De man met het masker de wederopstanding van bob dylan

Als Bob Dylan God is, is Greil Marcus zijn profeet. Alleen zijn de kunstenaar en zijn criticus het niet altijd met elkaar eens. Een gesprek naar aanleiding van Marcus’ laatste boek over de meesterwerken en misstappen van ‘s werelds grootste rock-'n-roll-legende.
Greil Marcus, Stemmen uit de kelder: Bob Dylan’s Basement Tapes. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 238 blz., 339,90. Ook Mystery Train verscheen in vertaling bij Nijgh & Van Ditmar. De onvertaalde boeken van Greil Marcus worden geïmporteerd door Nilsson & Lamm.
HET WAREN enerverende dagen voor Greil Marcus, cultuurhistoricus te San Francisco. Bob Dylan lag met een als levensgevaarlijk omschreven schimmelziekte rond het hart (histoplasmosis fungal) in het Mount Sinai Memorial Hospital in New York en het leek er aanvankelijk sterk op dat het nu toch definitief over was voor de man met de zeven rock-'n-roll-levens. Over de hele wereld waren journalisten in de weer met Dylan-necrologieën en ook Marcus moest eraan geloven.

‘Ik heb de afgelopen dagen niets anders gedaan dan premature grafredes over Bob Dylan afsteken voor kranten, radio en tv’, zegt Marcus, genietend van het riante uitzicht dat zijn kamer in hotel Dikker & Thijs over de Amsterdamse grachtengordel biedt. 'Het is alsof niemand kan wachten op het moment dat Dylan dood is, om met hem ook de hele periode te begraven waarvan hij het symbool is. Lennon is dood, Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison ook, alleen Dylan staat er nog altijd als een soort levend misverstand in het tijd-ruimtecontinuüm. Dat schijnt de mensen te storen. Ze willen een afgerond beeld, en zolang Dylan in leven is kan hij dat alleen maar in de war schoppen. Iedereen staat te popelen om de laatste pagina van dit leven om te slaan en het boek te sluiten. Dat is eigenlijk al dertig jaar aan de gang, maar de druk wordt nu steeds groter.’
GREIL MARCUS verwierf in 1975 wereldfaam met zijn boek Mystery Train, door velen nog steeds beschouwd als het beste boek ooit over rock-'n-roll geschreven. Marcus is een geharnaste Berkeley-intellectueel. Hij studeerde politicologie en doceerde American Studies aan de Berkeley-universiteit, precies in de tijd dat de campus aldaar was veranderd in het zenuwcentrum van de grote Amerikaanse hippiedroom, alwaar Karl Marx en Che Guevara werden gepresenteerd als anti-iconen voor Mickey Mouse en president Johnson.
In alles is Marcus een kind van de sixties. Zijn stijl is een voorbeeld van wat er zou gebeuren als Adorno lsd had gebruikt, tegelijkertijd zwaar analytisch en excellerend in associatiekunst, in een vaak als 'elektrisch’ omschreven taal die zijn wortels heeft in de rijk gestoffeerde lyriek van Amerikaanse taalvirtuozen als Walt Whitman en Thomas Wolfe. In Mystery Train pakte dat indrukwekkend uit. Vooral hoofdstukken die handelen over de status van Elvis Presley als bruggenbouwer van de raciale integratie in Amerika en het relaas over het werk van The Band, de begeleidingsgroep van Dylan in de jaren zestig, groeiden uit tot klassiekers in het door veel misverstanden geplaagde domein van de rock-'n-roll-literatuur. Marcus schreef daarna nog boeken als Dead Elvis en Lipstick Traces, het laatste een hyperambitieuze poging om de Sex Pistols en de rest van de punkbeweging in te lijven bij Dada.
In The Dustbin of History, zijn een na laatste werk, week Marcus van het muzikale pad af. Hier ging het om de Beat Generation van Kerouac en Ginsberg, om Umberto Eco, Picasso’s Guernica, de verschrikkingen op het Tienanmen-plein, de pre-X-files-film The Manchurian Candidate, de acteerstijl van John Wayne en de seksuele etiquette van Camille Paglia.
