De man van 22 miljoen

HET FOTOWERK van Hein Wertheimer is voorlopig ondergebracht bij het Nederlands Fotoarchief (NFa) in Rotterdam. In de kelder liggen foto’s verpakt in Hema-envelopjes; de grote drukken zitten in plastic mappen, en er liggen diploma’s van de fotoclubs waar hij lid van was. ‘Het is hier op verzoek van het Prins Bernhard Fonds gestald’, vertelt directeur Flip Bool, ‘totdat het museum er is.’

Wie was de man die op hoge leeftijd nog met een landrover door Kenia reed en die minstens zestig filmpjes bij de Hema inleverde van zijn reis door China?
Hans Zoete, consulent amateurfotografie Noord-Brabant, leerde Wertheimer acht jaar geleden kennen: ‘Ik heb Hein ontmoet op de Fotokring Eindhoven. Hij nam vaak drukjes mee van 10x15 en die kaderde hij dan zelf uit. Doorgaans was hij een bescheiden stille man, behalve één keer, toen ik de manier veranderde waarop we foto’s bespraken. Dat liep niet helemaal soepel en Hein zei: “Hans, wat maak je me nou?” Hij hield een vlammend betoog dat als hij op die manier zijn werkwijze zou hebben veranderd, hij er bij zijn werkgever meteen was uitgevlogen.
Hij liep nooit in driedelige pakken, maar zeker ook niet in korte broek. Als er een aanbieding was bij drogisterij ’t Kruidvat of bij de Hema, dan liet hij daar zijn materiaal afdrukken.
Dat de touwtrekkerij tussen Rotterdam of Amsterdam zou ontaarden in een ordinaire knokpartij om geld zou hij nooit hebben gewild. Bovendien heeft hij uitdrukkelijk gezegd dat de amateurfotografie ook een plek moest krijgen, en daar hoor je niets meer over.’
WERTHEIMER bezocht diverse exposities met Jaap Schipper: 'Je raakte niet zomaar met Hein bevriend. Ik heb hem in 1988 leren kennen. Hij was een buitenbeentje op de club. Bij fotobesprekingen kwam hij vaak met van die knoerten van foto’s aanzetten en voordat je wat had kunnen zeggen, had hij er alweer drie andere neergezet.
Hein was goed op de hoogte van goedkope adresjes waar je voor weinig geld vergrotingen kon laten maken. Hij was ook een meester in het retoucheren; als er iets op een foto stond dat hem niet beviel, dan liet hij dat met de airbrush verdwijnen. Ook in de moderne computertechnieken was hij geïnteresseerd, in het manipuleren van foto’s heeft hij nog cursussen gevolgd. Hij had ontzettend veel cameraatjes, zelfs eentje waarmee je om de hoek kon fotograferen.
Toen zijn vrouw in 1993 na een lang ziekbed overleed, was ik erg met hem begaan. Bij het condoleren heb ik gezegd dat hij van harte welkom was bij ons thuis. Hij zei dat hij dat heel aardig vond maar dat hij daar absoluut geen behoefte aan had. Deze man had blijkbaar een gebied nodig voor zichzelf. Die 22 miljoen was een verrassing voor ons allemaal.’
KAREL STOMPH, vriend en mede-lid van de Fotokring Eindhoven: 'Wij woonden na de oorlog in hetzelfde kosthuis. Onze eerste kennismaking begon met een uitwisseling over fotografie. We waren het niet altijd eens; als hij trots over een foto zei: “Kijk eens, net een ets”, dan vond hij dat een pluspunt, terwijl ik vond dat je daar niet mee kon aankomen. Hij was een oorspronkelijke man, geen kletser.
Tijdens een fotobespreking had een van de leden ooit een foto gemaakt van een afrastering van prikkeldraad. Die foto suggereerde een concentratiekamp. “Ja”, zei hij toen, “concentratiekamp. Dat was geen pretje.” Die opmerking was de enige, bij mijn weten, die hij ooit over de oorlog heeft gemaakt.
