De man zonder eigenschappen

Het ongrijpbare personage Odysseus, welhaast een man zonder eigenschappen, is in de literatuur tal van verschillende rollen gaan spelen

Omdat ons eigen leven geen plot heeft, alleen een begin en een slot, zijn we ertoe overgegaan verhalen te vertellen. De verteller is heer en meester over zijn verhaal, hij kan onderscheid maken tussen vermoeiende franje en feiten die ertoe doen, hij geeft de gebeurtenissen een bestemming. Impliciet heeft ieder verhaal deze betekenis: er bestaat samenhang. Verhalen waarbij niet direct duidelijk is van welke aard die samenhang is, vragen om een interpretatie, die er doorgaans op neerkomt dat we proberen de vertelling in overeenstemming te brengen met andere verhalen, bijvoorbeeld dat van ons eigen leven, dat op zijn beurt weer gemodelleerd is naar vertrouwde voorbeelden.

Verhalen zijn gevaarlijk, omdat, zoals Homeros zegt, woorden gevleugeld zijn: eenmaal gevlogen keren ze nimmer terug in de kooi van de mond, ‘de haag van tanden’. Hoewel de Auteur pas in 1968 officieel dood werd verklaard (door Roland Barthes), was hij dat al vanaf het begin van de Europese literaire traditie. De Ilias en de Odysseia hebben immers geen aanwijsbare dichter, het zijn teksten die een eigen leven leiden, ongestoord door welke auteursintentie ook. ‘Homeros’ is een constructie achteraf, een instantie die voortkomt uit de tekst, niet omgekeerd. Plato, zelf een productief schrijver, was bang voor de eigenmachtigheid van de tekst, die onder het oog van de lezer iedere gewenste betekenis kan krijgen zonder dat de auteur er zeggenschap over heeft. De tekst is een tovenaarsleerling.

Bevangen door de ritmische en beeldende kracht van de homerische epen maakten de Grieken deze gedichten tot de basis van hun onderwijssysteem. Eeuwenlang leerde ieder jongetje in de Griekse wereld lezen, schrijven en denken aan de hand van de hartverscheurende verhalen over Achilleus en Patroklos, Odysseus en Penelopeia. Homeros gold als autoriteit op vele terreinen: scheepvaart en oorlogvoering, sterrenkunde en politiek, kosmologie en retorica. Plato schrijft over de voordrachtskunstenaar Ion, die zichzelf, omdat hij de Ilias en de Odysseia van buiten kent, als een deskundige in vrijwel alle takken van wetenschap beschouwt.

Al vroeg begonnen ethisch geëngageerde denkers zich zorgen te maken om de in hun ogen verderfelijke invloed van de homerische verhalen, vooral vanwege het frivole godsbeeld dat eruit naar voren komt. Aangenomen dat God een in alle opzichten volmaakt wezen is, kun je niet aankomen met al die neukende, scheldende en liegende goden die Homeros ons voorschotelt. Maar Homeros is een virus waarvoor geen vaccin bestaat. Zelfs de boeken waarin Plato hem poogt te verdelgen, zijn van begin tot eind besmet met homerische wendingen.

Hoe bestrijd je een verhaal dat steeds opnieuw resistent blijkt tegen pogingen het te kortwieken? Twee methoden hebben altijd goede diensten bewezen aan waakzame zielzorgers. De ene bestaat erin dat je het epos opvat als moreel vertoog, waarbij passages die eigenlijk niet door de beugel kunnen, worden gezien als voorbeelden van hoe het niet moet. Ruziënde helden illustreren de funeste gevolgen van woede, de tovenares Kirke geldt als seksuele verlokking die mannen in zwijnen verandert, de vrijers van Penelopeia komen roemloos aan hun eind omdat ze zich hebben overgegeven aan lage hartstochten. Waar deze methode geen succes heeft, treedt de allegorese in werking. Het gedrag van goden die elkaar dwars zitten wordt dan geïnterpreteerd als de strijd tussen de elementen: Poseidon is het water, Hephaistos het vuur, Demeter de aarde, Aphrodite de natuurkracht die samenbrengt wat gescheiden is. Vooral stoïsche geleerden waren zeer bedreven in deze vorm van literatuurkritiek.

Het is niet verwonderlijk dat een bij uitstek ongrijpbaar personage als Odysseus, welhaast een man zonder eigenschappen, in de literatuur tal van verschillende rollen is gaan spelen. Voor Horatius is hij de wijze overlever, die weerstand weet te bieden aan de bekers van Kirke: ‘zou hij die met zijn makkers, dwaas en gulzig, drinken,/ dan had hij onder toezicht van een hoer in schande/ als vuile hond of modderminnend zwijn geleefd’. In Dantes Inferno staat Odysseus voor de man die zich door zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid heeft laten meeslepen: ‘Wij horen deugd en kennis na te streven.’ Onder dit motto begeeft Odysseus zich op de Atlantische Oceaan, waar zijn schip met man en muis vergaat.

Curieus is een gedicht van Marbod, bisschop van Rennes (1035-1123). In een spetterende tirade tegen de vrouw haalt hij het voorbeeld aan van Odysseus, die met was de oren van zijn manschappen afsluit voor de zang van de Sirenen. Zelf heeft de deugdzame held zich laten vastbinden aan de mast, een zinnebeeld van het Kruis, want het schip is niets anders dan de Kerk. Een kind kan zien dat deze allegorese Odysseus niet onschadelijk maakt, want waarom heeft hij zijn eigen oren niet dichtgestopt? Zo ontsnappen Homeros’ gevleugelde woorden opnieuw aan de greep van de interpretatie.

Erik Menkveld schrijft: ‘Wat is er zo gevaarlijk/ aan dit bovenmaatse zingen?// Haal de was maar uit jullie oren./ Wend de steven. Maak me los.’