Nederlandse militairen bewaken gevangengenomen Indonesiërs tijdens de Eerste Politionele Actie. Nederlands-Indië, 1947 © Hans Kragt / Dienst voor Legercontacten / NIMH

De première zou pas een half jaar later volgen, maar toch ontstond eind 2020 al ophef rondom De Oost, een speelfilm over de oorlog in Indonesië. Het was een eerste teaser die de gemoederen deed oplopen. Volgens de Molukse activist en oud-militair Leo Reawaruw zat deze korte trailer vol historische onjuistheden. De voorman van Maluku4Maluku, een vereniging voor Molukse veteranen, vond dat Nederlandse militairen werden neergezet als nazi’s. ‘Ze dragen zwarte uniformen en zwarte laarzen. Het enige legeronderdeel dat ooit zwarte uniformen droeg was de SS’, fulmineerde Reawaruw tegen Trouw.

Daarbij zou de snor van het personage dat gebaseerd is op de beruchte kapitein Raymond Westerling verwijzen naar Hitler. Westerling gaf leiding aan massa-executies op Zuid-Sulawesi en was een van de weinige militairen die dit na de oorlog zonder schroom erkende. Hein Scheffer, voorzitter van het Veteranenplatform, vond dat de misdaden van Westerling überhaupt niet verbeeld moesten worden. ‘Alsof hij en zijn akkefietje representatief zijn voor het koloniale verleden en Nederlandse militairen.’

Waar deze mannen gruwden van het idee dat Nederlandse soldaten werden neergezet als daders, vonden anderen dat het daar juist hoog tijd voor was. Mediawetenschapper Arnoud Arps schreef in de Filmkrant dat Nederland met De Oost eindelijk zijn wandaden in Indonesië onder ogen zou zien. Later, in een geliveßstreamde meet up over de film, vertelde Arps hoe het perspectief van Nederlandse soldaten tot dan toe straal genegeerd was. Daarmee waren de misdaden die zij pleegden ook buiten beeld gebleven.

Arps benadrukte dat het onderwerp van slachtofferschap altijd centraal had gestaan in de Nederlandse herinneringscultuur over het einde van Indië. Dat ging over traumatische ervaringen van (Indische) Nederlanders tijdens de Japanse bezetting van Indonesië. Of over de maanden direct na de onafhankelijkheidsverklaring van Sukarno op 17 augustus 1945, die in Nederland bekendstaat als de Bersiap. Hierbij ligt de nadruk op het vaak wrede geweld van Indonesiërs tegen (Indische) Nederlanders, Chinezen en anderen.

Dominanter nog onder Nederlanders is het zelfbeeld van slachtofferschap gekoppeld aan de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de VPRO Gids wees Kees Ribbens op de trend om dit mondiale conflict te koppelen aan de oorlog in Indonesië. De bijzonder hoogleraar populaire historische cultuur haalde het boek De lange Tweede Wereldoorlog van Niod-onderzoeker Peter Romijn en de goed bekeken serie Het verhaal van Nederland aan als voorbeelden. Volgens Ribbens kan de Nederlandse samenleving zich hierdoor niet langer wentelen in het idee dat ze in de jaren veertig van de vorige eeuw alleen slachtoffer was.

In 2020 stelde historicus Rémy Limpach in een interview met de NRC al iets vergelijkbaars: het zou volgens hem goed zijn als in ons land het besef doordringt dat Nederlanders in het verleden ook daders waren.

Fundamenteel andere perspectieven dus op een uiterst beladen onderwerp. Maar toch: nadat De Oost in mei 2021 verschenen was, doofde de aandacht voor de film al snel. Een discussie over daderschap bleef uit. Dat valt te verklaren door hoe het daderschap van de personages verbeeld wordt.

De film draait om Johan, een gewone jongen die uitgezonden wordt naar een oorlog in het verre Indonesië. Daar dient hij met andere doodgewone jongens. Als Johan onder invloed komt van het Westerling-personage raakt hij betrokken bij massa-executies en marteling. Uiteindelijk besluit Johan zich te verzetten tegen zijn leermeester. Hij vlucht, Westerling begint een klopjacht om wraak op hem te nemen. Johan weet ternauwernood te ontsnappen, maar terug in Nederland weet hij zich geen raad met zijn leven. Uiteindelijk schiet hij zich door zijn hoofd. Pas dan is de oorlog voor hem afgelopen.

