De mannen van oranje voor de republiek

Deze week precies tweehonderd jaar geleden werd stadhouder Willem V van Oranje uit Nederland verdreven. De Bataafse Republiek, een lichtend voorbeeld voor democratische gezindheid, was een feit. Een mooie aanleiding voor een nationale feestdag. En voor het afschaffen van de monarchie.

NEDERLANDSE REPUBLIKEINEN hebben het niet makkelijk gehad de afgelopen jaren. Het waren dolende eenlingen, gemeden als chagrijnige types die op een feestje ergens in een hoek voor zich uit staan te brommen. Vanuit de politiek klinkt nauwelijks meer enig elan in republikeinse richting. Sinds de interne scheuring over de koningskwestie op het partijcongres voorafgaande aan de laatste kamerverkiezingen krijgt ook GroenLinks geen antimonarchistische leuze meer uit de keel. Bij de PvdA was het econoom Rick van der Ploeg die met kersvers parlementair enthousiasme een geweldige bezuinigingsmaatregel voorrekende in de vorm van invoering van een presidentschap - een uitspraak die hem gelijk kwam te staan op een geintensiveerde cursus in het onderhouden van persbetrekkingen. Sindsdien bezuinigt de PvdA dubbeltjesgewijs door op kunstgebitten en zwachtels voor de wijkverpleging te beknibbelen en laat Van der Ploeg zich alleen nog maar uit over lauwe hangijzers als de winkelsluitingstijdenwet.
De pers, ooit de gangmaker van het republikeinse sentiment, is bijna in zijn totaliteit verzwolgen door een enorme Oranje-liefde. Zo deed het broedwarme koppelaarsproza dat de vaderlandse pers afgelopen dagen afscheidde omtrent het jongste vriendinnetje van de kroonprins nog het meeste denken aan de hoogtijdagen van legendarische hofschrijvers als J. Waterink, bekend van veelgelezen meesterwerken als Onze jonge koningin thuis en Onze prins.
Toen het literaire jonge-hondenblad MillenniuM onlangs in een politiek-cultureel beginselprogramma de onverwijlde terugtocht der Oranjes eiste, kon het rekenen op snerende commentaren. De Volkskrant vroeg zich af waarom jonge mensen zich nog druk maakten over ‘zo'n vermolmd instituut als de monarchie’. De (terechte) tegenwerping van MillenniuM dat die vermolmdheid juist een fors argument voor afschaffing was, stierf weg in een compact stilzwijgen. In populariteitspolls behaalt Beatrix waarderingscijfers die in een grijs verleden alleen nog maar waren weggelegd voor dictatoriale alleenheersers als Ceausescu en Honecker.
Ook in internationaal opzicht maken de monarchale sentimenten zonder meer een periode van heropbloei door. Op de rokende puinhopen van de postcommunistische samenlevingen van Oost-Europa is een forse dosis wanhopig verlangen ontstaan naar een politiek zonder politici, waarbij men blijkbaar automatisch uitkomt bij de monarchie. Schrik niet als u een voor de rest hoogst postmodern ogende jongeman uit Moskou of Boedapest tegenkomt die u verzekert dat zijn enige hoop nu nog is gevestigd op een terugkeer van de tsaar of van de Habsburger keizer - hij vertolkt slechts een breed gezaaide illusie.
De enige morele steun die de antimonarchist nog rest, komt uit het kwakkelende koninkrijk der Britten, waar gezaghebbende bladen als de Economist de perikelen rondom het failliete huwelijk van de prins van Wales omschrijven als het begin van het einde voor het huis van Windsor.
