De man van één procent

Sittard, januari 1976. Een kleine 800 PvdA-leden wachten wantrouwend op de spreker van die avond, minister van Financiën Wim Duisenberg. Hij komt iets doen wat een

PvdA'er nog nooit heeft gedaan: uitleggen dat er bezuinigd moet worden op de overheidsuitgaven. Ook de spreker is nerveus. Hij heeft zich zo goed en zo kwaad als dat gaat voorbereid. Aan de hand van een populaire tekst, vervaardigd door Volkskrant-redacteur Harry van Seumeren, legt hij de aanwezigen uit dat de economische groei afneemt tot drie procent, dat de werkloosheid daardoor zal stijgen naar 300.000 mensen, dat de inflatie zal oplopen. Het recept om al dit onheil te keren is een beperking van de overheidsuitgaven. Die mogen nog wel groeien, maar met niet meer dan één procent per jaar. ‘En, hoe vond u het?’ vraagt hij een der aanwezigen na afloop. 'Ik heb er van het begin tot het eind geen woord van begrepen’, bekent deze, 'maar u hebt zo'n mooie stem, het zal wel goed zijn.’ Waarop zijn buurman, minder goed van vertrouwen, opmerkt: 'Als je maar van de AOW afblijft.’
Twintig jaar later kondigt Wim Duisenberg, inmiddels president van De Nederlandsche Bank, in een debat over de verzorgingsstaat in De Balie, opnieuw een één-procentsnorm aan, dit keer voor het financieringstekort. Dat moet terug naar één procent. Dat is noodzaak, zo houdt hij de aanwezigen voor, anders zal straks de sociale zekerheid, en met name de AOW, niet meer betaalbaar zijn.
Tussen die twee normen ligt een totale omslag in het politieke denken over de verzorgingsstaat. In de jaren zeventig was de communis opinio dat werkgelegenheid een zaak was van de overheid. Werkloosheid werd gezien als een gevolg van te weinig vraag naar goederen en diensten. De overheid diende indirect werkgelegenheid te scheppen door middel vanextra uitgaven om die vraag een impuls te geven en direct via uitbreiding van de zogeheten kwartaire sector. Duisenbergs norm brak met die redenering en sloot aan bij een nieuwe opvatting. Daarin is werkloosheid het gevolg van te hoge loonkosten (lonen plus premies en belastingen), waardoor werkgevers in rap tempo mensen vervangen door goedkope machines. Door de druk van premies en belastingen omlaag te brengen en loonmatiging te betrachten, zou arbeid relatief goedkoper worden en de werkgelegenheid zich herstellen. Het heil moest bijgevolg niet komen van de overheid, maar van de markt. De overheid restte niets anders dan de financiën te saneren en volhardend de boodschap van loonmatiging te prediken.
Het is dit beleid dat sinds het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers in 1982 onafgebroken is gevoerd. Duisenberg voorzag dat beleid tweemaal per jaar, bij de presentatie van het jaarverslag van zijn Bank in het voorjaar en na de Miljoenennota in het najaar, van op vaderlijk-kritische toon geuite kanttekeningen. Een boodschap die hij met zijn laatste één-procentsnorm nog eens onderstreepte.
Nu gaat 'de man van één procent’ op de Euro passen en mag heel Europa kennismaken met zijn welluidend gebrachte boodschap. Geen wonder. Het succes ervan staat vast. Tenminste, in termen van geld: de lange en de korte rente, het overheidstekort en de inflatie, het staat er allemaal even mooi (laag) bij. Zo mooi zelfs, dat Nederland praktisch als enige voldoet aan de strenge financiële normen van de EMU.
En de werkgelegenheid? Ach, de werkgelegenheid.