Minister Donner, de geheime republikein

De man van 1798

Minister Donner zou prins Bernhard met zijn AH-erlebnis eens de oren moeten wassen. Maar dat doet hij niet. Ook al lijkt hij een adept van de republikeinse traditie.

Vorige week kwamen minister Piet Hein Donner van Justitie en LPF-kamerlid Eerdmans hard in botsing. Tijdens het kamerdebat over de veiligheid van winkeliers liet Eerdmans een proefballonnetje op. Het moest maar eens duidelijk in de wet worden opgenomen hoe hard een crimineel nu precies geslagen mag worden in Nederland. Eerdmans stelde voor een speciaal lid aan het wetsartikel over «noodweerexces» toe te voegen. Voor deze nieuwe regeling had hij een toepasselijke naam bedacht: namelijk «noodweerexpres».

Eerdmans: «Het recht op zelfverdediging lijkt dus verworden tot een recht op vluchten. Door toevoeging van dit lid, dat ik noodweerexpres wil noemen, wil ik bereiken dat een winkelier of een burger die een dief op heterdaad betrapt, achter hem aan rent en hem met enig geweld overmeestert, wel en vooraf door de wet wordt beschermd. Het probleem moet bij de voordeur worden opgelost en niet via de rechter bij de achterdeur.»

De reactie van minister Donner baarde meer opzien dan de uitspraken van Eerdmans. Eerdmans had na de herhaalde arrestatie van twee medewerkers van een filiaal van Albert Heijn in Amsterdam-Oost in navolging van prins Bernhard verklaard de kosten van een eventuele boete op zich te nemen. Eerdmans uitte op deze wijze zijn onvrede over het feit dat onder middenstanders grote onduidelijkheid bestaat.

D66-kamerlid Gieskes noemde Eerdmans daarom tijdens het debat «prins Bernhard de tweede». Maar minister Donner ging echt in de aanval. Publieke personen zijn in zijn ogen verplicht de rechtsstaat te steunen. De uitspraken van Eerdmans daarentegen stimuleren gewelddadig gedrag. Donner: «Dan is hij bezig geweld om het geweld te legaliseren. Dat vind ik een fundamenteel foute richting in de wetgeving. Dat moet niet aangemoedigd worden, ook niet door publieke figuren die zeggen dat zij de boete wel zullen betalen. In wezen wordt dat een vorm van uitlokking.»

Voor een paar politieke journalisten was Den Haag te klein. Prins Bernhard had immers als eerste zich publiekelijk bereid verklaard de twee AH-medewerkers financieel te ondersteunen. Premier Balkenende had zich achter Bernhard geschaard omdat de prins in een opwelling had gehandeld en, zoals een rechtgeaard man betaamt, zijn woord ook had gehouden. Viel Donner hier zijn premier af en opende hij, met terugwerkende kracht, zijn pijlen op Bernhard?

Donner zelf zei van niet. Hij had in de Kamer geen enkel moment de prins in zijn hoofd gehad. De kwestie werd gesust en afgedaan als een politiek blundertje van Donner.

Natuurlijk moet Donner op zijn woord worden geloofd, maar erg overtuigend kwam hij niet over. Zijn uitval naar Eerdmans is gezien zijn visie op de Nederlandse samenleving niet verrassend. De proefballon van de LPF-parlementariër en diens steun aan de AH-medewerkers stroken niet met de visie van de minister.

In de toelichting bij de begroting van het ministerie van Justitie staat omschreven wat voor doelen het departement de komende jaren nastreeft. In het kort komen ze hierop neer: onder invloed van verschillende ontwikkelingen kalft onze samenleving af, en in het opnieuw vormgeven van de Nederlandse samenleving speelt de rechtsorde een cruciale rol.

Dit doel ontleent Donner aan de eerste, uit 1798 stammende Nederlandse grondwet. In de toelichting citeert hij die constitutie: «Het oogmerk van de maatschappelijke vereniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaving van verstand en zeden.» En verderop staat wederom een citaat uit de grondwet van 1798: «Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.»

In een toespraak tot gemeenteraadsleden over handhaving door de overheid in september vorig jaar refereerde Donner ook al aan 1798. Geheel volgens de CDA-gedachte deed Donner een beroep op de individuele burger in de samenleving. Alleen wanneer burgers volharden in de uitvoering van hun burgerplicht kan de overheid optreden tegen echte criminelen. In het debat met Eerdmans stelde Donner: «De veiligheid, de bescherming van eigen persoon en goed, is in ons maatschappelijk bestel primair een verantwoordelijkheid van een ieder van ons afzonderlijk.» Volgens Donner is handhaving alleen zinvol wanneer burgers de vuilniszakken niet alvast ’s avonds op straat zetten en de snelheidsvoorschriften op de wegen niet overschrijden. «Niet minder belangrijk is dat we hebben verleerd om elkaar aan te spreken op elkaars gedrag.»

In de toelichting bij de begroting heet het als volgt: «Pas als individuen, bedrijven en maatschappelijke verbanden zelf hun verantwoordelijkheid nemen, kan de overheid haar complementaire rol vervullen.»