Met zijn jongst verschenen werk The Invisible Republic (in Nederland bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar verschenen als Stemmen uit de kelder) is Greil Marcus weer terug bij zijn eerste liefde: contemporaine Amerikaanse muziek. The Invisible Republic gaat over Bob Dylan en The Band (Robbie Robertson, Rick Danko, Levon Helm, Garth Hudson en Richard Manuel) en het kunststuk dat zij in 1967 volbrachten door in een soort collectieve roes in een kelder in Woodstock het ene na het andere meesterwerk vast te leggen op een bandrecorder. Nummers als Tears of Rage, This Wheel’s on Fire, Bessie Smith, Going to Acapulco en Quinn the Eskimo onstonden allemaal tijdens deze zelfopgelegde ballingschap. Ze stonden op de beroemdste bootleg (een illegale plaatopname) uit de rock-'n-roll-geschiedenis: Little White Wonder. Pas in 1975 verscheen een officiële versie van de opnames: The Basement Tapes.
In de ogen van Marcus vormen deze opnames het absolute hoogtepunt van Dylans werk (en dat van The Band). Hij ziet The Basement Tapes als het summum van subcultureel vermogen. Hier stond de Dylan die hij het liefst ziet: een politiek-culturele opperdissident, voorbij de wetten van commercieel supersterrendom, anarchistisch, autonoom, bijna autistisch vasthoudend aan een eigen idioom.
ALS RECENSENT voor onder meer Rolling Stone volgde Marcus Dylan op de voet. Lang niet altijd verkeerde hij in een staat van idolate bewondering. 'What is this shit?’, zo luidde Marcus’ openingszin in zijn bespreking van Dylans beruchte dubbelaar Selfportrait. En toen Dylan in 1978 met een Las Vegas-achtig showorkest door de wereld toerde was Marcus’ oordeel al even hardvochtig. 'Never so utterly fake’, luidde de kop boven zijn Rolling Stone-bespreking.
De artiest sloeg vanaf het podium bij tijd en wijle hard terug. Ooit bromde Dylan in de microfoon dat hij Marcus beschouwde als 'a piece of shit’. Tijdens een tournee in 1980 was hij weer iets aardiger. Toen droeg hij een nummer op aan Marcus, 'one of the top rock 'n roll-critics of the era - whatever that is’.
Van een lijfelijke ontmoeting kwam het maar één keer. Marcus: 'Dat was in 1963, toen Dylan nog maar net begonnen was. Ik was toen nogal gek op Joan Baez, die ik via een vriend een beetje kende, en hoorde dat ze een optreden ging doen in een soort circustent in de buurt van New Jersey. Het was nogal een zompige bedoening in de modder. Dylan speelde daar ook. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar zijn op treden blies me gewoon uit de schoenen - het was zo sterk, zo vreemd en zo doordringend tegelijkertijd. Hij was in die tijd een heel levendige performer, een soort Charlie Chaplin met gitaar. Na afloop van het concert stond Dylan een sigaret te roken en ik liep naar hem toe om hem te complimenteren met zijn optreden. Maar hij wilde er niks van horen. Hij stond maar nurks voor zich uit te kijken en zei alleen maar: “I was shit.” Dat was de enige keer dat ik Dylan gesproken heb.’
De leden van The Band leerde Marcus beter kennen. De laatste jaren zijn de contacten echter enigszins verwaterd, hetgeen blijkt als Marcus verschrikt opkijkt als ik hem vertel dat Rick Danko - bassist van The Band en gezegend met een stem als een zingende telefoondraad - momenteel in een gevangenis in Tokio verblijft nadat de Japanse douane het pakketje met anderhalve gram heroïne had onderschept dat zijn echtgenote hem vanuit de Verenigde Staten had toegezonden. 'O nee, laat het niet waar zijn’, zegt Marcus. 'Ik sprak Rick een jaar of wat geleden nog, toen leek alles zo goed met hem te gaan. Hij was een tijdje volkomen fucked up geweest, zoals eigenlijk alle leden van The Band, op Robbie Robertson na. Ze vielen in een diep gat nadat hun wegen zich definitief van Dylan scheidden.