Ik wist dat hij er warmpjes bijzat, maar zo veel geld, nee. Hij heeft een goede baan gehad bij Philips en woonde in een mooi huis. Maar hij liep altijd in een slobberbroek. Soms dacht ik stiekem: man, koop toch eens een nieuwe broek. Het gerucht gaat dat na de bespreking van zijn testament bij het Bernhardfonds, directeur Meerdink hem zag wegrijden in een oud Fordje.
Zijn vriendin, Mariëtte Fontijn, was er ineens. Hij heeft nooit verteld hoe hij haar heeft ontmoet. Op de opening van een expositie stelde hij haar voor. Ik was verbaasd. Je denkt op zo'n moment toch in clichés als: “Moet jij op jouw leeftijd nog een vriendin?” Vanaf dat moment was hij niet meer alleen.
Zijn reizen maakte hij altijd met 'Reizen voor Academici’: naar Tibet, Rusland, Japan, Amerika, Afrika, noem maar op. Hij was erg trots op de titel professor industrieel recht aan de universiteit in Delft. Na zijn dood heb ik met zijn vriendin zijn huis opgeruimd. Dan kom je heel dicht bij zo'n man. We vonden een briefje dat hij kort na zijn promotie aan zijn moeder schreef: “Nu zie je dat je jongetje toch nog wat heeft bereikt.”’
MARIETTE FONTIJN: 'In december 1993 ging ik met een vriend naar het Concertgebouw. Daar heb ik hem ontmoet. Ik vond hem meteen interessant, zo'n verlegen man. Ik nodigde hem uit voor een etentje. Daarna kreeg ik van hem een bedankbriefje en zo is het gekomen. Het was alsof ik in de tijd van Couperus terechtkwam, “Mijn lieve mevrouw Fontijn”, schreef hij.
We zijn vier jaar met elkaar opgetrokken. Het was een echte schat. Hij ging zeer behoedzaam met mensen om. Ik had het idee dat dat door de oorlog kwam. Ik was een keer bij hem op bezoek in Waalre en toen sprak ik toevallig een buurvrouw die net als ik ook van quilten houdt. “Dan kan ik mooi een platte naald van haar lenen”, zei ik tegen Hein. “Nee”, zei hij, “dat kun je toch niet doen. De mensen hier spreken niet met elkaar.”
Als we zijn fotokamer gingen bekijken, deed hij de kamerdeur om veiligheidsredenen altijd drie keer op slot. In de loop der tijd werd hij wel wat makkelijker. Ik had graag nog een paar jaar met hem gehad.
Dat idee van een museum vind ik geweldig, omdat iedereen er wat aan heeft. Ik heb nooit geweten dat hij zo veel geld bezat. Ik wist dat zijn vrouw vijf ton had nagelaten aan het Bernhardfonds. Dat is voor mij heel veel geld, laat staan 22 miljoen. Hij was met soberheid opgevoed, hij was niet iemand van het geld over de balk. Als ik tegen hem zei: “Dan drinken we mijn wijn toch, die is wat duurder maar een stuk lekkerder”, moest hij daar om lachen. Ja, zo was mijn Heintje.
Hij is in Amsterdam geboren en ik had hem hier willen cremeren. Maar dat ging niet. Zijn as heb ik hier. We wachten met uitstrooien op de dag dat het museum er is. In Amsterdam.’
Wertheimer werkte voor de oorlog bij de Nederlandsche Bank Unie en was onderdirecteur bij Philips van 1961 tot 1973. Hij was docent industrieel recht aan de universiteit van Delft, lid van de Sociaal Economische Raad en van de Unctad. Hij is geboren op 18 mei 1913 in Amsterdam en overleed op 30 augustus 1997 in Tibet. Hij woonde in Waalre.