De man van het midden

Hij bewandelde altijd de gulden middenweg. In zijn contacten, in zijn kunst. Is het daarom terecht dat Ary Scheffer in het vergeetboek raakte? Een unieke overzichtstentoonstelling van zijn schilderijen geeft ons de gelegenheid zelf te oordelen.
HET STANDAARDVERHAAL over de negentiende-eeuwse kunst kent een aantal standaardhoofdrolspelers. Of het nu gaat om romantici als Gericault en Delacroix, om een realist als Courbet of om de grootvader van de avant-garde Manet, altijd wordt benadrukt hoe deze kunstenaars ondanks alle tegenwerking aan hun vernieuwende inzichten vasthielden.

Dit heldenverhaal behoeft enige retouchering. De twintigste-eeuwer ziet bovengenoemde vernieuwers misschien als de belangrijkste kunstenaars van hun tijd, de negentiende-eeuwer zou er heel anders tegenaan gekeken hebben. Wanneer er een top-100 van schilders uit de negentiende eeuw werd samengesteld op basis van inkomen en aanzien, zouden Courbet en Manet aanzienlijk lager eindigen dan Ary Scheffer.
Ary Scheffer werd in 1795 in Dordrecht geboren. Van 1806 tot 1809 volgde hij tekenlessen op de Tekenacademie in Amsterdam en al in 1808 debuteerde hij op de Tentoonstelling van levende meesters. Na de dood van zijn vader trok zijn moeder met hem en zijn twee broers naar Frankrijk. Hij kwam als leerling op het atelier van Guerin, een voormalig leerling van David. Daar maakte hij kennis met onder andere Delacroix en Gericault. Ook in Parijs bleek zijn talent snel: al op zeventienjarige leeftijd werd hij voor het eerst geaccepteerd op de Salon, de tweejarige kunsttentoonstelling in het Louvre.
In Parijs verkeerden de Scheffers in de kringen van de bourgeois-liberalen die zich verzetten tegen het bewind van Karel/X. In 1822 werd Ary aangesteld als tekenleraar van de kinderen van de hertog van Orleans, Louis-Philippe. Na de julirevolutie van 1830 zou Louis-Philippe als ‘burgerkoning’ op de troon terecht komen. Zoals Delacroix’ befaamde schilderij De vrijheid leidt het volk toont, kwam de 'burgerkoning’ aan de macht door een revolutie van onderop. Maar Louis-Philippe bleek al snel niet de democraat waar velen hem voor hielden. Politiek laveerde hij tussen liberaal en conservatief.
DIE POLITIEK van het zoeken naar het compromis, het juste milieu, uitte zich ook in de smaak van het nieuwe bewind. Het werk van Scheffer paste in de tendens van verzet tegen de heroisch-patriottische schilderkunst van David met zijn nadruk op tekening en compositie. De romantische school legde meer nadruk op dramatisch kleurgebruik. Scheffers kunst hield het midden tussen het gelikte werk van David en Ingres en het romantisch-schetsmatige van Delacroix. Daarmee vertegenwoordigde het exact de kunst van het juste milieu die Louis-Philippe bevorderde.
In het begin van zijn carriere schilderde Scheffer, geheel in de traditie, historiestukken. Sommige daarvan werden door de Franse staat aangekocht. Zijn grote roem dankt hij echter niet aan zijn historieschilderingen, maar aan zijn religieuze en op romantische literatuur gebaseerde genrestukken.
Evenals Delaroche ontleende hij veel onderwerpen aan de geschiedenis en de literatuur. In 1835 werd zijn Francesca di Rimini (naar Dante) door de critici bejubeld. Ook met zijn Mignons, naar de tragisch heldin uit Goethes Wilhelm Meisters Leerjaren, had hij veel succes. Al naar gelang het onderwerp wisselt Scheffer ook van stijl: zijn Francesca en Mignons zijn geschilderd in lichte tonen, maar soms schakelt hij over naar een imitatie van de Nederlandse barok, zoals in het rembrandteske Graaf Eberhard treurt bij het ontzielde lichaam van zijn zoon Ulrich.
OF HET AAN het politiek-correcte van Scheffers werk ligt of aan de voorspraak van zijn leerlingen, feit is dat hij immens populair raakte aan het hof van de burgerkoning. Het was er Louis-Philippe veel aan gelegen zijn regime te legitimeren en geheel in de Franse traditie deed hij dat door het stimuleren van grootse projecten. In 1833 besloot hij bijvoorbeeld om het koninklijk paleis te Versailles te verbouwen om er een museum van de Franse geschiedenis in onder te brengen. Scheffer schilderde voor het paleis De slag bij Tolbiac, naar de befaamde veldslag tussen Clovis, eerste koning van Frankrijk, en de Alamannen. Scheffer kreeg ook verschillende portretopdrachten, waaronder voor staatsieportretten van de kroonprins, Ferdinand-Philippe. Die was trouwens zeer op Scheffers werk gesteld: zo kocht hij bijvoorbeeld de beide Mignons. Ook een van Scheffers grote religieuze schilderijen, Christus consolator, kwam in het bezit van de kroonprins.