The Band heeft zulke tijdloze muziek gemaakt, maar het Amerikaanse publiek heeft hen nooit ten volle weten te waarderen. Ik heb ze nog eens in Las Vegas zien optreden en toen zag ik de ultieme vernedering van de rock-'n-roll: ze speelden verzoeknummers. Vooral hun covers van het werk van Lionel Ritchie staan me nog levendig bij. Ze zaten werkelijk in een diep gat. De laatste tijd ging het een stuk beter. Ze speelden weer losser en met veel plezier. Danko vertelde me dat het grootste geluk in zijn leven - financieel gesproken dan - was dat hij het mede-copyright op The Wheel’s on Fire had gekregen. Dat zorgde voor wat financiële ruimte.
Het dieptepunt was natuurlijk de zelfmoord van Richard Manuel (deze pianist verhing zichzelf medio jaren tachtig in een hotelkamer - rz). Het is natuurlijk altijd maar gissen wat iemand tot suïcide drijft, maar ik vermoed dat hij het verval van de mythe van The Band gewoon niet kon verdragen. Verleden jaar hield ik een lezing in Seattle, en na afloop werd ik benaderd door een mooie jonge vrouw die de dochter van Richard bleek te zijn, Paula Manuel. Ze vroeg of ik misschien iets meer kon vertellen over hoe haar vader was.
Robbie Roberston is er het beste uitgesprongen. Die sprong ook op tijd uit de boot. Hij is nu bezig aan een soort herontdekking van zijn wortels als native American. Met The Red Road Ensemble heeft hij pas een cd met traditionele Indiaanse muziek gemaakt.’
DOOR DE JAREN heen bleef Marcus de concerten van Dylan trouw bezoeken. Dat was niet altijd een onverdeeld genoegen. 'Dylan houdt ervan om mensen in verwarring te brengen. Dat is ook de reden dat zo veel mensen hem haten. Mensen vinden altijd dat Dylan ze op een of andere wijze iets verschuldigd is, maar ze krijgen nooit waar ze om hebben gevraagd. Dat is een ideale basis voor rancune. Dat was eigenlijk midden jaren zestig al zo, op de top van zijn roem. Het hele drama dat hij veroorzaakte door als een held van de folk-scene een elektrische gitaar ter hand te nemen op het Newport Folkfestival is natuurlijk het schoolvoorbeeld.
Maar hij bleef het zijn hele carrière lang doen. Die bekering tot reborn Christian in de jaren tachtig was natuurlijk net zoiets. Als Amerikaanse jood van Duitse origine - net als Dylan zelf - haatte ik het om hem als een soort donderprediker namens een heel bizarre zijtak van het evangelische christendom te zien optreden. In Amsterdam heb ik nog eens een boekje op de kop getikt met alle preken die Dylan in die tijd vanaf het podium de zaal in slingerde. De haren rijzen je te berge. Het was zo verwarrend.
Maar goed, ik was wel weer present tijdens het slotconcert van de eerste tournee die Dylan als uitdrager van zijn nieuwe geloof maakte. Het was in San Francisco, in een zaal met hooguit tweeduizend mensen erin. Het concert was meer dan verschrikkelijk. Dylan stond erbij als een zombie, was ijskoud, en tussen ieder nummer beet hij het joelende publiek toe dat ze allemaal onderweg naar de hel waren. Het was een ramp. Na afloop van het concert verliet iedereen opgelucht en tegelijkertijd een illusie armer de zaal. Ik ging in de lobby nog iets drinken toen er uit de zaal een piano klonk. Ik ging terug de zaal in en daar zat Dylan achter zijn piano een wonderschoon nummer te spelen: Pressing on. Het duurde hooguit vijf of zes minuten, maar het was zo verschrikkelijk mooi, zo overdonderend in zijn geloof, zo'n monument van wholeness and self acceptance, dat ik stante pede alleen maar jaloers kon zijn op iemand met zo'n rotsvaste religieuze overtuiging.
