Huis Baak, 1958 © Th. Delamarre / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort

Enige tijd geleden werkte ik mee aan een boek over Paleis Soestdijk. De laatste bewoner was net overleden, het huis stond er haveloos bij, een nieuwe bestemming was ongewis. Ik interviewde de laatste huismeester, de schoonmaakster, de tuinmannen, de kok, de stoffeerder. Allemaal waren ze verknocht aan de familie en het huis, allemaal hadden ze van ‘de prinses’ gehouden en een hekel gehad aan ‘de prins’, en allemaal hadden ze een opvallend geduldige, dienstbare levenshouding. Dat was een vereiste. In de werkkamer van de prins mocht bijvoorbeeld ab-so-luut niet schoongemaakt worden en de prinses wilde per-ti-nent niet dat er ook maar iets in het park achter het paleis gewijzigd werd. De tuinlieden hadden dus eigenlijk niet zo veel te doen. Zij maaiden het gazon, snoeiden hier en daar wat, dronken koffie en wachtten af tot de hoogheden iets inviel. Toen ik vroeg waar de hofhouding in vredesnaam dat soort personeel vandaan haalde was het antwoord: ‘Uit de Gelderse kastelen.’ Daar leefden kennelijk nog mensen die de vooroorlogse standenmaatschappij, die in de rest van het land al lang vergaan is, blijmoedig overeind wilden houden.

Over die maatschappij gaat De laatste heer van Astrid Schutte, dat zich afspeelt rond het dorp Baak in Gelderland, en het kasteel aldaar. De vader van de auteur, Jan Schutte (1923-1981), groeide er op in een arm boerengezin dat grond pachtte van de ‘heren van Baak’. Een feodale toestand: onderdeel van het (ongeschreven) pachtcontract was dat de boeren hand- en spandiensten rond het kasteel verleenden, tien keer per jaar hielpen bij de drijfjacht, enzovoort. Zij konden dat niet weigeren, omdat ze hun pachtcontract niet durfden te verspelen.

Schutte stort een vracht historische context over haar verhaallijnen

Jan Schutte werd al jong wees, een sombere situatie: hij werd door zijn stiefvader na de lagere school domweg aan het werk gezet op de boerderij. In de oorlog lijkt elke kans op verbetering verkeken, maar daarna ontsnapt Schutte toch: hij krijgt een baantje als boekhouder op de Coöperatie, doet een avondopleiding en wordt in 1953 directeur van de lokale Boerenleenbank. Daarmee promoveert hij tot de notabelen van het dorp. Die sprong voorwaarts is exemplarisch voor de verruiming van het onderwijs voor de lagere en middenklasse, direct na de oorlog, maar Schutte was toch veel minder ver gekomen zonder de steun van de laatste heer van Baak, Werner Helmich (1913-1976). Die helpt Schutte met zijn studie, regelt dat baantje voor hem en draagt hem later voor als directeur van de bank. Dat kan hij, want die leenbank is immers opgericht door zijn beide ooms, vroegere heren van Baak.

Deze Werner Helmich is een interessante figuur. Zelf is de familie niet van adel, en zeer katholiek: de grote Sint-Martinuskerk in het dorp is door de Helmichs gefinancierd. Helmich krijgt zijn intellectuele en religieuze vorming in de jaren dat de katholieke beweging in Nederland op zijn allersterkst is, wat zich niet alleen uit in de vorming van een ambitieuze hoogopgeleide elite, maar ook in bemoeienis met de ontwikkeling van het platteland, in de oprichting van een katholieke boeren- en tuindersbond, en een Boerenleenbank, bijvoorbeeld. Het kasteel en het domein vallen Helmich in 1943 in de schoot, en als heer van Baak probeert hij vorm te geven aan een ouderwets pachtheerschap met een sterk sociaal-katholieke inslag. De pacht is relatief laag, de bewoners van het dorp nemen nog altijd hun pet af en helpen gedwee met de drijfjacht. Het ontzag slijt echter snel in de oorlog, als ook Helmich door de Duitsers tot werk op het land wordt gedwongen.

Astrid Schutte is bij het schrijven grondig te werk gegaan © Ruud Pos

Schutte probeert de levens van deze Helmich en haar vader dooreen te vlechten en voegt daarbij haar eigen gedachten en observaties. Ze beschikt over een groot reservoir aan originele bronnen, en ze is duidelijk thuis in Delpher, wat haar dozen vol detailinformatie heeft opgeleverd. Over die verhaallijnen stort ze een vracht aan historische context uit, over zo ongeveer alles: de positie van katholieken in Nederland, het aantal ramen en verdiepingen in het internaat dat Helmich bezoekt, de emancipatie van de boerenstand, de verbetering van het onderwijs, het aantal fietskilometers dat haar vader aflegde tussen Baak en Groessen, waar zijn verloofde woonde, hoe het in de winkel van kleermaker Sessink moet hebben geroken. Haar verantwoording achter in het boek telt niet minder dan dertig pagina’s; even tekenend voor die ambitie is de ondertitel van het boek: Hoe de bevoorrechte klasse in Nederland plaatsmaakte voor de gewone man. Dat is te sterk: had het bij Helmich en Baak en Schutte gehouden, dat had de lading keurig gedekt.

De organisatie van dat alles vraagt groot balanceervermogen en daar ontbreekt het aan; door de grondigheid slibt de loop van de geschiedenis herhaaldelijk dicht. De schrijfster is bovendien geen handige stiliste, wat vooral stoort in haar herhalingen en haar drang naar volledigheid. Zo meldt ze bijvoorbeeld dat Helmich schrijft ‘in zijn oorlogsdagboek, dat hij in de laatste oorlogsjaren bijhield’. Een extra rondje redactie had misschien ook geholpen; wij treffen Helmich bijvoorbeeld aan bij het graven van ‘mangraven’, waarmee zij denk ik ‘mangaten’ bedoelt, al zou dat alsnog het verkeerde woord zijn. Ik heb ook de indruk dat ze de diepte van Helmichs katholieke denkbeelden maar slecht kan vatten – ervan uitgaand dat hij dat zelf wel kon, overigens.

Uit die dikke massa vormt Schutte niettemin een intrigerend beeld van de veranderingen in die oude standenmaatschappij, waar haar vader opstijgt tot bankdirecteur en de bewoners van Huis Baak vanaf de bezetting de greep op hun bezit verliezen. In 1956 besluit Helmich het kasteel en het grondbezit te verkopen; hij gaat op zoek naar een baan. De Schuttes besluiten in dezelfde tijd thuis abn te gaan spreken, en hun dochter mag naar de universiteit.

Is die oude maatschappij daarmee ook echt verdwenen? Vreemd genoeg bespeurde ik in Schutte’s manier van tegen de wereld aankijken ook onmiskenbaar het wereldbeeld van haar vader, iets waar de schrijfster zich naar eigen zeggen vurig tegen verzette, maar dat toch overal in doorklinkt. Als het niet zo onaardig zou klinken zou je het ‘burgerlijk’ kunnen noemen. Haar vader is altijd ‘mijnheer’ blijven zeggen tegen de oude heer van Baak; ook zijn dochter kijkt als het ware nog steeds door de tralies van het hek naar het kasteel.