De man van de gevaarlijke afdalingen

Rudiger Safranski, Heidegger en zijn tijd. Vertaald door Mark Wildschut, uitgeverij Atlas, 575 blz., f79,90
LATEN WE het niet over Heidegger hebben maar over zijn biograaf, Rudiger Safranski. Dan komt Heidegger vanzelf ter sprake. Laten we ons afvragen waarom Safranski’s boek magnifiek, meeslepend en een meesterwerk is genoemd. Dat komt niet door nieuwe feiten, maar door het licht op de feiten. Safranski dingt op geen enkele manier af op Heidegger et le nazisme van Victor Farias. Hij wil alleen van de lezer een Hannah Arendt maken. Of een Paul Celan. Hij wil ons op hun manier - verscheurd maar gefascineerd - naar Heidegger laten kijken.

Safranski studeerde in de jaren zestig bij Adorno, die zijn uiterste best heeft gedaan het fascisme in het hart van Heideggers denken op te sporen. Die houding zou wel eens de verlate aanzet tot Safranski’s biografie geweest kunnen zijn. Een heideggeriaans ‘nochtans’ zal hem door het hoofd zijn blijven spoken. Nochtans kon het toch niet helemaal niets zijn, als zelfs Hannah Arendt haar eigen werk onverbloemd op dat van Heidegger had geent.
Alles wijst erop dat Heidegger voor Safranski bij uitstek de filosoof is van de 'epifanische ervaring’ - die laatste illusie van redding in een onttoverde wereld. We zijn metafysisch dakloos, de hemel is leeg, nochtans begint na die vaststelling de verwondering. Het denken vertrekt vanuit het Niets om uit te komen bij het intense besef van het raadselachtige 'dat er hoe dan ook iets is’. Ook al dient die heel specifieke verwondering zich zelden aan, het is 'steeds verbonden met de gewaarwording dat het latent altijd meeloopt, ook al blijft het toegedekt omdat we ons in de regel in onze levensbetrekkingen vastleven’. We lijden het grootste deel van de tijd aan 'zijnsvergetelheid’.
Heidegger stortte zich onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog met al zijn energie op de poging te begrijpen wat ons in die begenadigde ogenblikken zo aangrijpt. Hij wil de ervaring ervan aan een filosofische taal helpen. Onder woorden proberen te brengen waarom ze zo kortstondig zijn, waarom de tijd ze niet bewaart. Hij vraagt zich af of we ons niet tot taak moeten stellen die hooggespannen intensiteiten in ons bestaan te verweven, 'ze in de ritmiek van al het komende leven op te nemen’. Zo worden we binnengeleid in de wereld van Sein und Zeit dat in 1927 is verschenen. En je begrijpt maar niet hoe dit denken tot Hitlergroeten en hakenkruisen kon leiden.
GEBIOLOGEERD laten we ons door Safranski meenemen naar overvolle collegezalen waar in de jaren twintig met ingehouden adem naar Heidegger wordt geluisterd. De 'grondstemmingen’ van het Niets: Verveling en Angst, worden tot opwindende gebeurtenissen. De college-hoofdstukken zijn absolute hoogtepunten in de biografie. Hier staat de leesbare Heidegger op. Safranski schrijft niet over het denken van Heidegger, hij heeft het door zich heen laten gaan. Ook hij moet regelmatig onder stroom hebben gestaan, net als Heidegger, net als zijn studenten. En het gebeurt ook met ons. Samen met mensen als Gadamer, Horkheimer en Marcuse zitten we aan Heideggers voeten. Alleen weten we meer dan zij. We luisteren gefascineerd maar met argwaan.
Safranski hoeft maar te vertellen dat Heidegger soms met de frisse lucht van het skien nog om zich heen op college verscheen of Anne Frank schiet je te binnen en je herinnert je weer hoe zij haar hoofd onder de dekens wilde stoppen als er iemand met de wind in zijn kleren en de kou op zijn gezicht van buiten kwam. Om maar niet te denken: wanneer is het ons weer gegund buitenlucht te ruiken.
Het is Safranski’s bedoeling dat we dit soort invallen hebben. Niet voor niets noemde hij het boek in zijn eigen taal Ein Meister aus Deutschland. In die titel zit heel bewust een echo van de regel 'Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’ uit 'Todesfuge’ van de joodse dichter Paul Celan. Alleen daaruit blijkt al dat Safranski’s aanpak eerder literair is dan academisch.
Ondanks die zwaar klinkende titel streeft Safranski naar lichtheid. Hij wil als het ware gewicht onttrekken aan de negatieve receptie van Heidegger zonder de oorzaak daarvan te verdoezelen. Lichtheid is iets anders dan luchtigheid, het is een benaderingswjze die zelfs de meest traumatische thema’s niet uit de weg gaat. Door de lichtheid die hier wordt bedoeld, lijkt het traumatische zich zelfs scherper af te tekenen.