VOORAL DIT doek is exemplarisch voor de juste-milieu-kunst. Scheffer heeft er religieuze, bijbelse en contemporaine thema’s in verenigd. Christus zit er temidden van figuren die verschillende vormen van lijden en smart personifieren. Twee figuren representeren de slavernij uit de antieke Oudheid en de middeleeuwen; een Griek verbeeldt de strijd van zijn volk tegen de Turken. Ook de slavernij in Amerika is gerepresenteerd in een donkere slaaf, die zijn geboeide handen smekend naar Christus uitsteekt. Christus neemt de boeien af van een stervende Pool, een personificatie van het land dat in 1830 tevergeefs in opstand was gekomen tegen de Russische overheersing.
Hoewel het een nogal hybride werk is, had Scheffer er veel succes mee. Hij vervaardigde er verschillende kopieen van. De kroonprins kocht Christus consolator om het cadeau te doen aan zijn echtgenote, de lutherse Duitse prinses Helene van Mecklenburg-Schwerin. Zo kwam het schilderij van een republikeins schilder met een katholiek getint onderwerp te hangen in een protestantse hofkapel in Versailles.
Na de opstand in 1848 moest Louis-Philippe plaatsmaken voor Napoleon/III. De vervolgopdrachten die de koning hem had gegeven voor Versailles, konden niet worden uitgevoerd en voor Napoleon/III wilde Scheffer als overtuigd republikein niet werken. Hij concentreerde zich op opdrachten voor particulieren en vervaardigde een grote hoeveelheid portretten van beroemde tijdgenoten als Dickens, Liszt, Chopin en Rossini. Feitelijk was Scheffer een geslaagd kunstenaar-entrepreneur.
Hij was niet alleen een succesvol schilder; ook zijn boekillustraties, gravures en beeldhouwwerken waren populair. Ook in Nederland was zijn werk zeer gevraagd. Christiaan van Eeghen kocht twee van zijn schilderijen, evenals Carel Fodor. Dat zijn werk zo populair was, zegt veel over de smaak van de gemiddelde negentiende-eeuwer. Maar niet iedereen was onder de indruk van Scheffers talent. Baudelaire bijvoorbeeld maakte in 1846 de kachel aan met hem: 'Nadat hij Delacroix heeft geimiteerd en de coloristen, de Franse tekenaars en de neo-christelijke school van Overbeck heeft nageaapt heeft meneer Scheffer gemerkt dat hij niet als schilder is geboren. Vanaf dat moment zocht hij hulp en bescherming bij de poezie.’ De waarde van een schilder ken je aan zijn publiek, aldus Baudelaire, en het publiek van Scheffer bestaat uit oudere jongedames, 'apen van het sentiment’.
Nu zat Baudelaire er regelmatig naast, maar zijn karakterisering van Scheffers genrewerk snijdt hout. Scheffer toont zich in veel opzichten eerder een illustrator dan een onafhankelijk schilder. Maar dat geldt voor veel van de schilders uit de negentiende eeuw. De schilderkunst steunde voor een groot deel op literaire bronnen, op verhalen uit de Oudheid en de bijbel. De romantici zochten hun onderwerpen hoogstens in meer exotische bronnen, in de gedichten van Byron (Delacroix) of in dramatische contemporaine gebeurtenissen (Gericaults Schipbreuk van de Medusa). Dat Scheffer eerder voor het sentiment koos dan voor het drama, is een kwestie van temperament, niet van talent. Misschien doet zijn werk na honderdvijftig jaar overdreven sentimenteel aan; maar geldt dat ook niet voor de literatuur uit de tijd waar hij zich op baseerde?
VANAF 10 DECEMBER bestaat er de kans om zelf te oordelen over het artistieke oordeel van de negentiende-eeuwse kunstkenners. Ter gelegenheid van Scheffers tweehonderdste geboortedag organiseert het Dordrechts museum een grote overzichtstentoonstelling van Scheffers werk; de allereerste tentoonstelling waarop het werk van Scheffer in al zijn facetten bekeken kan worden. Het Dordrechts museum toont Scheffer in een negentiende- eeuwse setting, met, naast een reconstructie van Scheffers Parijse atelier, ook een 'salon’ waarin muziek van tijdgenoten en vrienden van Scheffer als Liszt en Chopin wordt gespeeld. Veel van de kunst die in de negentiende eeuw zo populair was, is zelden meer in een zinvolle samenhang te zien. In Dordrecht zijn schetsen, oliestudies en voltooide werken naast elkaar te zien en daarmee geeft de tentoonstelling een uitstekend beeld van stijl en werkwijze van een negentiende-eeuwse salonschilder.
7 Ary Scheffer, gevierd romanticus, vanaf 10 december in het Dordrechts museum. De Christus Consolator is nog tot 5 januari 1996 te zien op de tentoonstelling Levende meesters in het Amsterdams Historisch Museum.