MAAR ER GLOORT HOOP aan de horizon, en wel in de persoon van de komende koning Willem-Alexander, die eerder in dit blad al eens werd omschreven als 'de troefkaart van de republikeinen’. De inmiddels overleden Volkskrant- journalist Han Hansen profeteerde in 1993 in zijn boek De koning komt dat de discussie over het voortbestaan van de Nederlandse monarchie ongetwijfeld in een stroomversnelling zal geraken zodra de kroon na vier koninginnen (Emma, Wilhelmina, Juliana en Beatrix) weer op het hoofd van een man prijkt. De hoge acceptatiegraad voor het bestaan van de Nederlandse monarchie was volgens Hansen onlosmakelijk verbonden met de zegeningen van het matriarchaat. De Oranje-vorsten van mannelijke kunne kampten steevast met huizenhoge imagoproblemen, met als hoogtepunt natuurlijk de diep-tragische figuur van Wilhelmina’s vader Willem III, de immer schuimbekkende schrik van het Meer van Geneve, wiens hartverscheurende levensverhaal onlangs werd opgetekend in een Passatempo- minibiografie van de hand van Joris Abeling.
Een man op de troon betekent in Nederland steevast een enorme impuls voor het republikeinse streven. Beatrix is zich blijkbaar bewust van dat gevaar en besloot haar gedoodverfde opvolger het middelpunt te maken van een ijzeren pr-strategie, waarin het element van toeval zo goed als uitgebannen zou zijn. De angst voor een uitglijder was bijna pathologisch. Het mocht allemaal niet voorkomen dat het toch fout ging. De botte uitspraken van de kroonprins over de afschaffing van de 'inhoudloze’ bevrijdingsdag, ten overstaan van een gehoor van Duitse journalisten, onderstrepen weer eens dat de gaven van prins Willem- Alexander zich zeker niet tot het terrein van de diplomatie uitstrekken.
De reacties waren woedend: waar bemoeit deze knaap zich mee? klonk vanuit de wereld van het voormalige verzet - en dat is normaal gesproken toch een rots in de Oranje- branding. De RVD raakte in rep en roer. Er kwam zware druk te staan op de journalist van het persbureau DPA die het bericht de wereld in had gestuurd. Deze werd voor leugenaar uitgemaakt. Toen ook dat niet bleek te helpen, werd er haastig een bliksemafleider op het paleiselijk dak gemonteerd: Emily Bremers.
Dit Nederlands burgermeisje werd via het familieweekblad Weekend opeens gelanceerd als een potentiele bruid voor de kroonprins. De actie sorteerde effect: voordat de commentaren over de uitspraken van de prins konden aanzwellen tot een lawine van verontwaardiging, werd het land gedompeld in een golf van wel heel erg premature romantiek over de komst van koningin Emily.
De banvloek die Han Hansen uitsprak over het lot der mannelijke Oranje-vorsten was niettemin weer eens uitgekomen. Weliswaar toont Willem-Alexander zich nog niet zo flamboyant als zijn overgrootvader Willem III, maar hij heeft nu nadrukkelijk gedemonstreerd dat hij in ieder geval beschikt over het talent om op het verkeerde moment de verkeerde uitspraak te kunnen doen.
EN DAT BIEDT PERSPECTIEVEN voor de republikeinse zaak, een fenomeen dat dit jaar via de herdenking van de Bataafse Republiek weer eens in het middelpunt van de belangstelling zal komen te staan. Op 19 januari is het op de op de kop af tweehonderd jaar geleden dat Willem V van Oranje - formeel alleen maar stadhouder, maar in de praktijk begiftigd met soevereine almacht - op de vlucht voor het revolutionaire geweld van de patriotten en hun Franse militaire steunpilaren, via Scheveningen een veilig heenkomen in Engeland zocht.
Het vertrek van deze Willem - een zwakke man die alleen met Pruisische steun had weten aan te blijven - was een uiterst belangrijke gebeurtenis in Nederland. Feodale eigendomsverhoudingen en de alleenheerschappij van de aristocratie maakten plaats voor een moderne grondwet waarin zaken als vrijheid van godsdienst, gelijkberechtiging van de burgers en een probaat onderwijsbeleid werden geregeld. Aan allerlei verkapte vormen van lijfeigenschap, zoals die onder het Oranje-juk nog schering en inslag waren, kwam een einde. De al decennia lang zwaar onder een renteniersmentaliteit lijdende economie kreeg eindelijk de noodzakelijke nieuwe impulsen onder leiding van Johannes Goldberg, de agent van de Nationale Oekonomie.