De Oost stelt daderschap centraal, maar niet zozeer dat van de gewone soldaat. Het is vooral het personage van Westerling dat als wreed en nietsontziend wordt neergezet. Johan doet aanvankelijk wat hem opgedragen wordt, maar uiteindelijk overwint bij hem de menselijkheid. Daardoor wordt hij eveneens slachtoffer, tragisch genoeg pas als de oorlog al lang en breed gestreden is. In die voorstelling van zaken zit een opvallende parallel met hoe in de afgelopen decennia is omgegaan met individueel daderschap in relatie tot de oorlog in Indonesië.

Het publieke debat over dit militaire conflict werd gedomineerd door de kwestie over oorlogsmisdaden. Hierbij ging het nauwelijks over het individuele daderschap van gewone soldaten. Zij werden meestal voorgesteld als goeie jongens die ook maar deden wat hun werd opgedragen. Politici hadden hen naar een kansloze guerrillaoorlog gestuurd en zij waren in die zin meer slachtoffers dan daders.

Daarnaast werd gewezen naar ‘rotte appels’ zoals Westerling, verknipte lieden die verantwoordelijk werden gehouden voor zogeheten ‘excessen’. Dat oorlogsmisdaden structureel en systematisch waren, werd door velen in Nederland niet geloofd. Maar omdat het tegendeel steeds meer waarheid bleek, bleef deze kwestie actueel. De vraag naar de aard en omvang van de Nederlandse misdaden overwoekerde het debat. Voor andere invalshoeken was nauwelijks ruimte. De vraag wie deze gewone jongens waren, tieners vaak nog die nietsontziend aan het moorden en martelen sloegen, werd niet gesteld.

Waarom het belangrijk is om het publiekelijk over daderschap te hebben, beschrijft Ron Eyerman in zijn hoofdstuk over de Vietnamoorlog in de bundel Trauma and Transcendence. Volgens Eyerman is er lange tijd vooral aandacht geweest voor de slachtoffers van oorlogsgeweld. De trauma’s die zij met zich meedragen zijn uitvoerig onderzocht, beschreven en getheoretiseerd. Dat ook daders een trauma kunnen hebben is minder bekend. Dat is niet vreemd, vertelt de hoogleraar sociologie van de Amerikaanse Yale University. ‘Daders zijn tenslotte schuldig aan het toebrengen van trauma aan hun slachtoffers, niet andersom.’

In een Amsterdams café vertelt Eyerman dat een dadertrauma ontstaat doordat een persoon een daad verricht die ingaat tegen zijn meest fundamentele overtuigingen. ‘In onze westerse samenlevingen wordt veel waarde gehecht aan het christelijke gebod dat het doden van een ander hoogst verwerpelijk is. Maar in het leger gelden andere regels. Daar wordt een soldaat aangemoedigd om te doden en geprezen, zelfs bewonderd als hij of zij in staat is om dat rücksichtslos te doen.’

Ondergedompeld in zo’n militaire cultuur worden gevoelens van schuld en schaamte meestal behendig onderdrukt, vervolgt de socioloog. ‘Maar eenmaal terug in de burgersamenleving, waar die andere moraal geldt, blijken veel soldaten toch met een trauma rond te lopen. Zeker als ze gruwelijkheden begingen en de oorlog waarin ze vochten verloren ging. Want waar is alles wat ze deden dan goed voor geweest?’

Hannah Arendt stelt in haar lezing Collective Responsibility dat schuld iets persoonlijks is. Een soldaat die martelt en moordt heeft schuld, een persoon die daar niet direct bij betrokken was, heeft dat niet. Toch kunnen leden van een collectief aansprakelijk worden gesteld voor daden die zij zelf niet begingen. Een soldaat gaat zelden uit zichzelf naar een oorlogsgebied, maar wordt daarnaartoe gestuurd door de leiders van een land. Die zijn op hun beurt gekozen door een meerderheid van het volk, dat de militaire actie ook steunt, in ieder geval in het begin, toen een snelle overwinning nog aan de horizon gloorde.

