De man zonder eer

Michel Leiris, In de tegenwoordige tijd. Vertaling, selectie en nawoord Michel van Nieuwstadt. Uitg. De Arbeiderspers, 408 blz., Ÿ 59,90 ..LE De jury, bestaande uit Barber van de Pol, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar, koos Michel Leiris’ In de tegenwoordige tijd tot Groene-Boek van de Maand. De besprekingen van de overige drie mededingers staan hiernaast op pagina 23. ..LE DE ZONDAG was Michel Leiris (1901-1990) een gruwel. Dat is niets bijzonders maar hij maakt aanschouwelijk hoe op die dag de anders verhulde leegte ons toegrijnst. Om over vakantie, het woord zegt het al, maar niet te spreken. Op menige vakantie uit hij zich nog negatiever dan in zijn woonplaats Parijs. Dat laten zijn dagboekachtige notities zien die zijn verschenen in een vertaling van Michel van Nieuwstadt, die ook een nawoord schreef en de noten aanpaste. Het is een voorbeeldig geheel, al is de Nederlandse uitgave ingekort. Voor de ware omvang - duizend bladzijden - moet de uitgever zijn teruggedeinsd bij deze hoe dan ook niet luchtige auteur.

In de tegenwoordige tijd (in het Frans Journal 1922-1989) is geen doorsneedagboek maar geeft een beeld van een innerlijk leven. Sommige jaren krijgen enkele regels toebedeeld, andere beslaan tientallen bladzijden. Ook de vorm varieert, van mini-essays, dromen, kale opsommingen tot aforistische observaties, die altijd behartenswaardig zijn. Het is de precisie van deze mentale en verbale spinsels die ze zo goed maakt, niet de grootte van de geuite emoties. Door de jaren heen zijn crises aan te wijzen met als dieptepunt een verbluffend achteloze zelfmoordpoging in 1957. Zijn dromen weerspiegelen, merkt hij zelf op, opeenvolgende flirts met het surrealisme, de psychoanalyse en het existentialisme. Maar alle schommelingen ten spijt is er sprake van consistentie. Toon en materie blijven gelijk. Soms levert hij achteraf kort kritiek op het geschrevene (‘masochistische passiviteit’), als op het product van een ander.
Dat laatste klopt met wat Leiris zich ten doel stelt met zijn lyrische gedachtenexperimenten. De notities werden, anders dan zijn wetenschappelijke of direct literaire werk, in de echtelijke slaapkamer, in het gebied tussen dromen en waken, geschreven. Hij wilde zo een techniek ontwikkelen om 'het bewustzijn te verveelvoudigen’, zodat hij tegenover zijn hart zou leren staan zoals men 'normaal gesproken tegenover een boom of een huis zou staan’. Onbarmhartige zelfanalyse is het gevolg en daarmee is het gevaar van een onnozele cultus van het ik bezworen. Er is, hoe persoonlijk het vertelde ook lijkt, geobjectiveerd.
(GLORIEUS kan het beeld van iemand die zich overbewust is van zijn angsten niet zijn. In 1943 zegt hij Sartre na dat zijn pogingen tot 'voortdurende overschrijding in de richting van een samenvallen met zichzelf’ vruchteloos zijn. Soms zinspeelt hij op een meer reguliere autobiografie die De man zonder eer zou moeten heten, en hij anticipeert daarop met voorbeelden van totale ontreddering, zoals in je broek schijten van dronkenschap. Of hij presenteert een 'echt’ autobiografietje in mineur over een bepaalde fase. Voor zover zijn uiterlijk in het geding is, zet hij zichzelf gedetailleerd als lelijk te kijk, of hij memoreert vieze onhebbelijkheden.
DÇ methode om de leegte en de doodsangst die deze erg maakt te verhullen is het cre‰ren van een levensritme, al laat deze mens zich daar niet helemaal door vangen. Leiris was een toegewijd etnograaf en antropoloog, waarover weinig. Duidelijk is dat er reizen en contacten uit voortvloeien, en natuurlijk zijn dagelijkse gang - behalve zondag - naar de werkplek, het MusÇe de l'Homme. Daar werkte ook Jean Jamin, de latere bezorger van het Journal, een vroege bewonderaar van L'Age d'homme (1935; in 1946 aangevuld met het prachtige essay 'Over de literatuur beschouwd als een stieregevecht’), bij ons onder de titel Arena verschenen, zijn enige Nederlandse vertaling op de onderhavige na. Ook als gevierd schrijver treedt hij aan het licht, al noemt hij titels in wording en gewaagt hij van goede ontvangsten.