In de latere vaderlandse geschiedschrijving werd de Bataafse Republiek in de regel beschreven als een vreemd lichaam, een betreurenswaardig incident waarbij de vazallen van de Franse bezetters in al hun doldriftigheid hadden gezorgd voor een totale ontwrichting van de natie, waaraan pas met de terugkeer van de Oranjes in 1813 een einde werd gemaakt. De Bataafse patriotten kregen in de geschiedenisboeken van na de Tweede Wereldoorlog zelfs het etiket van NSB'ers-avant-la-lettre opgeplakt.
Daarmee werd - zeer succesvol - verzwegen dat de beweging der patriotten al een lange looptijd had. Weliswaar zorgde de Franse revolutie en de daaropvolgende periode van Franse annexeerdrift voor het welslagen van de patriottische beweging, maar de maatschappelijke splijtstof die voor de omwenteling nodig was, was al sinds decennia aanwezig in de Lage Landen. Het ging, met andere woorden, wel degelijk om een intern-Nederlandse aangelegenheid.
Niet bekend
De auteur van dit invloedrijke hekelschrift was de Gelderse edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol, die al jaren fulmineerde tegen de almaar verder uitdijende macht van de Oranjes en hun naaste omgeving. Het manifest had toentertijd een magische werking. 'Zoals een vlam over spiritus strijkt, zo beroerde dit manifest de licht ontvlambare gemoederen der Patriotten’, zo schreef Van der Capellens biograaf M. de Jong Hzn. Het boekwerkje ging van hand tot hand, ook al werd bezit en verspreiding ervan onmiddellijk strafbaar gesteld en werd er een fors geldbedrag uitgeloofd voor degene die de identiteit van de auteur zou onthullen. In het jaar van verschijning beleefde het pamflet vier verschillende drukken. Overal in het land kwamen in het diepste geheim gezelschappen bij elkaar om het boek gezamenlijk te analyseren. Er verschenen vertalingen in het Frans, Engels en Duits. De anti-Oranje-revolutie brak uit, met groot succes. Alleen door de hulp van het Pruisische invasieleger dat onder leiding van de hertog van Brunswijk in 1787 Nederland binnenviel, wist Willem V zich nog tijdelijk te handhaven - Van der Capellen was toen al drie jaar dood.
De reden van het succes van Aan het volk van Nederland was ongetwijfeld de toon van razende woede waarmee het geschreven was. De auteur liet de figuur van de vader des vaderlands, Willem de Zwijger, weliswaar in zijn waarde, maar voor de rest van de Oranje-dynastie had hij geen goed woord over. Zo noemde hij prins Maurits, de zoon van De Zwijger, 'een man van zeer slechte zeden, een wreedaard, een vals mens en een overmatig geile boef, die jacht maakte op elke schone vrouw - of ze nu maagd, getrouwd of weduwe was - om haar tot zijn boeze lusten te verlokken’.
In de ogen van Van der Capellen hadden de Oranjes niets anders gedaan dan de natuurlijke neiging tot zelfbestuur die het Bataafse oervolk van de Lage Landen nu eenmaal had, voor het eigen gewin te manipuleren: 'Zij lieten zich niet regeren door lieden die zichzelf verkozen of door een ander - naar zijn goedvinden - gekozen werden; die bij gevolg niet van hen afhingen, die hun geen rekenschap schuldig waren en waar zij, als ze niet goed regeerden, geen macht over hadden; neen, zij hielden zelf het heft in handen. De voornaamste zaken van hun land deden ze zelf af in hun algemene vergaderingen, waar het gehele volk gewapend bijeenkwam en elke Batavier even veel te zeggen had’, zo hield Van der Capellen zijn landgenoten voor. 'Om hen in de oorlog (waar ze bazen in waren) voor te gaan en aan te voeren, kozen ze de dapperste, de wijste, de deugdzaamste uit het midden van hun landgenoten. Zij riepen daarmee geen vreemde prinsen of hertogen, die toch alleen maar om fortuin, dat is om den brode, dienen en doorgaans te machtig zijn om, als zij zich misdragen, naar verdienste gestraft te kunnen worden. Voldeed hun het verkozen opperhoofd, dan lieten zij hem die post houden, zo niet, dan dankten ze hem af. En had hij zijn vaderland verraden, of door zijn aanhangers en creaturen van binnen of door vreemde hulp van buiten getracht zijn Huis machtiger te maken en zich als een Souverein te gedragen, dan behoef ik u niet te zeggen, hoe die Batavieren zo een zouden hebben getracteerd!’
