De marinier (slot)

‘Op mijn negentiende vond ik de havo niet meer zo interessant. Ik heb niet zo'n denkhoofd. Maar ik had ook geen zin om elke dag van negen tot vijf te gaan werken voor een burgerbaas. Wel sportte ik altijd graag. Dus toen ik de reclame voor het Korps Mariniers zag: bergbeklimmen, parachutespringen, skien, acties vanuit duikboten, landingsvaartuigen en helikopters, ging er een belletje rinkelen. Zeker toen ik hoorde dat het Korps over de hele wereld uitzwermt, van Noorwegen tot aan de Antillen. Ik dacht: Nederland ken ik al, de rest van wereld nog niet. En ik zette mijn handtekening.

Marinier word je niet zomaar. We zijn niet voor niets een keurkorps. Mariniers moeten in alle omstandigheden kunnen vechten. Hoog in de bergen, diep in de jungle of voorbij de poolcirkel, onder de meest barre omstandigheden. Verder dienen we alle mogelijke wapens te kunnen bedienen. Van het negen-millimeterpistool tot de honderdtwintig- millimetermortier. Ook leren we ongewapend vechten. Als je geen kogels meer hebt, moet je toch overgaan op andere technieken.
Naast gevechtsoefeningen houdt het Korps zich bezig met een stukje peace-keeping. Bijvoorbeeld in Cambodja, daar zorgden we ervoor dat de verkiezingen goed verliepen, hielden we de gewapende facties uit elkaar, en verleenden eventueel humanitaire steun aan de lokale bevolking. Dit kan een paar gewonden opleveren: zo is er een patrouille in een hinderlaag van de Rode Khmer gelopen. Dat is het risico van het vak.
Van peace-keeping gaat het Korps nu langzaam over op peace-enforcing, zoals laatst in Bosnie. Zulke situaties brengen jammer genoeg met zich mee dat er mensen zullen sterven. Maar ja, als marinier word je nu eenmaal geoefend in het toepassen van geweld. Dat accepteer je gewoon. Het gebeurt ook nooit zomaar. Wij zijn daar om de belangen van Nederland te verdedigen. Het gevoel van doden ken ik niet, ik was er niet bij op die berg boven Sarajevo. Maar als ik zou moeten kiezen tussen mijn leven en dat van mijn vijand, dan geloof ik dat ik toch net iets eerder de trekker zou overhalen. Verder prakkizeer er ik er niet over. De regering heeft er lang en breed over nagedacht en die heeft beslist dat het noodzakelijk is.
Mariniers moeten ook niet te veel denken. We worden getraind om juist heel gedrild te reageren op alle situaties die je in een oorlog tegen kunt komen. Of dat nu uit het landen op de kust, het laden van een wapen, of het schonen van een huis bestaat. Allemaal driloefeningen, die net zo lang worden herhaald totdat ze een automatisme zijn. Aan het front ga je niet lopen piekeren. Dat kost je het leven.
Bang ben ik nooit. Op het moment dat ik uit het vliegtuig spring, heeft het geen zin meer om over mijn schouder te kijken of de parachute wel open gaat. Ik ga er gewoon vanuit dat het goed gaat.
Zo niet? Ach, dan hebben ik, mijn vrouw en mijn drie kinderen pech gehad.’