Een besef van collectieve verantwoordelijkheid ontstaat niet zomaar, vertelt Eyerman. ‘Het is belangrijk dat er een narratief ontstaat. Daaruit moet helder worden wat er gebeurd is, en in welke omvang. Dat het daderschap van soldaten niet op zichzelf staat maar een groter geheel vormt. Die persoonlijke verhalen kunnen de vorm hebben van krantenartikelen, wetenschappelijk onderzoek, films of tentoonstellingen. Ze moeten zich een weg naar buiten vinden, naar de publieke ruimte.’

In de ideale situatie zijn er ook mogelijkheden tot interactie, zegt de hoogleraar. ‘Er moet een breed gesprek ontstaan. Mensen die onderdeel zijn van dat collectief moeten daar actief aan deel kunnen nemen.’

Gebeurt dat niet, dan blijven de ervaringen en herinneringen bij individuele soldaten. Die geven hun persoonlijke dadertrauma enkel over aan hun kinderen en kleinkinderen, maar tot verzoening kan het dan nooit komen. Deze soldaten worden dan veteranen die met schuld, schaamte en vervreemding blijven rondlopen. Vaak ook met boosheid, zij gingen tenslotte omdat de meerderheid van de thuisblijvers dat wilde. ‘De controverse over zo’n verloren oorlog sleept zich dan voort, zelfs vele decennia na het einde van het militaire conflict. Als zulke collectieve verantwoordelijkheid niet genomen wordt, is het bovendien moeilijk voor leiders van een land om oprechte excuses aan te bieden. Want hoe welgemeend en diepgevoeld zijn die dan werkelijk?’ vraagt Eyerman zich af.

Met het oog op de collectieve verantwoordelijkheid voor de Vietnamoorlog onderzocht Eyerman de nasleep van het bloedbad van My Lai uit 1968. Kort voor deze massamoord waren Noord-Vietnamese troepen en de communistische Vietcong het Tet-offensief begonnen. Doelwit daarbij waren Zuid-Vietnamese en Amerikaanse soldaten. Als tegenreactie openden die laatsten de jacht op vijandelijke strijders, in zogenoemde search and destroy-missies in plattelandsdorpen. Een van die acties werd uitgevoerd in My Lai. Voor de aanval begon, werd soldaten verteld dat ze met hevige weerstand te maken zouden krijgen en dat zich in het dorp enkel vijanden ophielden. Uiteindelijk werden 504 weerloze mannen, vrouwen en kinderen vermoord.

Aanvankelijk werden de wreedheden van My Lai verdoezeld en verzwegen. Eyerman beschrijft hoe ze alsnog publieke bekendheid kregen. Eerst door een interview met Paul Meadlo, een van de daders, uitgezonden op de nationale televisie, waarin hij droogjes vertelde dat hij met een automatisch geweer wel vijftien dorpsbewoners had vermoord. Mannen en vrouwen, ook baby’s.

Daarnaast publiceerde weekblad Life foto’s van Ronald Haeberle. De iconische beelden met de opgestapelde lichamen van Vietnamese slachtoffers en doodsbange, samengepakte dorpsbewoners kregen veel aandacht. Het maakte dat Amerikanen die nog twijfelden over wat er gebeurd was in My Lai hun aarzeling afwierpen.

Na uitgebreid onderzoek werd besloten om één soldaat, luitenant William Calley, aan te klagen voor zijn betrokkenheid bij de wreedheden. Alleen van hem kon vastgesteld worden dat hij vooraf ook de intentie had om te moorden. Betrokken officieren werden niet vervolgd, ook politiek verantwoordelijken bleven buiten schot. Calley werd uiteindelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Eyerman vertelt dat ondanks dit vonnis het Amerikaanse publiek verdeeld was over de betekenis van My Lai. ‘Aan de ene kant kwam er een beweging die bereid was om die collectieve verantwoordelijkheid op zich te nemen. Veteranen die zich keerden tegen de oorlog zetten bijvoorbeeld de Winter Soldier Hearings op, waarbij soldaten publiekelijk verhoord werden. Nobelprijswinnaar en filosoof Bertrand Russell organiseerde met medewerking van onder anderen Jean-Paul Sartre een tribunaal, met als doel Amerikaanse oorlogsmisdaden in Vietnam bloot te leggen.’