MINDER ORDENTELIJK dan de beroepsmatige verhulling van de leegte is die via verdovende middelen als seks, drank en muziek. Voor Leiris zijn ze van groot belang, maar de seks, decennialang hoofdonderwerp, wordt geproblematiseerd. Seks is een uiting van gemis, van heimwee. 'Vooronderstelt de afgrond, waarvan het wenselijk is dat hij nooit overbrugd wordt. Die afgrond uitdiepen’, noteert hij als dertiger ongezouten. Hij lijkt het zijn levensgezellin Z(ette) - Louise Godon, eigenaresse van topgalerie Kahnweiler - aan te rekenen dat hij geen fysieke passie meer voelt. Hij wil van haar af, uit zich onveranderlijk somber over hun verbond, en berust pas op hoge leeftijd. Hij is belijdend promiscu, probeert zich in anderen te verlieven, bezoekt de hoeren, maar al verfoeit hij(Z(ette) omdat hij haar associeert met zijn terugkerende impotentie en de door hem zo gehate monogamie, zij is zijn vertrouwelinge en getuige, dankzij wie hij pas echt bestaat. Voor haar schreef hij zijn Journal. Zij zou het na zijn dood te lezen krijgen maar ze stierf eerder dan hij.
Leiris’ beeld van het bestaan is intens pessimistisch. Als optimisme al ergens daagt, komt er iets relativerends bij. Zo typeert hij reizen als 'optimistische wanen’ en ook het nut van hartstochten als politiek, po‰zie en etnologie - hij moÇt iets hebben verwacht van Afrika, dat zuigkracht had op veel kunstenaars - acht hij zelfbedrog. Hij ziet het bestaan als een tragedie, te beginnen met de verwekkingsdaad. Voor dieren geldt dat te meer, daar zij geen weet hebben van die tragedie en kinderen wekken zijn medelijden vanwege het doodsbesef dat hen nog wacht. Voor hem geen kinderen. Hij acht het niet-bestaan een mensenrecht dat grof wordt geschonden.
'Verweesd’ noemt hij zichzelf. Zijn angst voor incest, alsof de beminde zijn moeder was, is Freudiaans. Hij verklaart er zowel zijn impotentie als zijn ontrouw en zijn voorkeur voor zwarte beminden uit. Die lijken het minst op zijn moeder en via hen kan hij met haar slapen zonder de schijn van incest.
GENIET Leiris ook blijkens dit Journal? Mij dunkt van wel. Hij was in staat tot bewondering en vrienden als Bataille, Giacometti, Picasso en andere grootheden gaven hem de kans. Aan zijn verlangen naar verandering werd tegemoetgekomen door altijd weer nieuwe politieke interessen: de Spaanse Burgeroorlog, Cuba, Mao - dÇ identificatiepunten van links, met, dat wel, de bijbehorende malaisegevoelens achteraf. En al houdt ook de po‰zie 'het bittere vallen’ niet tegen, hij ontwikkelde euforische gedachten over de kwalitatieve bijzonderheid ervan.
Er is meer. Hij verkeerde in welstand en kon zich de dure kleermakers veroorloven van wie hij een reeks opsomt. Van Nieuwstadt typeert hem als een 'geharnaste dandy, want ook mooie kleding beschermt tegen leegte. Op zijn oude dag, wanneer hij frequent om zich heen ziet sterven - de rijtjes worden steeds langer - lijkt hij tot aan Z(ette)s dood iedere dag dat hij nog leeft als meegenomen te beschouwen.
En als we zijn werk bekijken, valt op hoe goed zijn wens om 'alles’ in ÇÇn object of boek verenigd te krijgen, is vervuld met La rŠgle du jeu, zijn vierdelige, onvertaalbare, hoogstoriginele levenswerk. En het Journal was er. Leiris kon tevreden zijn. Hij mondde tot twee maal toe uit in een boek, en al maakte dat hem niet alsnog gelukkig - 'Schrijven dicht in de verste verte niet’ (18-5-1947) - hoger haalbaar was er niet voor hem. De verhalen waarmee hij zijn leegte verhulde, bestaan voort.
HIJ WAS GEEN cynicus. In feite was hij steeds in dialoog. De titel die voor de Nederlandse uitgave is gekozen, heeft zelfs een vitale inslag en is gehaald uit een notitie van 17-12-1977. Leiris stelt daarin dat schrijven een vorm is van tegenwoordig-zijn, zij het retrospectief: 'ter plekke en voluit leven binnen het moment dat maakt dat mijn pen beweegt’. Hij was fel antiracistisch, te verklaren uit zijn afkeer van alle verwekking; het belang dat aan een toevallige huidskleur wordt gehecht, komt hem abject voor. En hij was fel antireligieus, wat hij misschien zo vanzelfsprekend vond dat hij er weinig woorden aan vuil maakte.
De Franse literatuur van deze eeuw munt uit in het bewust oppervlakkige - Queneau, PÇrec, Michaux, Ponge - of in de hartstochtelijk beleden rede - ValÇry, Camus - maar biedt ook formidabele diepteduikers, onder wie Proust en Leiris, beiden begenadigde autobiografen. Leiris is van de twee de minst bekende. Dat is wat mij betreft ten onrechte, want wie de po‰zie en essayistiek meer is toegedaan dan de roman, kan niet anders dan hem met voorrang aan het hart drukken.