De mannelijke blik

Dimitri Verhulst duikt de mythologie in © Stephan Vanfleteren

Dimitri Verhulst laat in De pruimenpluk een eenzame, sombere en cynische ik aan het woord die niet in staat is ook maar een vleugje licht aan de horizon te zien. Typisch Verhulst-figuur. Hij woont in een afgelegen huis ergens aan een meer in een noordelijk land en treurt over zijn ongelukkige leven. ‘Te laf voor het leven en te bang voor de dood, besloot ik uiteindelijk toch maar het huis te gaan verkopen.’ Al zijn relaties zijn mislukt, hij heeft een nare jeugd achter de rug, haat zijn moeder, heeft zijn stervende hond uiteindelijk doodgeschoten. Hij heeft een hekel aan kleinburgerlijkheid, drinkt te veel en speelt met suïcidale gedachten. Een loser. Drankzucht, zelfmedelijden, rancune: typisch geval van depressie. Ik kreeg medelijden met hem ja, wilde hem redden en zette me alvast in de veelbeproefde leeshouding van het hulpboek: de held heeft het moeilijk en moet gered worden.

Verhulst werkt in zijn oeuvre graag met dit soort figuren: met bittere terugblikkers op verloren levens, sombermansen met een gekwelde blik op de wereld of met een jeugd achter de rug van onderdrukking en misbruik. Liefst vergroot hij dat uit tot groteske beelden van maatschappelijke wanhoop. Op deze manier probeert hij een sterk effect van empathie op te roepen, je wilt nu eenmaal als lezer graag overkomen als een gevoelig, begrijpend en inlevend menstype.

Helemaal somber en depressief zijn zijn antihelden meestal niet, zie bijvoorbeeld de vrolijktragische kroegroman De helaasheid der dingen (2006), maar in recent werk zijn ze toch vooral zwartgallig. Dit oeuvre is dubbelzinnig: is de schrijver op zoek naar medeleven met zijn personages, of houdt hij ons een zwartgallige lach- en huilspiegel voor? Je weet als geroutineerd lezer in ieder geval dat het depressieve zelfbeklag in het begin van de roman zo niet al te lang door kan blijven gaan. Er moet iets gebeuren, en dus verschijnt De Vrouw.

De verteller is een enge gluiperd, verdorie, waarom zag ik dat niet meteen in het begin?

Verhulst maakt er een klassieke homerische scène van. De ik baadt in het nabijgelegen meer omdat de waterleiding in zijn huis kapot is. ‘En toen zag ik haar. Ze zat me vanuit haar kano aan te kijken en god weet hoelang zij daar al mee bezig was.’ Niet Odysseus bespiedt Nausikaä, maar Elma ziet de naakte Mattis. ‘Waarna ze haar kano naast de mijne sleepte, zich uitkleedde en het meer in wandelde. Schreed.’ Verhulst laat er geen twijfel over bestaan dat hij hier put uit klassieke ontmoetingsscènes uit de westerse literaire traditie. De Verschijning van de Vrouw. Gezien door de mannelijke blik. In de volgende typische Verhulst-zin staat het zo: ‘Bezat de vloeistofdynamica een term voor het kortstondige kielwater dat ontstaat in het zog van een najade? De volgstroom van een schoonheid?’ Verhulst dook dus de mythologie in. Ik moest erom glimlachen. Toe maar, dacht ik, ja, dit lees je niet vaak meer, laat me raden: de man en de vrouw, Mattis en Elma, krijgen een verhouding, ze redden elkaar, er ontstaan misverstanden rond futiele kwesties, maar ze worden gelukkig en ik dus ook. Einde roman.

In het begin lijkt het inderdaad zo te gaan, de ik is verliefd, hij ziet nieuwe mogelijkheden voor zijn leven, hij slaat zelfs een bod op zijn huis af, hij wil dicht bij Elma blijven. Hij formuleert het zo: ‘Om met mezelf te kunnen leven moest ik eerst weer met een ander leven.’ Hij ziet daar tegenop, dat wel, maar hij wil het proberen. Elma is geheimzinnig, zoals het hoort in dit soort literatuur, ze komt en gaat onaangekondigd, soms alleen om te vrijen, soms blijft ze langer. Ze is weduwe en rouwt nog steeds over de dood van haar man, ze is seksueel afstandelijk. Kortom ze blijft onbereikbaar, alles precies in lijn met dit genre.

Maar Verhulst zou Verhulst niet zijn als hij zich niet los zou maken van de gebruikelijke gang van zaken. De ik-figuur ontpopt zich steeds meer tot een bezitterige macho die tot alles in staat is om zijn bezitsdrang te botvieren. In het begin had ik dit niet door, Verhulst liet me min of meer in de val lopen en hij deed dit ijzersterk. Eerst dwingt de verteller sympathie af met zijn sombere, soms cynische praatjes over zijn onbenulligheid en met de depressieve kijk op zichzelf. Ik trapte er met open ogen in. ‘Het kon niet anders of Elma vond mij lelijk. En het was uitgerekend mijn lelijkheid die het haar vergemakkelijkte een relatie met mij te beginnen. Mijn lelijkheid, mijn domheid, mijn klunzigheid, mijn niksigheid.’ Maar naarmate het verhaal vordert ontpopt de verteller zich steeds meer tot een abject figuur die erop uit is die aardige en leuke Elma ook psychologisch te ‘bezitten’. Hij kan het niet verdragen dat ze ooit gelukkig was met haar overleden echtgenoot en probeert hem zo zwart mogelijk te maken. Die verteller is een enge gluiperd, verdorie, waarom zag ik dat niet meteen in het begin? Waarom trapte ik in zijn zelfmedelijdende praatjes? In die weerzin tegen alles? Die rancune tegen voormalige geliefden, dienstmeisjes en vrouwelijke makelaars? Het was narcisme. Niks depressie.

Waarom onderschatte ik de schrijfkunst van Verhulst en liet ik me als een kind meedeinen op medelijden en begrip? Waarom zag ik de dubbelzinnigheid van de titel over het hoofd? Dit is een gemeen boek.