Maar daarnaast ontstond ook een andere manier van denken. Eyerman: ‘Veel Amerikanen konden zich identificeren met William Calley. Tijdens het proces bleek dat hij een gewone Amerikaanse jongen was, zoals er zovelen van zijn. Zo ontstond het verhaal waarin Amerikaanse soldaten naar een unjust war werden gestuurd. Daarin moesten ze op een immorele manier vechten. good boys werden zo moordenaars.’

Daders legitimeerden het moorden door zichzelf voor te houden dat hun slachtoffers dood beter af waren

Deze uitleg is wijdverspreid in de Amerikaanse cultuur, in de talloze films waarin de nadruk niet ligt op de schuld van de daders maar op die van politici en bestuurders. Dat klinkt wellicht terecht, maar de ervaringen en trauma’s van individuele soldaten blijven zo particulier en goeddeels onbesproken.

Grote vernielingen en branden bij gevechten in Nederlands-Indië, 1947 © Leger Film- en Fotodienst / NIMH

Waar de Amerikanen er niet in slaagden om collectieve verantwoordelijkheid voor de Vietnamoorlog te nemen, lukte dat in Duitsland ten aanzien van de holocaust uiteindelijk wel. Hierbij speelt Ordinary Men van historicus Christopher Browning, dat in 1992 verscheen, een cruciale rol. Het boek veranderde de kijk op het verleden op een fundamentele manier, iets wat maar weinig historici lukt.

Browning richtte zich in zijn onderzoek op wat hij grassroot killers noemt. De mannen met geweren in de hand, die de trekker overhaalden. Daders die oog in oog stonden met hun joodse slachtoffers. ‘Daderschapsonderzoek naar zulke personen is belangrijk, want zonder deze kant van het verhaal vallen oorlog of genocide niet te begrijpen’, stelt Browning vanuit zijn huis via een beeldverbinding. ‘Aanvankelijk werd gedacht dat de daders van de holocaust criminelen en psychopaten waren. Er werd in de Duitse opvoeding en cultuur gezocht naar een verklaring. Er móest iets abnormaals zijn met deze mensen. De toenmalige onderzoekers waren duidelijk anders dan jij en ik.’

Tijdens archiefwerk in Hamburg stuitte de hoogleraar op onderzoek van het Duitse Openbaar Ministerie naar de handel en wandel van de leden van Reserve Politiebataljon 101. Zij waren tijdens de Duitse bezetting van Polen in de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk voor de moord op minstens 83.000 joodse mannen, vrouwen en kinderen. ‘Van de vijfhonderd leden waren er 210 ondervraagd. Op basis van deze bronnen kon ik niet alleen feitelijk reconstrueren wat de leden van Bataljon 101 hadden gedaan, maar ook hoe ze zich daarbij hadden gevoeld.’

Browning betwijfelde in een aantal gevallen hoe oprecht de getuigenissen waren. ‘Ik bespeurde soms regelrechte leugens, maar de meeste mannen waren open en eerlijk geweest. 125 verslagen waren gedetailleerd genoeg om te gebruiken. Het bleek onthullend bronmateriaal.’

De leden van dit bataljon waren veelal te oud om dienst te nemen in het leger, ze waren begin dertig tot eind veertig. Velen van hen waren huisvader, afkomstig uit de midden- of lagere klasse van Hamburg, steden die niet bepaald bekendstonden om hun steun aan Hitler en zijn nazi-gedachtegoed.

De Amerikaanse historicus concludeert dat het gedrag van de meeste leden van Politiebataljon 101 in belangrijke mate het resultaat was van sociaal-psychologische processen als groepsdruk en de menselijke neiging om te gehoorzamen aan legitiem gezag. Daarnaast benoemde Browning cognitieve dissonantie als een belangrijke factor. Verschillende daders legitimeerden het moorden door zichzelf bijvoorbeeld voor te houden dat hun slachtoffers dood beter af waren.

