Thorbecke revisited

De mannen van 1848

Na het revolutiejaar 1848 brachten Thorbecke en zijn opposanten een nieuwe vorm van politiek.

In 1848 waarde Marx’ spook door Europa, maar de revolutionaire onrusten gingen aan Nederland voorbij. Anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije en de Duitse en Italiaanse gebieden bleef in Nederland oproer uit, op een demonstratie voor het Paleis op de Dam na. De angst dat de onrust in de ons omringende landen zou overslaan, was wel voldoende om koning Willem II (die naar eigen zeggen binnen één nacht «van zeer conservatief, zeer liberaal werd») het initiatief te doen nemen tot herziening van de grondwet. Door toedoen van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke werden in de nieuwe constitutie onder meer de ministeriële verantwoordelijkheid en de rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer vastgelegd, principes waarop ook ons huidige politieke bestel is gebaseerd.

Tijdens de eerste regering van Thorbecke (1849-1853) werd een begin gemaakt met nieuwe vormen van politiek bedrijven. Meer openbaarheid moest er komen. De rechtstreeks gekozen Tweede Kamer werd een podium voor politieke discussie. Het parlement werd grotendeels bevolkt door juristen, zoals Thorbecke zelf, die veel waarde hechtten aan formeel en vormelijk debat. Kamerleden bespraken vooral wetten en onderscheidden zich zelden door uitgesproken politieke visies. Polemieken vonden vooral buiten het parlement plaats, waar een nieuwe generatie intellectuelen de kiezers toesprak in brochures en in dag- en weekbladen. Sommige critici, zoals Eduard Douwes Dekker (Multatuli), trachtten zelfs van hun pen te leven.

Politieke oppositie had na 1848 in eerste instantie een besloten en zelfs geheimzinnig karakter. Het was in de negentiende eeuw niet ongebruikelijk dat de koning zich omringde met allerlei informele raadgevers, die soms zelfs oppositie voerden tegen diens regering. Willem II onderhield bijvoorbeeld contact met een groep journalisten, zoals Adriaan van Bevervoorde en Eillaart Meeter, die hij ook financiële steun verleende. Deze radicale publicisten worden verantwoordelijk gehouden voor de genoemde schermutselingen in 1848 op de Dam. Willem III (die in 1849 zijn vader opvolgde) zocht zijn politieke vrienden meer in de conservatieve hoek, waar een geheime oppositie ontstond tegen Thorbecke. De chemicus G.J. Mulder organiseerde in de jaren vijftig zelfs een conservatieve hofkliek op paleis het Loo. Deze groep, die bestond uit «vertrouwden en op elkander vertrouwenden», kreeg de koning zo ver hun welgevallige ministers te benoemen en zelfs oppositionele bladen te financieren. Geleidelijk maakte deze vorm van besloten politiek plaats voor open oppositie en trad een nieuwe generatie opiniemakers naar voren.

Multatuli stond niet niet alleen. Na 1848 wierpen meer intellectuelen zich op als opiniemakers voor de kiesgerechtigde burgerij. Samen met onder anderen J. Alberdingk Thijm, R.C. Bakhuizen van den Brink, N. Beets, Cd Busken Huet, J. van Lennep, P. Limburg Brouwer, C. Opzoomer, J. van Vloten, C. Vosmaer en G.W. Vreede, hoorde Multatuli bij de invloedrijke publicisten die de burgerij bestookten met politieke boodschappen. Zij publiceerden in dagbladen en tijdschriften, waaronder De Dageraad, de Algemeene Konst- en Letterbode, De Letteroefeningen en vooral De Gids, waarin liberalen in 1837 het initiatief namen tot deze opinievorming. Deze tijdschriften waren een podium voor maatschappelijke discussie. Dagbladen kregen een politieke kleur, zoals het liberale Algemeen Handelsblad, het katholieke De Tijd, het anti-revolutionaire De Nederlander en het conservatieve Dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage.

Terugblikkend gaapt er een gat tussen de invoering van de rechtstreekse verkiezingen in 1848, toen een deel van de welgestelde burgerij de Tweede Kamer mocht kiezen, en het ontstaan van de eerste politieke partijen: de Anti-Revolutionaire Partij (1879); de Sociaal-Democratische Bond (1882) en de Liberale Unie (1885). Het is verleidelijk om in deze periode op zoek te gaan naar partijen in embryonale vorm, zoals de in deze tijd populaire kiezersverenigingen. Deze politieke clubs stelden in elk district kandidaten voor verkiezingen. In deze verenigingen ging het vaker om de kwaliteiten van de bestuurders dan om hun politieke uitgangspunten. Het begrip «partijen» was na 1848 met name voor critici van Thorbecke een besmet woord: partijen en principes leken onverenigbaar. De filosoof Van Vloten sprak van het «even persoonlijke en partijdige, als karakter- en beginsellooze gros onzer vermeende liberalen». Rechtsgeleerde Vreede gaf er de voorkeur aan om «in Dagblad-Artikelen of zelfs in vlugschriften tot de Kiezers, bij eene of andere crisis, als Staatsburger het woord te rigten».

Politiek draaide in de eerste decennia na 1848 niet in de eerste plaats om partijen. Maar waarom dan wel? De historicus Te Velde spreekt over «het tijdperk van constitutionele politiek» (N.C.F. van Sas en H. te Velde, De eeuw van de grondwet, 1998). Hij beklemtoont het juridische karakter van de politiek, waar vooral veel aandacht was voor de juiste uitwerking van Thorbeckes grondwet. Ook kan worden gesproken van de tijd van de persoonlijke politiek. Multatuli was het meest uitgesproken van de opiniemakers na 1848. Hij was een van de mannen die klaarstonden om de nieuwe kiezers de weg te wijzen op nog onbetreden politieke paden, en stelde zich drie keer tevergeefs kandidaat voor de Tweede Kamer. Aan zijn polemieken lag een specifiek idee van representatie ten grondslag. Politici moesten zich niet laten leiden door een programma of door partijbelangen, maar door hun eigen intellectuele en morele standaard. Mannen van de openbare mening waren immers in staat tot «zielkunde» van het volk, wat voor partijmensen als Thorbecke een gesloten boek moest blijven.