HOEWEL HET VOORBEELD van de Batavieren voor het grootste gedeelte op romantische mythen berustte, fungeerde dit argument van traditionele democratie in de Lage Landen zonder meer als katalysator voor de antistadhouderlijke beweging der patriotten. Liever dan Willem van Oranje zagen de Nederlandse revolutionairen van de achttiende eeuw iemand als Arnulf de Grote als hun nationale stamvader. Arnulf, de eerste graaf die voor het zo prille Holland zijn leven offerde en die zijn gebied uitbreidde tot de huidige Randstad, markeerde een belangrijke historische fase in de ontwikkeling van het Graafschap Holland naar het Koninkrijk der Nederlanden. Volgens de Britse historicus John Lothrop Motley werd toen 'de smalle uithoek (Holland) voorbestemd om bakermat te worden van een aanzienlijk koninkrijk dat zich over beide hemisferen zou uitstrekken’. Een keerpunt, de jonge staat kreeg een eigen identiteit, taal en heersershuis om trots op te zijn. De nietige dynastie der Graven van Holland zou uiteindelijk zelfs de hoogste functie in middeleeuws Europa verwerven: het Rooms Keizerschap.
Arnulfs zoon Dirk III bevocht de onafhankelijkheid en vernietigde het Rijksleger van de machtige Duitse keizer bij Vlaardingen. Dirk IV stierf onder de overmacht van de door keizer Hendrik III gedirigeerde legers van de bisschoppen van Metz, Luik en Utrecht. Zijn broer en opvolger Floris I werd op laffe wijze tijdens zijn slaap gekeeld door een sluipmoordenaar. Willem II verenigde Holland en Zeeland. De rijke Duitse vorsten kozen hem tot Rooms keizer.
Tot een pauselijke kroning kwam het niet. Bij Hoogwoud zakte Willem in 1256 door het ijs en de Westfriezen slachtten hem af. De bekendste graaf van het Huis van Holland was Willems zoon, Floris V. Lang voor de tv-serie en Vondel mocht hij zich reeds in een ongekende populariteit onder het gewone volk verheugen. Minachtend sprak de adel over de God der Boeren (Keerlen God). Toen Floris Hollands bondgenootschap met Engeland omzette in vriendschapsbanden met Frankrijk, vermoorden enige hoge heren deze eerste vaderlandse volksheld.
Met de dood van Floris’ zoon Jan I op 10 november 1299 in Haarlem was het afgelopen met Hollands enige autochtone heersersgeslacht. Vanaf de veertiende eeuw streden vreemdelingen als de Avesnessen, Wittelsbachen, Bourgondiers, Habsburgers, Nassaus en Oranjes om de macht. Voor Van der Capellen waren dat echter allemaal 'vreemde elementen’.
