met hem, en wordt in de loop van de film steeds meer door hem aangetrokken. Haar vader, Bill, is op een leeftijd dat hij kan gaan sterven. Hij begint de grote vragen te stellen: over het leven en de dood. Dan krijgt hij antwoorden, van een vriendelijke jongeman. Bill is bang om dood te gaan. Joe Black vergezelt hem dagelijks bij de dingen die hij doet, en helpt Bill zelfs om zakelijke overwinningen te boeken.

Joe Black is een ietwat verstrooide wereldvreemde jongeman, met gevoel voor humor. Hij vindt alles in het sterfelijke leven fascinerend, zoals pindakaas, koekjes en het meisje Susan. Iedereen mag Joe graag. Maar ze weten niet dat hij de dood is. Toch blijkt het bezoek van de dood Bill en de anderen uiteindelijk niet slecht te zijn; in feite is de dood iets goeds. Bill wordt een goed mens, en doordat hij door Joe de Dood wordt bezocht aan het einde van een vruchtbaar leven, stelt hij zijn stoffelijke bestaan nog meer op prijs. Het leven is mooi, omdat wij sterven. Leve de dood, want anders hadden we de schoonheid van ons bestaan nooit zo intens kunnen ervaren.

Dit lijkt kenmerkend voor onze voorstelling van de dood: wellicht onder invloed van het debat rond euthanasie, en van de steeds vrijere omgang met het sterven, begint de dood stilaan iets van zijn gruwelijkheid te verliezen. Hij wordt alledaagser, meer alomtegenwoordig. Natuurlijk probeert onze cultuur de dood te overwinnen, het leven te rekken en de eeuwige jeugd te creëren zoals de alchemisten de steen der wijzen — desondanks verbeelden wij de dood zonder grote problemen als een goede kennis. Die er nog leuk uitziet ook.