Safranski laat ons nergens vergeten dat Heidegger ook de man van de gevaarlijke afdalingen was. Dat hij door een machtsroes die hem jaren in de ban hield afdaalde naar de laagvlakte van de politiek. Heidegger hoopte op een historische omwenteling die op grote schaal een nieuw zijnsbesef teweeg zou brengen. Zijn zijnsbesef. Hij dacht het nationaal-socialisme voor zijn eigen filosofische kar te kunnen spannen. De extase bleek ook in de politiek mogelijk te zijn.
Die extase duurde niet lang. Al in 1934 kreeg hij in de gaten dat het nationaal-socialisme het probleem werd waarvoor het juist de oplossing had moeten zijn. De zijnsvergetelheid begon nu pas echt sinistere vormen aan te nemen. Heidegger had het in zijn colleges openlijk over 'de troosteloze razernij van ontketende techniek en grenzeloze organisatie van de normale mens’. Toch bleef hij partijlid tot aan het eind van de oorlog. Volgens Hannah Arendt voornamelijk onder invloed van zijn vrouw Elfride. Ideologisch is hij nooit antisemiet geweest. Hij werd het door zijn lafheid. Sein und Zeit was aan zijn joodse leermeester Edmund Husserl opgedragen. In 1940 werd die opdracht onder druk van de uitgever geschrapt.
Hannah Arendt ontkwam aan de holocaust door te vluchten. Hoe speelde zij het klaar om Heidegger, met wie zij als studente een verhouding had gehad, filosofisch trouw te blijven terwijl zij hem politiek tot haar vervolgers moest rekenen? 'Door de grandioze contouren van een filosofie van het kunnen-beginnen in haar “Vita activa” te schetsen’, schrijft Safranski. Door ervan doordrongen te zijn dat een nieuw begin, individueel en collectief, alleen mogelijk is als we in staat zijn te vergeven.
Hoewel Heidegger over zijn nazistische verleden bleef zwijgen, stuurde Arendt hem in 1960 een exemplaar van haar boek en schreef in een begeleidende brief dat dit werk zonder hem niet had kunnen ontstaan. Op een afzonderlijk vel dat ze niet meestuurde schreef ze: 'De Vita Activa/ De opdracht in dit boek is opengelaten./ Hoe moet ik het aan jou opdragen,/ aan de vertrouwde,/ aan wie ik trouw gebleven ben,/ en niet gebleven ben,/ En beide in liefde.’
MAAR DE schizofrene vriendschap tussen Heidegger en Paul Celan is misschien wel het meest kippevel-bezorgend. Celan, door een toeval aan de vernietigingskampen ontkomen, had het werk van Heidegger grondig bestudeerd. Omgekeerd had ook Heidegger alles van Celan gelezen. Ze wilden elkaar ontmoeten. Dat gebeurde toen Celan in 1967 een lezing gaf in Freiburg. Heidegger zat op de eerste rij. Hij was van tevoren alle boekhandels langsgegaan om te vragen of de dichtbundels van Celan een prominente plaats konden krijgen.
Heidegger stond bij het groepje mensen waaraan Celan vertelde hoe verheugd hij was dat hij tijdens een wandeling door de stad overal zijn werk had zien liggen. Over zijn voorspraak zei Heidegger uiteraard niets. De twee raakten met elkaar in gesprek. Iemand wilde een foto van hen maken. Celan sprong opzij en zei niet met Heidegger op de foto te willen. Heidegger wendde zich verlegen af. Celan verwijderde zich even en kwam weer terug. Hij wilde de krenking ongedaan maken. Maar de sfeer was inmiddels zo gespannen dat niemand meer zin in een foto had.
Nu was Celan met de situatie verlegen. Hij stelde voor samen een glas wijn te gaan drinken. Heidegger nodigde hem uit voor een wandeling naar zijn hut in Todtnauberg. Celan werd weer onbehaaglijk. Hij wilde contact en tegelijkertijd verbood hij het zichzelf.
Uiteindelijk ging hij. Het werd het begin van een vriendschap. Waarover ze hebben gesproken weten we niet, schrijft Safranski. Maar toen hij van die eerste wandeling terugkwam leek volgens een vriend alle zwaarte van Celan afgevallen. Een vriendin die hem de volgende dag ontmoette vroeg zich af wat ze in Freiburg met hem hadden gedaan, ze herkende hem bijna niet, zo vol goede moed was hij. Een week later schreef hij het gedicht 'Todtnauberg’, dat in 1970, het jaar van zijn zelfmoord, in de bundel Lichtzwang terechtkwam. Misschien dat door die titel de laatste regel van het gedicht 'EINMAL’ in je opkomt: 'Licht war. Rettung.’ Celans kortste gedicht, in 1965 geschreven, over dat ene epifanische ogenblik waarin hij de holocaust was vergeten. Het is net alsof Safranski wil suggereren dat dit de dichter misschien nog wel eens is overkomen.