Het experiment van de Bataafse Republiek was geen lang leven beschoren. De machtshonger van de kersverse Franse keizer liet geen ruimte voor het lang voortbestaan van een onafhankelijke superdemocratie. Bovendien putte Napoleon de nieuwe staat uit met steeds hogere verplichte bijdragen aan zijn militaire apparaat. Na tien jaar werd de republiek opgeheven en bij Frankrijk gevoegd, om vervolgens een apart koninkrijk te worden onder leiding van Napoleons broer Lodewijk. Alle revolutionaire ijver van de patriotten, van wie er tallozen hadden meegevochten met de Fransen (van hen werd Herman Daendels, generaal van Napoleon, zonder meer de bekendste) ging verloren in de escalerende strijdtaferelen van het Europa van het begin van de negentiende eeuw. Ze werden de risee van de vaderlandse geschiedenis.
Toch vond hun baanbrekende werk erkenning. Zo toonden de architecten van de onafhankelijke Verenigde Staten van Amerika zich keer op keer schatplichtig aan de theorieen van Van der Capellen en zijn medepatriotten. En in de moderne grondwet die Nederland in 1848 onder Thorbecke uiteindelijk zou krijgen, was in hoge mate beinvloed door de geest van de Bataafse Republiek.
Officiele eer voor Joan Derk van der Capellen tot den Pol kwam er echter niet. Zijn bij Gorssel gelegen graf werd in 1787 opgeblazen door Oranje- fanaten. Een in Italie vervaardigd monument ter ere van zijn nagedachtenis, gemaakt door de beroemde beeldhouwer Giuseppe Ceracchi, werd als gevolg van de nederlaag van de patriotten nooit afgehaald en staat nog steeds - verweerd en al - in de tuinen van de Villa Borghese in Rome.
Napoleons nederlaag bij de Slag bij Waterloo betekende het definiteve welslagen van de soevereine ambities van het Huis van Oranje, maar het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog voordat er werkelijk iets van bestaanszekerheid ontstond voor de dynastie. Wilhelmina had zich achter de radiomicrofoon te Londen eindelijk weten te profileren als een moeder des vaderlands, een voorgangster in de strijd tegen de nazi’s. Een rol die niet van enkele historische dubbele bodems was ontbloot: de politiek correcte Duitse diplomaat Wolfgang zu Putlitz, in de jaren dertig actief in Den Haag, merkt in zijn memoires (hier vertaald als In rok tussen de bruinhemden) op dat Musserts NSB aanhangers had in de koninklijke hofhouding. Wie naar een enkele antinazistische mededeling zoekt uit de mond van een vertegenwoordiger van het Oranje-huis, daterend van de tijd voor de bezetting, kan lang zoeken.
Wel kreeg een beweging als Frank Buchmans Morele Herbewapening in de jaren dertig veel koninklijke bijval. Buchman, een Amerikaanse christenstrijder met een enorme aanhang onder Nederlands maatschapplijke bovenlaag, verkondigde alom dat Adolf Hitler een godsgeschenk was voor de afweer van het communistische gevaar.
Oranje heeft kortom wat goed te maken. Willem- Alexanders unverfroren omschrijving van bevrijdingsdag als een inhoudsloos ritueel dat gerust kan worden afgeschaft, is wel het laatste wat er uit die hoek zou mogen worden verwacht.
ER IS NATUURLIJK een heel eenvoudige manier om alle controversen over deze gevoelige materie voor eens en altijd te begraven. En die luidt: afschaffing van de monarchie en herinvoering van de republiek.
Een dergelijke maatregel lijkt momenteel verder weg dan ooit, maar dat is maar schijn. Wanneer het Nederlandse volk per referendum de keuze wordt geboden tussen handhaving van de monarchie of handhaving van de tandartskosten in het ziekenfondspakket (om maar eens iets te noemen), is het maar zeer de vraag welke van beide aan het langste eind zal trekken. Budgettair is zo'n keuze overigens meer dan verantwoord. Toegegeven, vanwege het wegvallen van Koninginnedag scheelt het een vrije dag, maar als er nu een 'inhoudsloze’ festiviteit bestaat, dan is het wel de dertigste april. Ter compensatie kan dan de achttiende januari als een verplichte vrije dag worden ingevoerd: het feest ter ere van de vlucht van Willem V, het startsein van de democratisering van de Nederlandse staat.