Ordinary Men kreeg bij verschijnen redelijk wat aandacht. Maar pas toen Daniel Goldhagens boek Hitler’s Willing Executioners verscheen, ontstond er in Duitsland grote consternatie. Goldhagen viel Browning en de conclusies uit zijn onderzoek aan. Volgens hem waren de uitvoerders van de holocaust geen doodgewone mannen maar onvervalste antisemieten. Goldhagen verklaarde zelfs heel Duitsland en al zijn inwoners schuldig aan de holocaust. Tegenwoordig wordt Hitler’s Willing Executioners meer gezien als een polemische uitbarsting dan als gedegen geschiedschrijving, maar het zorgde voor een ongekend fel publiek debat.

‘Daarbij komt dat er ook een spraakmakende tentoonstelling werd georganiseerd over de oorlogsmisdaden van de Wehrmacht’, zegt Browning. ‘Eerst in Hamburg, daarna in andere Duitse steden. Voorheen werden Wehrmacht-soldaten gezien als “schoon”. Wreedheden kwamen op het conto van de Waffen-SS. Deze tentoonstelling liet zien dat dat beeld niet klopte. Gewone Duitse soldaten waren evengoed oorlogsmisdadigers.’

Browning benadrukt verder dat het een nieuwe lichting Duitse historici was die anders gingen schrijven over de shoah. ‘Aanvankelijk publiceerden Duitse geschiedschrijvers liever helemaal niet over de Tweede Wereldoorlog of de holocaust. De volgende generatie deed dat wel, maar hulde zich in abstracties. Het was de derde generatie, mensen als Götz Aly, Dieter Pohl, Christian Gerlach en Peter Longerich, die de daders uit dit verleden gezichten gaf.’

De Duitse samenleving nam uiteindelijk collectieve verantwoordelijkheid voor de holocaust, na decennia van wegkijken, ontkenning en abstracties. Het laat zien dat zo’n proces pijnlijk is, moeizaam verloopt en bovendien dat blikken van buitenaf nuttig kunnen zijn om een andere weg in te slaan.

De Nederland se situatie vertoont gelijkenis met zowel die in de VS als Duitsland. Net als Vietnamveteranen in Amerika worden soldaten die vochten in de oorlog in Indonesië geregeld voorgesteld als slachtoffers van incapabele politici. Net als in Duitsland keken historici aanvankelijk weg. In de eerste decennia na de oorlog in Indonesië ging het weinig over dit verloren militaire conflict. Dat veranderde pas toen veteraan Joop Hueting in 1969 voor het eerst publiekelijk sprak over de oorlogsmisdaden die hij had gezien.

Huetings interview in Achter het nieuws zorgde voor grote consternatie in de samenleving en de politiek. Als reactie daarop werd in alle haast een inventarisatie georganiseerd, een ‘Excessennota’ die volledig noch diepgaand was, maar de Nederlandse regering vond het best. Het overgrote deel van het leger had zich goed gedragen, concludeerde zij. Een aantal rotte appels was verantwoordelijk voor de misdaden waarover Hueting had gesproken. Gesust door die conclusies hoefde het Nederlandse publiek niet méér te weten. De ultieme kans om collectieve verantwoordelijkheid te nemen voor de oorlog in Indonesië werd zo vakkundig gesmoord.

Bovendien werd het onmogelijk gemaakt om individuele Nederlandse soldaten te vervolgen voor de oorlogsmisdaden. Maurice Swirc beschrijft in De Indische doofpot hoe politici dit met de verjaringswet van 1971 voorkwamen. In de procedures die later werden aangespannen door de Heemskerkse Indonesiër Jeffry Pondaag en advocaat Liesbeth Zegveld werd weliswaar de Nederlandse staat veroordeeld, maar tot een rechtszaak zoals die tegen William Calley voor zijn aandeel in de massamoord van My Lai kwam het in Nederland nooit.

Een jaar na het Hueting-interview publiceerden Jacques van Doorn en Wim Hendrix het sociologisch onderzoek Ontsporing van geweld. Hierin leggen zij een aantal oorzaken bloot, maar ze noemen geen namen en gaan niet in op personen. Het ging hun ook niet om de daders, maar om structurele mechanismen. Ten aanzien van de aandacht voor de oorlog in Indonesië zou dit een rode draad blijken – meestal zou iets anders centraal staan dan het daderschap van gewone Nederlandse soldaten.

