Jan Rothuizen, In een pretpark tegenover de hemel

De man zonder naam

Jan Rothuizen

In een pretpark tegenover de hemel

Artimo, 139 blz., e 16,-

Alles lijkt te willen vervreemden en ontwrichten in In een pretpark tegenover de hemel, de debuutroman van beeldend kunstenaar Jan Rothuizen. De grafische vormgeving, waar Rothuizen nauw bij betrokken is geweest, is geheel anders dan we gewend zijn. Het formaat is net iets smaller en langer dan gebruikelijk bij een roman, waardoor het boek iets wegheeft van een dichtbundel. Tevens ontbreken op de voorpagina titel en auteursnaam. Meest opvallend is dat op het helderwitte papier om de paar pagina’s foto’s van mensen over de tekst heen zijn afgedrukt. In het colofon – ook ongebruikelijk voor een roman – kunnen we lezen dat deze door de auteur zijn verzameld «uit tijdschriften, kranten en boeken volgens het criterium dat ze op hem lijken».

Niet alleen het uiterlijk van de ro man, ook de inhoud en stijl veroorzaken een licht vervreemdende ervaring. In een pretpark tegenover de hemel be staat uit nogal korte, onsamenhangende hoofdstukken waarin een duidelijke verhaallijn ver is te zoeken. Alsof dat niet al desoriënterend genoeg is, lijkt de hoofdpersoon ook nog nauwelijks vaste vorm aan te nemen. Hij is een naamloze figuur in een naamloze stad, wiens gedachten bijna niet worden weergegeven. We komen er niet achter wie hij is.

Deze figuur woont in een huis «aan een brede straat met hoge gebouwen». In de proloog vliegt dit huis in brand, toevallig op hetzelfde moment dat zijn moeder belt met «slecht nieuws». De ongrijpbaar vlakke beschrijvingen in deze openingspagina’s zijn in eerste instantie een teleurstelling, want hoe kunnen we dezelfde paniek voelen die hij voelt als we ons geen voorstelling kunnen maken van de gedachtewereld van deze man? Hoe kunnen we de rook ruiken die langzaam de kamers vult als alle details van die kamers ontbreken?

Gaandeweg krijgen de hoofdpersoon en zijn omgeving iets meer vorm, maar mondjesmaat. Na de brand keert hij terug naar zijn geboortestad, waar hij jarenlang niet meer is geweest. Samen met zijn moeder gaat hij naar het ziekenhuis, want ze is ziek. De dokter vertelt hun: «Het is kwaadaardig, uitgezaaid en vergevorderd.» Ondertussen doet de hoofdpersoon de dingen die iedereen doet die na jaren afwezigheid terugkeert in zijn oude stad. Hij spreekt af met een oude vriend in een restaurant en gaat op bezoek bij een ex-vriendin en haar man. Maar tegelijkertijd vertoont hij veel vreemd gedrag. Hij slentert door zijn geboortestad en doet zich voor als toerist, liegt tegen een man dat hij een vrouw en twee zo nen heeft, imiteert de exacte handelingen van een wildvreemde in een warenhuis. Hij neemt, kortom, steeds een an dere, nieuwe identiteit aan door mensen na te doen. Nu raken de vlakke be schrij vingen en de karige informatie over dit daardoor zielloze, lege personage, in eens overladen met betekenis. Want deze persoon was en is al die tijd bijna niemand. Herlezend vinden we in de proloog, wanneer hij besluit terug te keren naar zijn geboortestad, de op mer king: «Hij wil niet meer wonen waar hij altijd een ander zal zijn.» De stad waar hij een vreemde was heeft zijn identiteit uitgewist, hij is daar letterlijk «een ander» geworden.

Als we dat weten wordt de roman pas echt interessant. In een pretpark tegenover de hemel is een onderzoek naar de leegte van het begrip identiteit. Mensen bouwen volgens Rothuizen hun identiteit op aan de hand van de personen en de dingen om hen heen. De hoofdpersoon uit de roman vergelijkt zichzelf met een poes die hij eens heeft gehad «die was opgegroeid tussen drie honden en in de veronderstelling zelf ook een hond te zijn. De poes blafte, trok zijn pootje op voor een plas en als hij langs een spiegel liep, gromde hij naar zijn eigen spiegelbeeld. Als hij daarover nadenkt (…) vraagt hij zich af of hij zich, net als zijn poes spiegelt aan dingen die hij niet is.» Het individu is in In een pretpark tegenover de hemel vervreemd van zichzelf, de eigen identiteit is een illusie en dat maakt het kennen van de ander onmogelijk, we zien in elkaar slechts eindeloze spiegelingen van onszelf.

In de fotocollectie, verspreid door het boek, is ditzelfde thema uitgewerkt. Zoals gezegd heeft de auteur foto’s verzameld van mensen die op hem lijken. Ook de auteur spiegelt zich dus aan anderen. Maar wat voegen deze foto’s toe aan wat niet al in de tekst staat? Eigenlijk helemaal niets. Thematiek en stijl smeden In een pretpark tegenover de hemel samen tot een zeer geslaagde, ver vreemdende roman. Rothuizen produceert prachtige, heldere zinnen die door hun eenvoud en pure verbeeldingskracht een vanzelfsprekendheid meekrijgen die je soms naar adem doet happen. De vormgeving en de foto’s leveren wel een bijzondere bijdrage maar geen verdieping aan de thematiek; deze roman is sterk genoeg om op zichzelf te staan.