Deze week echter werden de Oranjofielen reeds verblijd met het boek Greet Hofmans: Occult licht op een koninklijke affaire, geschreven door de Hattemse parapsycholoog A. Bredenhoff en zijn journalistieke kompaan J. T. Offringa. Hun bij uitgeverij Kok Lyra verschenen studie benadert het ultieme koningsdrama van de Lage Landen strikt vanuit esoterische hoek en biedt tal van behartenswaardige invalshoeken. Uitgangspunt van de auteurs is dat het geheim van Greet Hofmans’ mediamieke gaven moet worden gekoppeld aan de postume mystieke uitstraling van de in Hattem opererende occultist-literator-pluimveehouder M. J. J. Exler. Exler, een voortrekker op het gebied van de homo-emancipatie in Nederland, publiceerde in 1911 zijn roman Levensleed, waarin hij een lans brak voor het slechten van de taboes rond homoseksualiteit. In Hattem knoopte hij contacten aan met de familie Heeckeren van Molecaten, wier vertegenwoordigers later een grote rol zouden spelen in de hofhouding van Juliana. Bij de Van Heeckerens werd Exler min of meer als huisziener geadopteerd. In 1939 kwam de literaire magier door een hartstilstand in een Amsterdamse tram om het leven, maar - zo willen Bredenhoff en Offringa - via paranormaal contact met Hofmans bleef zijn invloed binnen het ondermaanse voortduren.
Ondanks het primaat van het Hattemse occultisme wagen Bredenhoff en Offringa zich ook aan een wat meer politieke analyse van de Greet Hofmans-affaire. Zij stellen dat het hoofdmotief van de perscampagne tegen Hofmans ten nauwste samenhing met de grote politieke ambities van Bernhard. ‘Rondom Bernhard heeft altijd het stadhouderssyndroom gehangen’, schrijven ze. ‘Het begon al voor de oorlog toen er geruchten gingen dat Hitler het zeer wel acceptabel achtte dat prins Bernhard als stadhouder van het Groot-Duitse rijk Nederland zou besturen. De oorlog was nog niet afgelopen, toen er vanuit de verzetsbeweging al voorstellen kwamen om prins Bernhard tot stadhouder van een staatkundig vernieuwend bewind te benoemen.’ Al deze tomeloze ambitie werd bitter gefrustreerd, hetgeen volgens de auteurs uiteindelijk leidde tot de wonderbaarlijke ‘perslekken’ over de invloed van Greet Hofmans op Juliana. De hoofdverantwoordelijke voor die lekken was Bernhards voorlichter en Telegraaf-topman I. G. van Maasdijk, die in zijn geestdrift voor de prins zo ver ging dat hij hem het liefst zag opklimmen tot koning der Nederlanden. Een andere kwade genius in het boek is Francois van ‘t Sant, de vertrouweling van Wilhelmina in Britse ballingschap en na de oorlog teruggehaald om Juliana te seconderen. Volgens Bredenhoff en Offringa speelde Van ’t Sant dubbel spel: terwijl hij in de hitte van de Hofmans-affaire naar Soestdijk was gehaald om de koningin en haar adviseuse te beschermen, diende hij in werkelijkheid de belangen van de prins en Van Maasdijk. Duidelijk is dat de auteurs voor de volle honderd procent achter Juliana staan. Als we de astrologische exercities waarmee hun boek besluit goed begrijpen, was de Greet Hofmans-affaire echter vooral een mystieke noodzakelijkheid, geregisseerd door de sterren.