Eerdmans’ uitspraken moeten in de oren van Donner hebben geklonken als vloeken in de kerk. Want wat getuigt minder van burgermanszin en verantwoordelijkheid dan het oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid en zelfrichting? Juist hierom is het onvoorstelbaar dat Donner zich niet op de tong heeft moeten bijten op het moment dat Bernhard het de eerste keer opnam voor de helden van de middenstand. Helemaal onvoorstelbaar is dat Donner met de sneer naar Eerdmans niet zijdelings de prins liet weten wat hij werkelijk dacht van zijn optreden.

De verwijzingen van Donner naar de republikeinse grondwet van 1798 kunnen iets zeggen over zijn opvattingen omtrent ons koningshuis. De patriotten die de grondwet vormgaven, staan niet bekend om hun oranjegezindheid. Sterker nog, alle leden van de nationale vergadering die de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk vorm gaven, hadden een verklaring tegen het stadhouderlijk bestuur van de Oranjes ondertekend.

In 1998 nog wilden politici zich niet branden aan het revolutionaire karakter van de grondwet van 1798. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal had besloten grote festiviteiten te organiseren rond het 150-jarig bestaan van de eerste grondwet: die van 1848. Rechtshistorici legden publiekelijk de nadruk op de historische onjuistheid van deze viering. Nederland kende in 1798 al een grondwet. (Zie ook De Groene Amsterdammer van 15 april 1998.) Uit piëteit met het koningshuis en angst voor het Nederlandse revolutionaire verleden werd de oudste grondwet uit de geschiedenis weggepoetst.

Donner schaart zich achter het standpunt van de wetenschappers dat de oorsprong van de Nederlandse grondwet in 1798 ligt, niet vijftig jaar later. Op het eerste gezicht is het vreemd dat juist een minister van cda/arp-huize verwijst naar de grondwet van 1798. Hoewel een initiatief van Nederlandse origine, staat de invloed van de ideeën van de Franse Revolutie op het ontwerp niet ter discussie. De Nederlandse patriotten die in 1795 de Bataafse Republiek uitriepen, nadat Franse revolutionaire troepen Willem V hadden verdreven, beriepen zich op het uitgangspunt van de volkssoevereiniteit.

Groen van Prinsterer en later Abraham Kuyper, oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij, bestreden de in hun ogen goddeloze liberale maatschappij die haar oorsprong had in het gedachtegoed van de Franse Revolutie. Donner verwijst dus naar een tekst die juist het resultaat was van het gedachtegoed dat zijn eigen leidsmannen uit het verleden verwierpen. Breekt Donner met de traditie door te streven naar een maatschappij die rust op de verworvenheden van de Franse Revolutie, zoals volkssoevereiniteit en burgerzin?

Op het eerste gezicht wel, maar dit soort «moderne» ideeën werd ook al door Abraham Kuyper geaccepteerd. Kuyper gebruikte het antirevolutionaire gedachtegoed om zijn «kleine luyden» te mobiliseren voor zijn politieke organisatie, maar hij stond met twee voeten in de moderne tijd. Interessant zijn bijvoorbeeld de festiviteiten rond de opening van de Vrije Universiteit, toch het vleesgeworden icoon van de antirevolutionaire emancipatie. Op de lijsten van genodigden prijkten de namen van personen van verschillende gezindheid, maar bepaalde figuren van uitgesproken antirevolutionaire huize waren niet welkom. De neo-calvinisten van de tweede helft van de negentiende eeuw, onder wie Kuyper, aanvaardden deels het moderne «revolutionaire» gedachtegoed van hun tijd. Revolutionaire middelen werden aangewend om het enige realistische doel van het antirevolutionaire denken te bereiken: theocratie voor het eigen volksdeel, oftewel soevereiniteit in eigen kring.

Een nog waarschijnlijkere verklaring voor Donners voorliefde voor Nederlands eerste grondwet is zijn missie de Nederlandse samenleving om te vormen tot een die op het traditionele beeld van de jaren vijftig lijkt. Dit houdt een strenge maar rechtvaardige opvoeding voor kinderen in, intensieve sociale controle in de buurt en een gezag uitstralende overheid. Donner doet daartoe een beroep op de verantwoordelijkheid van iedere burger.

Deze opvatting over burgerlijk gedrag stamt uit de periode rond 1800 en is bij uitstek een van de kenmerken van de Verlichting. Moreel burgerschap werd lange tijd alleen verwacht van leden van de elite, maar aan het einde van de achttiende eeuw was men ervan overtuigd dat alle mensen de samenleving hoorden te dienen door moreel goed gedrag. De genoemde citaten uit de Staatsregeling van 1798 die Donner in de toelichting op de begroting heeft laten opnemen ondersteunen zijn appèl tot goed burgerlijk gedrag.

Des te interessanter zou het zijn te weten wat Donner echt vindt van het onburgerlijke gedrag van prins Bernhard.