De manager als dalend cultuurgoed

De aanloop naar het theaterfestival De Parade veroorzaakt bij mij in de buurt een parkeerdrama. Traffic Support houdt de automobilisten buiten de perken. Het bedrijf helpt verkeersproblemen oplossen. Het heeft parkeerstewards in dienst, maar ook gediplomeerde verkeersregelaars. De naam van het bedrijf is al interessant. Waarom niet Verkeersondersteuning? Maar ook het onderscheid tussen de twee banen valt op. Hoezo heet de parkeersteward niet parkeerhulp of waarom heet de verkeersregelaar niet traffic steward? Om het verkeer te mogen regelen heb je een diploma nodig, als parkeerhulp niet. Het Engels compenseert dat leed.

Als werk saai klinkt of dom, zeg het in het Engels. Klantenbeheer heet tegenwoordig accountmanagement. Dus is nu half Nederland manager. Om zich te onderscheiden heten topmanagers dus – army style – CEO, chief executive officer. Het Diaconessenziekenhuis in Voorburg zet hulpjes in voor het verschonen van de bedden. Assists heten ze (correct Engels is dat overigens niet). Of neem de professionals. Ooit een term voor afgeschermde beroepsgroepen – artsen of advocaten – heten tegenwoordig ook ambtenaren, buurtwerkers en consultants professional. Het sociaal werk probeert zijn softe reputatie op te krikken door de opleidingen Social Work te dopen – negerend dat dit begrip in Engeland ook een geitenwollensokkenassociatie heeft. Bovendien krijgen die studenten Social Work niet één Engels boek te lezen, verzuchtte een professor laatst. Ze leren tijdens hun opleiding vooral vertrouwen op hun kennis van «processen». Vakinhoud, feiten en theorieën, die hoef je allemaal niet te kennen. Die kun je opzoeken.

Deze verschuiving in het onderwijs, van inhoud of kennis naar vorm of kunde, is een belangrijke aanvulling op de klacht tegen de heerschappij van het management die al de hele zomer door de dagbladen trekt. Aanleiding daarvoor is de bundel Beroepszeer van het wetenschappelijk bureau van het CDA. Die stelt dat een «korst van managers» Nederland bederft. Bedrijfskundige praatjesmakers weten niets van de praktijk maar stellen met spreadsheets vast wat de echte werkers – leraren, bakkers, verplegers, monteurs, agenten – voor output moeten realiseren. Ieder organisatieprobleem – te weinig klanten of te veel, te jong of te oud personeel – zien ze als bevestiging van hun bestaansrecht, zonder dat de managers zich afvragen of ze zelf in de weg zitten. Beroepszeer krijgt een enorme weerklank. Veel mensen ergeren zich wezenloos aan alle halfwasbaasjes om hen heen.

En natuurlijk zijn er te veel managers. Er zijn immers ook te veel ambtenaren. Maar het is bijna onvermijdelijk. In een hoogontwikkelde economie verschuift de nadruk van kennis naar kunde. Een vriend werd onlangs bij Shell afgewezen omdat hij te veel over vakinhoud en te weinig over processen sprak. Het ingenieurs bedrijf Shell wilde alleen nog «veranderaars» in dienst, die dingen, mensen en markten met elkaar verbinden. Oftewel, met vaag werk valt meer of in elk geval makkelijker geld te verdienen dan met ambachtelijk werk. Cultuurpessimisten huilen vervolgens over het uitsterven van conducteurs en andere mánnen die vijftig jaar trots hetzelfde, échte, werk deden. Ja, en de hoefsmid is ook al failliet. Vermoedelijk zetten managers het Engels jargon in om het sentimentele verdriet over dit soort veranderingen te verzachten. Ironisch is dat ze – zie de accountmanagers – hooguit bereiken dat hun eigen status dalend cultuurgoed wordt. «Wat manage jij?» «Ik doe een stukje air transfer naar de werknemer toe.»