Eenzelfde voorbeeld van kracht zag ik toen Dylan in 1991 een Grammy Award voor zijn hele oeuvre kreeg. Het was midden in de Golfoorlog, en hij speelde Masters of War. Het was een overdonderende uitvoering, snoeihard elektrisch, en alleen aan de melodie hoorde je dat het om dat nummer ging. Maar het ging door merg en been. Dat was het ultieme protestlied, en dat terwijl heel Amerika stond te juichen voor George Bush en Norman Schwarzkopf. Maar het werd nog beter toen Dylan begon aan zijn bedankspeech. Hij stond daar met zijn onderscheiding op het podium, Jack Nicholson had hem net idolaat en erg humoristisch toegesproken, en toen sprak hij tot de zaal, waar zijn moeder ook aanwezig was: “My daddy, he didn’t leave me too much, but what he told me was this: Son, it’s possible to become so defiled in this world that your own mother and father will abandon you, and if that happens, God will allways believe in your own ability to mend your own ways.” Daarna was hij weg, de zaal in stomme verbazing achterlatend. Het was shockerend en cool tegelijk, duidelijk een act of genius. Ik bedoel, zo'n prijzenuitreiking is niet de meest voor de hand liggende gelegenheid voor zo'n kabbalistische wijsheid, en helemaal niet als je moeder zelf ook nog in de zaal zit. Ik zat volkomen verbluft in mijn stoel. “Wie is die gemaskerde man”, vroeg ik mezelf af.’
'DYLAN IS DE ultieme ontsnappingskunstenaar. Hij is een Amerikaans icoon, even groot als Mohammed Ali en Elvis Presley, maar hij lijkt al zijn energie te richten op een uitweg, om zijn status te reduceren tot een grap. Hij wil niet te serieus worden genomen.
Niet dat het altijd goed is gegaan. Er is ook een tijd geweest dat Dylan de dingen deed die van hem werden verwacht, en toen ging het wat mij betreft helemaal mis. De soundtrack van Pat Garrett & Billy the Kid was nog goed te vedragen, vooral door de instrumentale nummers. Nashville Skyline is ook te genieten, evenals een paar nummer van New Morning. Blood on the Tracks blijft ook een redelijk album, maar daarna begint de shit. Een album als Desire vind ik bijna niet te verdragen. Neem zo'n nummer als 'Joey’, een loflied op een gangsterbaas. Wat een verschrikking. En dan die viool van Scarlett Rivera - die vrouw kan helemaal niet spelen! (op dit punt scheidden de wegen tussen interviewer en geïnterviewde zich. Deze passage wordt dan ook met het grootst mogelijke protest opgeschreven - rz.)
Uit die tijd stamt ook dat nummer 'Catfish’, een lied over een baseball-held. Nou, laat me je één ding verzekeren, Bob Dylan heeft van veel dingen verstand, maar niet van baseball. Heel erg vind ik ook 'Sara’, dat liefdeslied voor die feeks van een ex-vrouw van hem. Wat een horror! Daarna volgt het ene na het andere dieptepunt. Het was de periode dat Dylan zich gedroeg als de rock-'n-roll-ster, die dingen deed die van hem werden verwacht.
Pas in de jaren negentig kwam het weer goed, toen Dylan de draad van The Basement Tapes weer oppikte en zich weer in de klassieke Amerikaanse folktraditie stortte. De akoestische albums Good as I Been to You en vooral World Gone Wrong bevatten ballades waarin alle geheimen van de wereld zich aan je openbaren, als je tenminste bereid bent er goed naar te luisteren. Het zijn de vruchten van Bob Dylans separate carrière, zijn eigen universum, ver weg van de wetten van de platenmaatschappij en de eisen van het publiek. Het zijn bewijzen dat het nog lang niet over is voor Bob Dylan. Integendeel: nu begint het pas echt.’