In De brandende kampongs van generaal Spoor uit 2016 noemt Rémy Limpach wél namen en rugnummers, maar hij heeft geen aandacht voor daderschap zoals Browning in Ordinary Men. Ook Coen Verbraak mist in de serie Onze jongens op Java (2019) die focus. Hierin komen veteranen van de oorlog in Indonesië aan het woord. Verbraak presenteert een potpourri van narratieven waar daderschap er slechts één van is.

Eigenlijk is er maar één uitzondering te noemen waarin daderschap onomwonden aan bod komt: de documentaire Tabee Toean, die in 1995 te zien was in Nederlandse filmhuizen. Regisseur Thom Verheul laat vijf veteranen van de oorlog in Indonesië vertellen over hun ervaringen. Vier doen dat terwijl ze lopen in een schuldig landschap, de plekken van toen. Ze verhalen over bruut geweld, schuld en trauma. De film is als een bundeling therapiesessies op locatie, waarbij het publiek ongegeneerd mag meekijken. Tabee Toean werd weliswaar goed bezocht, maar ontketende evenmin een debat over koloniaal daderschap.

Op 17 februari van dit jaar werd het onderzoek naar de oorlog in Indonesië van het Niod, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (nimh) gepresenteerd. Hierin staat het daderschap van Nederlandse soldaten evenmin centraal. Meest tekenend is de conclusie dat ‘de Nederlandse krijgsmacht als instituut’ verantwoordelijk was voor het ‘extreme geweld’. Een verregaande abstractie, vergelijkbaar met de manier waarop Duitse historici volgens Christopher Browning lang over daderschap tijdens de holocaust schreven. Wordt hiermee de discussie over het Nederlandse militaire optreden minder dominant?

Meer ruimte voor andere invalshoeken en vragen is wenselijk. Wie waren bijvoorbeeld de plegers van dit geweld en hoe valt hun daderschap te verklaren? Volgens Ron Eyerman is dit soort onderzoek onvermijdelijk. ‘Zulke verhalen moeten naar buiten komen. Dat is de enige oplossing voor een samenleving om zich te verzoenen met de trauma’s van een verloren oorlog.’

Hoe nodig zulke verzoening is, bleek uit de hoorzittingen die georganiseerd werden in de Tweede Kamer over het onderzoek van de drie instituten, in mei van dit jaar. Vertegenwoordigers van veteranenorganisaties waren kritisch. Het onderzoek was te eenzijdig, met te veel nadruk op oorlogsmisdaden. Waarom niet meer aandacht voor Indonesisch extreem geweld, voor de goede kanten van het Nederlandse optreden? Waarom deze zelfkastijding?

Opvallend waren dan ook de uitspraken van Hans van Griensven van het Veteranenplatform. Hij pleitte tijdens de eerste zitting voor meer onderzoek. ‘Waren deze soldaten machtswellustelingen die de opdracht kregen om iedereen dood te maken die ze tegenkwamen? Nee. Maar wat dan wel? Hoe kwam dat? Ga dat proberen te duiden en leer daarvan.’ Dat is precies wat nodig lijkt om een stap richting collectieve verantwoordelijkheid te zetten, en wat onderzoekers van daderschap beogen te doen.

In april bracht het Nationaal Comité 4 en 5 mei het essay Tegen heldere verhalen van antropoloog Sinan Çankaya uit. Çankaya stelt dat iedere nationale geschiedenis gevat is in een basso ostinato, een koppige melodie. Hij onderstreept het belang van meerstemmigheid, expliciet ook ten aanzien van de oorlog in Indonesië. ‘Meerstemmigheid maakt ruimte voor de mensen aan de randen en biedt ze een plek in het Nederlandse herinneringslandschap’, schrijft Çankaya.

Zulke meerstemmigheid wordt vaak genoemd als de richting waarin de geschiedschrijving zich dient te ontwikkelen. Het lijdt geen twijfel dat dit zowel in maatschappelijke als in historiografische zin wenselijk is. Maar het mag duidelijk zijn dat er daarnaast evengoed urgentie is om het hoofdverhaal op sommige vlakken verder uit te diepen. Het gebrek aan onderzoek naar daderschap in de oorlog in Indonesië en de maatschappelijke gevolgen daarvan, laten zien waarom.